Niets dan goeds

“Hij hheeft ze voor een pprikkie kunnen kkopen…”
Geïrriteerd en vol ongeloof staart Carlo de spreker aan. Het begint hem langzaam te dagen dat hij niet de enige is geweest die weleens een verkeerd dealtje met zijn dode studievriend Corné gesloten heeft. De notaris die hier tegenover hem glimlachend met een biertje in de hand staat te stotteren lijkt te weten waarover hij spreekt.
“Hoe bedoel je, voor een p-p-prikkie?”
“Nou, zoals ik het zeg. Die huizen stonden allemaal onder water en via de curator kwam hem dat toevallig ter ore. De bewoners wisten zich geen raad meer en wilden alle vier van hun schulden af. Ik belde even met Paulus, je weet wel , Heywolt en de bank accepteerde een bod van iets meer dan de helft op de openstaande hypotheekwaarde. Onze dealmaker Corné, over de doden niets dan goeds, was het heertje in deze kwestie. Hier, de eigendomspapieren.”
“Dus ik moet godverdomme accepteren dat meneer zaliger mij postuum nog een oor aannaait van een half miljoen!?”
Enkele mensen in het zachtjes keuvelende gezelschap draaiden zich om zodat ze konden zien wie de serene stilte rond het haardvuur in Grand Café ‘de Waagh’ verstoorde.
proeflokaal_01
“In Groningen!”, tierde Carlo verder, “Mijnheer de briljante adviseur heeft mijn geld geïnvesteerd in vier huizen in de binnenstad van godvergeten Groningen! Dat zie ik nooit meer terug! Heb je er misschien ook meteen een telefoonnummer van de NAM bij? Dan kan ik bellen of ze misschien ook een fonds voor idiote investeerders hebben!”
Maak je niet zo druk Carlo”, sprak de notaris die zich zichtbaar ongemakkelijk voelde. “Alle bewoners zijn er inmiddels uit en je kunt er mee doen wat je wilt. Ik heb gehoord dat de verhuur voor studentenhuisvesting in die stad best een zakcentje kan opbrengen. Ik heb nog wel een vriendje die daar zijn makelaarspraktijk heeft. Hij kent die markt een beetje. Zal ik hem eens bellen voor je?”.
Voordat Carlo kon reageren werden ze onderbroken door het geluid van brekend glaswerk.

In de andere hoek van de gelagzaal zag hij hoe Corné’s vader geëmotioneerd tegen zijn zus stond te praten. Drank klonk door in zijn stem.
“Ik maak dat zelf wel uit! Het is verdraaid je eigen broer Tanja, je bloedeigen broer, dat kun je toch niet met een mantel bedekken? Hij heeft je jaren gewoon be-so-de-mietert! Je moeder vond ook altijd dat ik daar niets van mocht zeggen maar het is genoeg geweest. Hoor je me? Genoeg!”
Woest gebarend stapte hij richting de toog en brieste aldaar aangekomen om bier. Het “Nee, mijn glas is stuk”, ebde weg tussen het opkomende geroezemoes in de ruimte waar een sfeer van ongemak leek te ontstaan. Carlo wist waar de vader van zijn overleden studievriend het over had. Zelfs hij vond dat deze stunt van Corné geen schoonheidsprijs verdiende. Als beëdigt en toegewijd accountant had hij een fikse boete opgelegd gekregen voor het systematisch afromen van de rekeningen van enkele van zijn klanten door meer uren in rekening te brengen dan hij in werkelijkheid voor ze werkte. Inclusief het bedrijf van zijn zus.

