Dikke vandalen

Stel, je bent een vluchteling.
Vanuit een oase van letters en woorden ben je beland in een woestijn van klanken waar geen touw aan vast te knopen is. Je bent hoogopgeleid, laten we zeggen ingenieur in het een of ander. Je vindt niet de baan, die er wel is omdat het even duurt voordat de woorden “Goedemorgen, hoe gaat het met u?”, tot je doordringen qua betekenis. Ze leren uitspreken is helemaal lastig en tijdrovend.
Of stel,  je bent een Nederlander.
Vanuit een oase van letters en woorden beland je in de dorre woestijn van jouw eigen taal waar geen touw aan vastgeknoopt wordt. Je bent hoogopgeleid, laten we zeggen ingenieur in het een of ander. Je hebt een baan maar er gaan veel morgens voorbij zonder dat je de woorden “Goedemorgen, hoe gaat het met u”, uitspreekt. Als je ze al uitspreekt is een antwoord altijd goed. We praten wel veel maar zeggen weinig.

We hebben daar een boek voor. Een opsomming van verklaringen, uitleg over woorden en uitspraken die onze taal, onze taal maken. De dikke van Dale. Met elk jaar nieuwe woorden, gekke woorden zoals de Beyoncévlieg(een groot goud geel achterwerk dat je kunt liken) en zelfs spookwoorden. Al zijn die bedoeld om het product van de uitgever tegen plagiaat te beschermen. Een boek voor puristen en wurmen. Een boek waar we mensen de woestijn mee insturen. Een dor verzinsel waar de woorden flora en fauna wel in voorkomen maar waar niets weelderigs uit wil groeien.
De dikke heeft het in dat boek van onze taal over de status van een vluchteling. Zo bestaat er een politiek vluchteling maar er is ook een klimaatvluchteling. Ze trekken in tegenovergestelde richting de Middellandse zee over. Onderweg komen ze elkaar niet tegen. De een mag blij zijn als hij het leven houdt in een bootje en de ander gaat comfortabel door de lucht.
De taal leeft, zo zegt men bij van Dale.

de weg

Ik heb mij aangemeld als vrijwilliger in een asielzoekers centrum. De contacten met de mensen daar gaan niet over taal. Niet over welk soort vluchteling dan ook. Laat staan over dat dikke boek. Ik heb er nog nooit “Goedemorgen, hoe gaat het met u?”gehoord. De woestijn van onze taal is er verandert in een florerende oase van contact met handen en voeten. Dat komt door het water wat gesprenkeld wordt. De taal van ons hart.

Zelfspo(r)t 2

Ik ben meedogenloos voor mezelf. Verleg de grens van de pijngrijns in de hoop die van anderen te kunnen overtreffen. Dat is niet altijd het geval maar pijn lijden blijkt trainbaar als je er aanleg voor hebt.
De trainingsfaciliteiten zijn geweldig rondom de Colorado State University in Boulder en al gauw verdwijnt de voorgenomen studie wat naar de achtergrond. Trainen met de groten der aarde van dat moment heeft een ongelofelijke aantrekkingskracht maar frustreert soms hopeloos.
Mijn baantjes in het vijftig meter bad worden door de wedstrijdzwemmers, als ik hard door zwem, anderhalf keer gedaan in de tijd die ik ervoor nodig heb.Ik wordt met gemak gedubbeld door die maffe Mexicaan op de hardloopbaan die uit de bergen komt rennen met zijn baanschoenen onder zijn arm.
“Kan die man niet weg of aan een andere training meedoen waar we hem niet zien?”, vraag ik aan de coach van de Boulder Roadrunners.
“Just let Arturo go about his business and don’t pay any attention to him”.
Later kom ik erachter dat hij Barrios van zijn achternaam heet en wereldrecordhouder op de tien kilometer is. Sprintkanon Phyllis spant de kroon door me bovenaan Left Hand Canyon met de fiets aan zijn hand op te wachten en me te complimenteren met mijn techniek en kracht. Dit nadat hij me met beurtelings alleen zijn linker- en zijn rechtervoet op het pedaal een aantal keren voorbij gefietst is.