Tanja stond wat verloren tussen de vrienden en kennissen van Corné. Ze kende bijna niemand afgezien van de freule met wie ze stond te praten. Van haar voornemen om middels zijn vrienden haar broer een beetje beter te leren kennen kwam weinig terecht. Zoals ze zich in de afgelopen jaren verwijderd had gevoeld van haar broer, zo ervoer ze het gezelschap nu ook. Vervreemdend en afstandelijk. Ze wist niet zeker of ze hem miste.
“Mijn lieve kind”, sprak de freule op moederlijke toon, “het zal wel een moeilijke tijd voor je worden, zo plotseling zonder je broer”.
Tanja keek de freule aan met een vertederde blik in de ogen.
“Ik moest je nog iets geven”, zei ze terwijl ze een enveloppe uit haar tas haalde.
“Heb dit al een poos geleden gevonden en loop er al tijden mee rond. Gewoon vergeten hoor. Corné had het laten liggen toen hij bij ons overnachtte”.
Tanja pakte de enveloppe aan en opende hem langzaam.
“Ik heb het ook gelezen”, zei de freule bedachtzaam, hij kon prachtig schrijven. Je broer hield veel van je, wist je dat?”
Tanja knikte afwezig. Ze vouwde het A4-tje open en begon te lezen.

Sparrenheuvel

Er was een Barend. ‘Ja joh’ Barend. Mongool op leeftijd, ijzersterk met een evenwichtsstoornis. Hij hield van fietsen maar dat ging niet meer zelfstandig. Een tandem bracht uitkomst. Ik voorop om te sturen en remmen. Barend trapte altijd door. Zo hard als hij kon. “Ho Barend! Ho!!” riep ik als we een stoplicht naderden. “Ja joh”. Om de week moest ik de remblokken vervangen. Raspend metaal op metaal. Dat kon zo niet langer. Onverantwoord. Er werd een driewieler geregeld. Marlies joelde hem vooruit. Barend stapte erop en gaf gas. “Ja joh”. Reed keihard tegen de muur van het tehuis en lag twee weken plat met een hersenschudding. Het ding bleek krom te zijn. Eenmaal hersteld fietste Barend eindeloos rondjes op de oprit. Hij kon het alleen en ging nergens meer heen. “Ja joh”. Op zaterdag harkten we zijn sporen uit het grind.
driewieler-volwassenen003

Er was een Marlies. Ik weet niet meer wat ze had of hoe ze het noemden. Minder begaafd, dat wel. Marlies was dol op seks. “Zullen we samen douchen?”vroeg ze me op mijn eerste werkdag. We braken ons hoofd over voorlichting en veilig vrijen. Marlies zat nergens mee. Ik trof haar in bed met Johan, een medebewoner. Op de vraag of ze het wel veilig deden kwam twee hoofden boven de dekens vandaan. “Nee joh, gekkie, hoeft niet want je krijgt alleen kindjes als je van elkaar houdt. Wij maken nog geen liefdeskindjes, we vrijen alleen, hè Johan?” Zijn hoofd was paars aangelopen.

Er was een Johan. Hij was normaal. Tenminste dat dacht iedereen als ze hem zagen. Het verstand van een klein kind met het uiterlijk van een grote stoere Viking. Ik heb veel vrouwen stuk zien gaan op Johan. Ze begrepen niet waarom hij niet van een wijntje hield. Of bellen blies door een rietje in zijn priklimonade als hij met ze afgesproken had. Hij kon wel goed luisteren en snapte gelukkig voor hem de helft van wat ze in zijn oor fluisterden. Johan was een goeierd. Hij bracht ze altijd netjes naar de bus als ze weer weg wilden. Dan zocht hij teleurgesteld zijn vriend Gijs op. “God ziet mij,” zei Johan. De vraag was hoe hij dat zo zeker wist. “Omdat mijn vader naast hem zit te wijzen.”

Er was een Gijs. Kwijlebak. De maat van zijn tong in geen verhouding met de mond die eromheen zat. Hing altijd buitenboord. Als je door Gijs gekust werd moest je douchen. Een verschoning aan op zijn minst. Tongzoen avant la lettre. Gijs hield van iedereen en daar kwam iedereen snel achter. Vrolijk, lachend, likkend, gillend, gekkend, kirrend, schreeuwend. Omhelst door een enorme smak vrolijkheid. Als we ijs gingen halen bij de Italiaan nam ik een schoon t-shirt mee. Voor Gijs. Soms had hij er twee nodig. We ruilden dan van shirt. In de bus terug lachte hij zich slap om zijn vieze shirt dat ik aan had. Knoeibezem was zijn favoriete woord. Wees op mij en gilde door de bus.

Er was een Jan. Mijn eerste baantje als hulpverlener. Kreeg meer hulp van Barend, Marlies, Johan, Gijs en anderen in een week dan tijdens mijn gehele opleiding. Zij kwamen niet uit boeken. Of tenminste niet uit de boeken die ik gelezen had. Vervangende dienstplicht in een gezinsvervangend tehuis. De dienstplicht kon me gestolen worden. Het gezin had ik voor geen goud willen missen. Ik zag er elk weekend blije ouders op bezoek.

Stilstaan.

Het dringt zich aan mij op. De vorige keer, zes jaar geleden, had ik er niet zo’n last van maar nu wel. Ik voel me een soort van half mens, niet voor de helft mens maar meer een half mens. Alsof mijn geest moet wennen aan het eigen lijf dat niet meer volledig intact is. Die andere helft heb ik bijeengespaard via de verzekering in de vorm van twee nieuwe heupen. Daar zit ook nog verschil in. De eerste heet de Brighton Hip Displacement, uitgevoerd in Gent door Dr. Koen de Smet. Het is een goed alternatief voor de bestaande heupoperaties maar niet iedereen gelooft daar nog in. Hij heeft pas 15 jaar ervaring en dat schijnt in de medische wetenschap nog geen enorme berg te zijn. De hersteltijd was erg lang maar het resultaat mag er zijn. “Die komt er nooit meer uit”, zei Koen me met een glimlach tijdens de laatste controle. “Succes met je fietsbel.” De populaire naam voor deze prothese. Dat was in 2009. Ik hoefde niet meer terug te komen. Jammer, want Gent is een mooie stad. Sindsdien laat ik bij ieder poortje op een vliegveld mijn paspoort zien en leg uit wat een fietsbel in mijn lijf doet en dat ik geen wapen in heb laten bouwen. Wat misschien zo’n gek idee nog niet is. Een BUK raket of zo.
Twee weken geleden kwam de andere heup. Gemonteerd via een Amis techniek(anterior minimal invasion surgery) in Ede door Dr. Kaptein dit keer. Ik weet zijn voornaam niet. De hersteltijd valt reuze mee en de techniek doet zijn naam eer aan. Of deze goed blijft zitten weet ik nog niet maar de voortekenen zijn veelbelovend. Voor de rest moet ik vooral herstellen van de hersteltijd, zo snel gaat het.
prothesepaspoort

Terug naar dat halve mens. In mijn speurtocht naar beleving omtrent reserve onderdelen in je lichaam kom ik een hoop halleluja tegen. We zijn blij dat we er nog zijn, het is een Godsgeschenk, mijn leven is opnieuw begonnen en meer van dit soort teksten. Ik ben blij dat ik van de pijn af ben maar om daar nou God op mijn blote knieën voor te bedanken. Ik pas ervoor. Ik geef betrokken chirurgen een ferme hand en prijs me gelukkig dat ze niet teveel drinken. Of in ieder geval niet voor mijn operatie. Alhoewel de darter van Barneveld ons leert dat je van een Baco’tje of twee een steady rechterarm krijgt. Maar dat terzijde. Ik ben tevreden met de dubbel in uitvoering tot nu toe.
In fysieke vorm gerepareerd zijn betekent blijkbaar nog niet dat je dat zelf ook zo voelt. Het letterlijk wankele evenwicht speelt me parten vermoed ik. Evenals enkele andere eigenschappen waarvan ik al wel wist dat ik ze heb. Ongeduld voorop. Alsof de beide helften van mijn lijf een geheel eigen bloedsomloop hebben gekregen en ik maar moet zien hoe ik een samenloop van die omstandigheden kan bewerkstelligen. Lichaam en geest opzoek. Naar elkaar. Het de tijd geven en er letterlijk bij stilstaan. Dat is nog een hele operatie.