-10 Brightness +5 Saturation for 7600 Prints

Overweldigd door de aanblik van de Rocky Mountains in Colorado leer ik wat een jetlag is. Vermoeid van de wedstrijden in Nederland ben ik hier aan de slag gegaan zonder een poosje rust te nemen en de overgang te verwerken. Overhaast beklim ik de steilste bergen die ik kan vinden en meet me met de atleten om mij heen. Tijdens een eerste proeve van bekwaamheid wordt ik direct tweede in de triatlon in Englewood. Dat helpt ook al niet om mijn gestel te laten rusten. Alsof de duivel me op de hielen zit ga ik tot het uiterste zonder dit zelf goed te beseffen. Op een ochtend doe ik een lange rustige duurloop met Chuck How. Hij is de 65-jarige hoogleraar en stagebegeleider van mijn vriendin en in het bezit van een ijzeren gestel. Gedurende een groot deel van de avond zit hij met een glas witte wijn en zijn vrouw in de jacuzzi uit te kijken over de magistrale flat iron rocks. In de vroege ochtend springt hij stram in zijn hardloopschoenen en loopt grote parels zwetend alle losbandigheid er weer uit. Langzaam maar zeer gestaag. Ik kan Chuck niet bijhouden. Alsof ik leeggelopen ben strompel ik achter hem aan en ik krijg eindelijk door waar ik mee bezig ben. Een week absolute rust doet wonderen.

Stoof

Ronddolend in de ruimtes van mijn bovenkamer kom ik hem ineens tegen.
Daan.
Hij zit in een grote bruine stoel met brede armen. Er hangt een gehaakt groezelig wit kleedje over de rugleuning. De scheuren en vlekken in het vaal verweerde leer weerspiegelen het geluid van de grote staande klok naast hem. De tijd wordt meedogenloos weg getikt. Zijn minuten gaan sneller dan de mijne. De zwarte kolenkachel in de hoek van de kamer heeft een gloeiend opengesperde glazen mond. De muffe dampen gemixt met het aroma van draadjesvlees en andijvie uit de keuken. Zijn benen gestrekt voor zich uit. De voeten op een vierkant kistje waar je een schaaltje met hete kooltjes in kan doen. In de bovenkant uitgesneden hartjes. Thermostaat avant la lettre.

“Kom jongen, te paard,” zei hij wanneer hij iets te vertellen had.
Ik klom op zijn schoot en liet me meevoeren naar de wereld die hij me voorschotelde. De wereld van een man die een stuiver vond. Ergens op het land van zijn boerderij. De ene keer vond hij hem sneller dan de andere. Een gouden stuiver. Hij ging ermee naar de markt en kocht een varken. Maar het varken was niet vooruit te krijgen. Het dier wilde niet gaan. Toen ging de man naar de hond.
“Hond, wil je varken bijten want het varken wil niet gaan.”
“Nee,” zei de hond. “Ik wil niet varken bijten.”
De man ging naar de stok.
“Stok, wil je hond slaan want de hond wil niet varken bijten en het varken wil niet gaan.”
“Nee”, zei de stok. “Ik wil niet hond slaan.”
De man keek om zich heen en zag het vuur.
“Vuur”, sprak de man, “Vuur, wil je stok branden want de stok wil niet hond slaan, de hond wil niet varken bijten en varken wil niet gaan.”
Vol verwachting keek ik naar Daan’s gezicht. Hij kon vertellen en zingen tegelijk. Ik had deze melodie al duizend keer gehoord maar dacht telkens weer dat er misschien een verrassend ander slot zou volgen. Tot mijn grote vreugde veranderde het verhaal nooit. Hij pakte me bij mijn middel vast en zette zich schrap in de stoel met mij op zijn knieën. Ik wist wat er komen ging en gierde van het lachen voor de laatste zin zijn lippen verlaten had.
“Ja”, sprak het vuur en brandde de stok. De stok sloeg de hond, de hond beet het varken en het varken ging lopen, lopen, lopen, lopen, lopen!
Ik wipte op zijn knieën op en neer alsof ik daadwerkelijk een op hol geslagen varken bereed. Geen pretpark kon de vrije val aan het einde van de rit evenaren. Met een enorme boog belandde ik met een gecontroleerde bonk op het kistje met de warme kooltjes.
Gierend van de lach klauterde ik overeind en besprong hem. “Nog en keer opa, nog een keer!”
stoof
Nadenkend over dat ding kom ik een advertentie tegen. ‘Antiek voetstoofje, inclusief brikettenbakje’, staat erboven.’Vaste prijs: Twintig euro. Het stoofje heeft een kleine reparatie gehad. Op te halen of te verzenden(kosten voor de koper).’
Ik zou er geen stuiver voor geven.