Gewist verleden

Hopend op een beter idee  zet hij zijn handen in zijn zij. Gedachten dwalen door zijn hoofd als de wolken langs de mand van de luchtballon waar hij in staat. Er schiet hem niets te binnen. Hij leunt voorover en probeert te lezen wat er op de zijkant staat.`Een keuken op hoog niveau`, stond er in de folder. Je kunt er met acht mensen in dineren. Ze zijn met zijn drieën. Vier, als je de ballonvaarder meetelt. Vijf. Er is ook een kok.
“Haute cuisine,” grapt de ballonvaarder. Ze blazen in een volle vissoep met heerlijke schelpdieren en clams, strandgapers in goed Nederlands. Een zoete sekt om ze weg te spoelen. De ballonvaarder weet ook hier een slechte grap over. Zijn vader en moeder vinden het fantastisch.

Het moest er een keer van komen. Paul Johannes Verborg had het zijn ouders beloofd. Op deze manier zou hij zijn geboortedag uit het jaar 1939 nog eens met ze vieren. Nu kon het nog. Het was een dag van herinnering voor de Duitsers van toen. Wat ze herdachten heeft hij niet onthouden. De vijftig jaren sindsdien zijn voorbijgevlogen. Zijn ouders zeggen het ook niet meer te weten. Van zijn moeder kan hij het zich wel voorstellen. Ze kan zelfs niets meer terughalen van Paulus’ geboorte.
“Ik ben  jouw verwekking ook vergeten”, grinnikt ze met haar mondhoeken omlaag. Zijn vader nipt zwijgend van zijn glas. Haar verzorgers wijten het aan de voortschrijdende dementie maar zelf denkt ze dat ze het gewoon vergeten is.
“Ik heb een slijtlizenz”, zegt ze glimlachend terwijl ze haar glas ophoudt. Over het geheugen van zijn vader is Paul onzeker. Hij  is altijd een zwijgzame man geweest en op vragen over die tijd was er meestal een ontwijkend antwoord. Als hij er al naar gevraagd heeft. Het onderwerp is in de loop der jaren onbespreekbaar geworden. Weggemoffeld. Als de ballon over de bunkers van de waterlinie zweeft tuurt de oud geworden man lang uit over de vervlogen geschiedenis die zich onder hem openbaart.
“So ziet het er ganz anders uit”, zegt hij zachtjes.

“Ik moet jullie iets vertellen”, zegt Paul als de soep op is. Ze kijken hem verwachtingsvol aan.
“Ik ga die bank beroven”.
De kok verdiept zich in het hoofdgerecht. De ballonvaarder draait het gas open. Ze stijgen.
“Ik loop naar binnen en neem onder bedreiging van een automatisch geweer mee wat rechtmatig van mij is. Er vallen geen gewonden. Ik gijzel de bankmedewerkers en hun klanten. Het zal misschien een paar dagen duren.”
Zijn vader kijkt hem meewarig aan.
“Die bank? Daar kom je nooit mee weg Johann en bovendien, het is het niet waard. Het ist maar papier. Laat het roesten”.