Poëzie op vrijdag

Haal me op uit de morgen

met ronkende motor

tussen knisperende bladeren

onder een glasheldere koepel

van het blauwste blauw

Scheur met me door de middag

parkeer een dutje in de warme zon

gras groeiend op verre plekken

waaiend langs de wind, getint

door groteske groene geuren

Trilhos de trem ficaram tortos após os tremores em Christchurch, na Nova Zelândia

Ontmoet me in de avond

race mij tegemoet

onder een vervagende deken

van flarden regenboog

versplinterd aan de hemel

Leid me dan de nacht in

omarm me in het zwart

spreek me toe in stilte

totdat ik verdronken ben

in de armen van jouw morgen

Goldrushzus

romheen's avatarromheen

neilyoung“Neem jij ‘m maar, ik hoef ‘m niet meer.” Telkens hoor ik je weer in mijn hoofd. Dit keer zijn het de klanken uit de autoradio die het je laten zeggen. Dan geef je ‘m aan mij. 

Neil Young’s LP, After the Goldrush. 

Mijn beeld van vrijheid op de voorkant. Neil in zijn oude groezelige jas met cowboylaarzen en een hoed die je niet kunt zien. Hij loop zijn wilde toekomst tegemoet. Mijn leven in. Ik ben Neil Young. 

Je bent het huis uitgegaan en laat je kamer aan mij na. Thuis wordt dit ‘het hok’ genoemd. Ik ben vijftien en denk dat vrijheid, behalve Neil Young, uit vierkante meters bestaat die je van jezelf kunt maken door een deur achter je te sluiten. Tot dan heb ik altijd het kleinste kamertje gehad. ‘Het hok’ is een verbouwde volière waar een eindeloze zee in schuilt.  

Denk ik.  

Het bastion…

View original post 178 woorden meer

Lucht.

“Godverdomme!”
Stampvoetend  staat de chauffeur te vloeken voor de deur van het eenzame huis. In zijn handen blazend schildert hij lijzig witte sporen op het doek van de donkere avond. De motor van zijn geparkeerde blauw gele vrachtwagen bromt onheilspellend op de achtergrond.
Hij wil naar huis. Zijn dag zit er bijna op.
De vlakte om hem heen ziet er weinig uitnodigend uit. De gevlekte kale berkenbomen steken stamloos uit de sneeuw. Alsof iemand er een aantal afgezaagde takken rechtop in heeft gezet om het wijde niets van decoratie te voorzien. Ondanks de temperatuur in de winter is hij blij dat hij de drukte van Stockholm achter zich gelaten heeft. Deze baan in de eenzaamheid van Noord Zweden bevalt hem stukken beter. Hij is eraan gehecht geraakt. Daar, in de hectische stad, nam hij zijn werk mee naar huis. Als bewaker verdronk hij in zijn eigen nachtelijke hersenspinsels. Hij werd er angstig en achterdochtig van. In samenspraak met de korpsleiding had hij zich laten omscholen en was verhuisd.

“Kom op, kom op”, mompelt  hij voor zich uit terwijl hij voor een tweede keer op de bel drukt. “Waarom doen jullie niet gewoon open?”
Het zwakke schijnsel van licht door een venster doet hem besluiten te gaan kijken. Zijn laarzen breken krakend het oppervlak van de bevroren sneeuw. Hij zakt een stukje weg in elke stap. Langzaam beweegt hij zijn gezicht voor het raam en probeert iets te zien door de dikke vitrage van vastgevroren sneeuw en ijskristallen. In het zwakke schijnsel van een lamp ontwaart hij achterin het huis de contouren van twee mensen die aan tafel zitten. Licht voorovergebogen leunen ze naar elkaar toe. Ze lijken in gesprek . Hij klopt op het raam maar er volgt geen reactie. Ze hebben hem blijkbaar niet gehoord.
Krakend over het hard witte dekbed om het huis stelt hij vast dat alle luiken hermetisch afgesloten zijn. Voor een derde keer belt hij aan en luistert naar de wegebbende echo van de deurbel in de gang. Dan loopt hij terug. Rondom zijn vrachtwagen hebben de walmende uitlaatgassen een wit grillig zwevend laken uitgespreid. In zijn warme cabine steekt hij een sigaret op en schud zijn hoofd. Alsof hij de plots opkomende gedachten probeert uit te bannen. In zijn binnenspiegel bekijkt hij zijn gezicht. De opgloeiende sigaret brengt kleur in zijn bleke gelaat. Hij heeft geen zin om morgen dit ritje nog eens te moeten maken.

Net als hij is uitgestapt om een laatste poging te ondernemen hoort hij iets dat zijn aandacht trekt. Langzaam nadert een vaalgele Volvo  de plek waar de chauffeur zijn truck geparkeerd heeft. Een man stapt uit. Hij draagt een dikke bontjas.
“Ik heb al aangebeld en op het raam geklopt maar ze reageren niet”, zegt de chauffeur terwijl hij naar het huis wijst.
“Die gaan niet opendoen hoor. Ik heb ze gister opgeblazen”.
Niet begrijpend kijkt de chauffeur de bontman aan. Achter hem verkleurd de lucht. Alsof een maniakale toneelmeester de gordijnen naar willekeur opent en sluit. De man draait zich om en bekijkt aandachtig de voorbijschietende tinten aan de sterrenhemel.

noorderlicht
“Zo zie je het niet vaak, wat is het toch een schitterend fenomeen”.
“Ze hebben meubels van Ikea besteld”.
De man ontbloot zijn tanden. In slow motion gaan zijn mondhoeken omhoog.
“Dat was ik zelf hoor”zegt hij grinnikend ,”Zij zijn een trucje. Stuk goedkoper dan bewaking en net zo preventief. Opblaaspoppen. Ze verrekken het alleen om te helpen sjouwen. Kom op kerel, gooi de boel maar los. Ik zal de voordeur voor je opendoen”.

Natuurwinkel

Ze belt hem.
Ik hoor haar schelle stem knetteren via zijn telefoon. Hij heeft hem op de speaker staan maar houdt het apparaat desondanks aan zijn oor. Hij heeft het druk. Laptop op schoot. Boeken open naast hem op de bank. Hij legt dat ook uit. Aan haar. Dat hij druk is.
“Ik ben wat eerder weggegaan uit die unit meeting. Vond dat dat wel kon. Dick dacht daar anders over geloof ik, gezien zijn blikken maar…” De stem kraakt vervaarlijk uit de speaker.
“Nee, ja, nee, niet altijd hè?”
Gepruttel.
“Ja, maar schat, kun je dat zelf niet even doen? Ik heb het nog enorm..”
Geratel.
“Weet ik veel, misschien hebben ze dat daar ook wel ja. Waarlangs? Jezus, jij bent er vlakbij!”
Tussen het gekraak versta ik drie woorden die ik weleens op een schutting lees. Blijkbaar heeft de stem het juiste vocabulaire gevonden om de man te overtuigen.
“O, de natuurwinkel?”, vraagt hij nu poeslief. Onwillekeurig kijk ik naar buiten. De film achter het venster vertoond een voorbijrazend stedelijk landschap. Gestapelde stenen in de hoofdrol.
“Goed, goed, ik zal er even langs. Wat wil je nog meer dat ik meeneem?”
Ik denk aan afgemeten porties glooiend landschap, bloemen binnen de perken, plastic bakjes zonsondergang en tassen vol met boomgaard.
“Wat voor specerijen?”
Geknars .
De natuurwinkel. Er is geen kruid tegen opgewassen.

jungletrein
Aan de horizon van mijn voorstellingsvermogen vormen zich gangpaden vol weelderige jungle en winkelwagens, uitpuilend van de tropische vruchten. Een binnenmeer met vissers die hun verse waar aanbieden vanuit hun houten bootjes. Miriam Makeba zingt Pata Pata op de achtergrond. Een deur waarop staat ‘toegang onder begeleiding’ trekt mijn aandacht. Erachter een keur aan bushroutes die je op vertoon van een spaarkaart kunt volgen.
In het gangpad met ‘Afrika’ erboven staat een Jeep klaar. Een safari tussen inheems vers vlees van koedoe en struisvogel. Je kunt het wild zelf schieten. De gids is een werkloze tandarts. Hij heeft een T-shirt aan van de Lion King.
“Mierikswortel?”
Het gekwetter haalt me terug uit de natuur.
“Wacht, ik noteer het even.”
Door het venster zie ik dat de film in slow motion is gaan draaien. De man pakt zijn spullen bij elkaar en maakt aanstalten om te gaan.
“Je komt toch altijd minder ver dan je denkt hè”, zegt hij, wijzend op zijn telefoon.

C’est le béton qui fait la musique.