Paul’s handen omklemmen de reling van de mand waarin het gezelschap door de lucht vaart.
“Voor jou is het verleden Pappa, maar voor mij is het die zukunft. Ik wil zo niet verder door het leven. Die verklaringen over dat hakenkreuz wegen me te zwaar.Ze gaan me ermee chanteren als jullie dood zijn. Ik wil jouw leven niet voortzetten, ik wil mijn eigen leven beginnen.”
Hij pakt de fles sekt en schenkt zichzelf en zijn moeder nog eens bij.
“Ik loop gewoon naar buiten met wat mij toekomt. Met wat uns toekomt en niemand zal me tegenhouden, achtervolgen of komen zoeken. Daar zorgt Herr Direktor wel voor. Ik vermoed dat hij ook graag van zijn verleden afgeholpen wil worden. Het ligt daar maar als een tikkende tijdbom. Wij leven onder een constante bedreiging van de waarheid. We zijn alleen vrij zolang die kluis dicht blijft.”
De chef dient het hoofdgerecht op. De geur van schweingebrat met verrukkelijke bijgerechten vult voor even het vacuüm onder de hitte van de vlammen boven hen.
“Ik lik hier echt mijn vingers bei af jungs”, zegt moeder glunderend terwijl  ze haar glas heft naar beide mannen, “was für eine gute  erinnerung. Mein Johann. Mein Pauli.”
Paul pakt haar hand en drukt er een kus op. Haar dunne witte vlashaar wordt licht getoucheerd door de wind. Zijn vader nipt zwijgend van zijn glas.

De kok heeft gezien wat Paul Johann opgevallen is en glimlacht minzaam naar hem. ’24 kitchen television’ staat er op de zijkant van de luchtballon.
“We nemen alles op”, zegt hij verontschuldigend en wijst op de camera’s bovenin de mand.
“Het is verplicht gesteld door de verzekering voor het geval er iets mis mocht gaan. De beelden zijn privé hoor. Uw feestje wordt gewist zodra we veilig geland zijn. Zal ik u nog eens bijschenken?”
luchtballon

Poëzie op vrijdag

Dumas in het Stedelijk.
Over dood, liefde en verlangen.

Rood
In ronde vorm
Blauw
Hoekig en afgemeten
Grijs
Vullend en verhullend
Geel
Scherp in contrast
Wit
Engelachtig zaligmakend
Groen
Met mate aanvullend
Paars
Sprekend zonder woorden

Kleuren als ruimte
tussen regels
ingevuld
door ons
voorstellingsvermogen

ThePainter1994

Gebouw

Vroeger
was eenieder
rijk

daar
in die gouden
eeuw

nu wandelt
men erdoor
soms langs
Dumas

onderdrukt
een geeuw

die eeuw
die was
misschien
wel rijk

Dumas
opgebaard
in het
Stede lijk.