Is het symbolisch?
De nacht van de poëzie verpakt in hoekig en koud beton. Ik weet niet wat dit zegt maar kom op het idee als ik rook. Buiten op een terras tussen hoekig hard steen en staal. Uitkijkend over wegen, verkeerslichten en winkels( ik ben toch niet gek?), afgerasterd door aanperkende flats en gebouwen. Ingedamd uitzicht.

Of vergis ik me?
Is het juist deze omgeving die de taal uitdaagt tot versieren? Haar van weelderige tierelantijnen voorziet en verrassend vlakken inkleurt die voordien slechts grijs leken. Kan beton ontluiken? Gevlochten staal opbloeien? Binnen lijkt alles ronder.
Het mooiste van deze nacht laat zich lastig vatten in één dichter alleen. Beroering kent vele gedaantes. Neem Juliettte Gréco. Inmiddels 88 jaar en nog steeds zingt ze liedjes waar 1000 gedichten inzitten. Ze staat met Tommy Cooper achtige aspiraties op het podium. Of Jules Deelder die, onnavolgbaar als podiumdier, zijn publiek bestookt met lettersalvo’s van de lach. Met hen kleuren vele andere schrijvers en dichters de nacht.
Het publiek levert ook haar bijdrage. Een vrouw van 78 blijkt in de jaren ’50 als au pair in Parijs gewerkt te hebben. Toen te armlastig voor een concert van Gréco maar nu is ze er. Overlopend van enthousiasme en herinneringen. Een jonge dronken dichter krijgt lik op stuk van de meisjes die hij wil imponeren met zijn liederen. Zijn verzen zijn niet slecht maar zingen is zacht uitgedrukt niet zijn sterkste kwaliteit. De inmiddels lege fles whisky die hij in zijn hand heeft helpt niet.

Ik kwam hier als student. Schuilde voor de saaiste colleges bij Willem Slok, om de hoek. Hij was een alcoholist met een kroeg. Het liep slecht met hem af. Zijn vrouw, tante Nel, zette zijn legende voort en voorzag mij en mijn vrienden van de natjes. Ze kon goed luisteren. We vertelden haar ons hele hebben en wilden haar houden.

cafewillemslok

Vorig jaar, voor deze nacht mij in bezit nam, was ik er terug. Café Willem Slok bestond nog maar tante Nel bleek dood. In mijn gedachten leeft ze voort. Schenkt me nog eens in. Een glas vol letters dat mijn gedachten vult met pastel gekleurde zinnen.
Ik rook mijn sigaretje en denk aan haar.
Gegoten in het weelderig beton van mijn herinnering.

Heimlich

“De Waldorf salade alstublieft”. 
Langzaam vouwde Corné de kaart dicht en dacht na over hoe hij dit aan zou gaan pakken. Had zichzelf al zien vertrekken terwijl hij glimlachend binnenkwam en iedereen de klamme hand schudde. Keuvelend knoopte hij het bovenste knoopje van zijn boord los. Corné had liever aan de bar van zijn stamcafé afgesproken maar dat had niemand een goed idee gevonden. Zij verkozen deze beslotenheid om openlijk hun grieven te kunnen uiten. Hij kende de mensen die aangeschoven waren aan de grote ronde tafel in het midden van de ruimte. Het waren zijn vrienden.

Corné dacht na over cognac bij de koffie. Hopelijk hadden ze dat ene merk. Hij kon er niet opkomen. Verlangde naar prikkeling van zijn gehemelte, de felle gloed in zijn keel en de warme omarming van alcohol door zijn lichaam. Hij wilde dat deze meeting over was. De deal was misgegaan maar schuld delen stond niet in hun woordenboek. Ze deelden liever de winst.
1350973748_waldorf_salade
De voorgerechten werden geserveerd en met een flauwe glimlach om zijn mond nam Corné achteloos een hap van zijn salade. Je zou het maar bedacht hebben. Een echte klassieker uit eind 1800. Vernoemd naar dit Waldorf Astoria als hij zich niet vergiste. In gedachten zag hij de kok experimenteren met de smaakcombinaties. Trail and error. Hij was jaloers op hun succes. De licht scherpe smaak van selderij snelde vluchtig langs zijn papillen, op de voet gevolgd door zoete appel en rozijn. Hij mistte de frisheid van citroen en spoelde de muffe nasmaak van walnoten weg met een ferme slok bitter Leffe Blond. Verslikte zich en hoestte een deel van de hap over tafel.  Iedereen keek verwonderd naar hem. Corné deed geen moeite zich te verontschuldigen. Een overweldigende galsmaak golfde door zijn mond. De geluiden om hem heen werden overwoekerd door een plots intredende duizeling. Oorverdovend suizen. Beseffend dat er iets mis was kromp hij ineen met een vacuüm in zijn borstkas. Kon niet meer stoppen met hoesten. Oncontroleerbaar kokhalzend morste hij bier over zijn stijf gestreken witte overhemd.

Niemand bewoog.

Corné viel voorover tegen de tafel en gleed, het tafelkleed met zich meesleurend, langzaam naar beneden. Diep, rochelend hoesten omkleed door het geluid van kletterende messen, vorken en brekend servies.
“Chivas Regal”, dacht hij terwijl hij de stoelpoot vastgreep en omklemde. Wanhopig met gierende uithalen probeerde hij zuurstof naar binnen te zuigen. In blinde paniek sloeg hij wild om zich heen. Sneed zich aan gebroken glas. Zijn bebloede handen lieten rode sporen na. Abstracte lijnen over de vierkante patronen van het licht beige linoleum.
“Kent niemand hier Heimlich?”, dacht hij vertwijfeld.
Hij verloor het bewustzijn.

Frietje met Malcolm.

Een maaltijd schiet erbij in en ik sta op een Utrechtse straathoek knapperig gebakken zetmeel met mayo te smullen. Bijna niet te doen zonder echo van gezondheidsfreaks in mijn hoofd. Of zonder een kwak mayo op je shirt te dumpen zodat je de rest van de dag met een slakkenspoor op je borst rondloopt. Ik staar genietend voor me uit. Tussen de langssnellende tweewielers rijdt een fiets mijn blikveld binnen. Het ding danst als een pas losgelaten koe in de lentewei de hoek om. Een fiets. Er zit niemand op. Het stuur kiest lukraak richting. Totdat zwaartekracht het van snelheid wint en het op straat crasht. Tot zover mijn blikveld. Ik hoorde iets voor ik ging kijken.

“Blijf staan! Blijf staan! Stop! Halt!”
“Niet doen lul! Doe niet! Laat los! Racist!”
Zien en horen werken samen als er om de hoek, uit dezelfde richting als de fiets, een jonge man met getinte huidskleur en een rasta kapsel komt rennen. Hij sleept een man met zich mee. Een agent heeft zijn jas vast en ziet er niet uit alsof hij los gaat laten. Een verbeten blik. De jonge man vertraagd door het tegenwicht dat de agent hem biedt en komt midden op straat tot stilstand. Niet ver bij de fiets vandaan. De agent bezweert de vluchtpoging door luidkeels te schreeuwen.
“Je bent aangehouden! Blijf staan! Je bent aangehouden!”
De vluchter dient hem van repliek.
“Blijf van me af lul! Vuile racist! Je zoekt een zwarte uit hier! Donder op!”

201007271728

De agent kijkt hem strak aan en wist zich het zweet van zijn voorhoofd.
“Je bent officieel aangehouden!”
“O, ja? Wat heb ik dan gedaan man? Helemaal niks toch man! Het is omdat ik zwart ben hè! Iedereen doet dat hier, jij vuile…!”
Hij maakt zijn zin niet af maar glimlacht ineens. In schril contrast met het gezicht van de agent. Die spreekt in een microfoon op zijn linkerschouder en kijkt met grote ogen naar zijn arrestant. Hij houdt voortdurend een hand gestrekt voor zich uit alsof hij hem op afstand wil houden.
“U heeft een stopverbod genegeerd, u heeft een vluchtpoging gedaan, u heeft zich verzet tijdens uw aanhouding, u heeft een ambtenaar in functie beledigd”.
De agent propt de gewichtige zinnen tussen zijn gejaagde ademhaling. De jongeman lacht hardop maar zegt niets meer. Hij zet zijn benen een beetje uit elkaar en gaat staan als een militair die ‘op de plaats rust’ heeft gehoord. Langzaam gaat zijn rechterarm omhoog en balt hij zijn vuist. Zo blijft hij staan.
Zijn zwijgen in gebarentaal zegt alles wat hij te zeggen heeft.
“Wat een aansteller”, zegt een vrouw die naast me staat te eten. Ze heeft een slakkenspoor op haar sjaal. De halve bevolking van Utrecht passeert hier op twee wielen maar in deze straat mag je niet fietsen. De agent heeft een vergissing begaan. Uitgerekend hij heeft Malcom X van zijn fiets getrokken. Dat wordt nog wat bij de rechtbank. Want geef die maar eens ongelijk.