Getijdenstroom

Op de terugweg in de trein vanuit Utrecht weet ik het ineens zeker.
Krukken is een werkwoord.
Ik heb spierpijn in mijn armen van het krukken op de nieuwe trap bij het Centraal Station en van beurs gekruk door een hal vol met fietsen. Wishfull thinking. Er was wel een roltrap maar die deed het niet. Als de trein me uitspuugt op het station Ede-Wageningen laat ik iedereen voorgaan en kruk er achteraan.
De voorbijlopende meute geeft me het gevoel te figureren in een stomme film waarin ik teruggespoeld wordt. Zij gaan vooruit, worden opgezogen in de trechter van het trapgat. Ik ga achteruit. Ik hoor zijn stemgeluid al van verre maar weet nog niet dat hij het is. Op de achtergrond zwelt het langzaam aan naarmate ik vorder. Bovenaan de trap gekomen zie ik hem. In de tunnel staat hij luidkeels de mensen die afdalen toe te spreken. Hij wil geld zien en kan zich, getuige zijn verhaal, niet voorstellen dat je dat niet kunt missen.
Ik wacht bovenaan bij de linkerleuning. Die moet ik vasthouden als ik afdaal tegen de looprichting in. Ik wacht mijn beurt af. Tussen mij en de man zitten ongeveer 30 treden. Hij staat daar als een baken in zee die de stroom van mensen splijt voordat ze achter hem de rijen weer sluiten. Hij probeert het tij te keren.
getijdenstroom
“Hé, jij! Mooie jas, je hebt een mooie jas. Die is duur man, kun je niet iets missen? Ik geloof niet dat je niets kunt missen. Je weet niet wat het is jongen. Kom maar eens drie dagen met me mee. Op straat slapen in karton. Dat overleef je niet jongen!”
Trede 25, ik vorder langzaam.
“Je gaat dat niet menen hè, helemaal niks? Ik weet zeker, als ik hier zou langslopen en ik zag een medeburger die mijn geld nodig had. Ik zou hem mijn geld geven jongen, zeker weten!”
Trede 20, de trap raakt leeg en ik ben de enige die afdaalt. Zijn sonore, donkere stemgeluid wordt weerkaatst door de holle bijna lege tunnel. Als een 3D verpakking van zijn boodschap.
“Dure kleren, allemaal dure kleren! Die spijkerbroek kost je een honderd of twee en je zegt me dat je niks kunt missen? Ik geloof dat niet, ik geloof dat niet! Je kunt van alles missen!”
Trede 10, mijn been doet zeer en mijn armen worden zwaar.
“Het kan zo gebeuren jongen! Je huis brand af, je wordt ontslagen, je vrouw loopt weg, je kind gaat dood! Het kan zo gebeuren jongen en voor je het weet sta je hier en heb je helemaal niks!”
Ik zet mijn krukken op de begane grond en laat mijn geopereerde been erachteraan vallen. De man lijkt klaar met zijn redevoering en komt naar me toe. Hij pakt me bij de arm en helpt me bij het overbruggen van het laatste stukje hoogteverschil .
“Doe voorzichtig man, doe voorzichtig. Ik zie je al de hele tijd krukken en ben bang dat je valt. Doe voorzichtig.”
Ik bedacht tijdens het afdalen iets kritisch tegen hem te gaan zeggen. Mijn vertraging en zijn bezorgde woorden brengen me echter van mijn stuk. Ik geef hem een paar euro en wens hem een goede dag. Als ik aan het einde van de tunnel weer een trap beklim hoor ik hem de volgende vloedgolf treinreizigers bewerken.
“Die jas is duur meisje, heel duur! En jij kunt niks missen? Je moest een weten wat ik meemaak. Ik daag je uit. Kom maar eens drie dagen met me op straat slapen. In een kartonnen doos. Je gaat dood meisje. Je gaat dood! Ik zou me de ogen uit mijn kop schamen als ik mezelf zo voorbij zou lopen!”

Hengelen

“Die lamzak heeft bedacht dat we hier om zes uur zouden moeten zijn want dan bijten ze beter”.
Aan zijn gezicht plukkend kijkt hij in zijn buitenspiegel en mompelt voor zich uit. De nevel danst in slowmotion over het vlakke water van de Loosdrechtse plassen. Corné heeft zijn auto in de berm geparkeerd bij een uitspanning die gesloten is. ‘Boten te huur’, staat op een scheef in de grond geslagen bord.
“Schatje, hoe laat hebben we afgesproken?”
“Nu liefje, nu”, bromt hij terug tegen Jacqueline die in de binnenspiegel het resultaat van opstaan op dit uur overziet.
“Waarom moest ik eigenlijk mee?”klinkt het mismoedig uit de auto. “Ik vind het gewoon een kwal van een vent”.
“Dat komt goed uit want we gaan vissen. En of je het nu leuk vindt of niet; jouw winkeltje is er alleen maar doordat die kwal me op tijd op de beschikbaarheid van dat pandje heeft gewezen”.
“Maar allez, Corné dan toch, vissen, ik zeg u hè, vissen! Ze kneep haar ogen samen doordat de auto die aan was komen rijden voor hen in de berm parkeerde en groot licht seinde.
“Grote god, daar zal je hem hebben”.
Het zwijgen van de ochtend overstemde haar gedachten en ze zag hoe Eljos van der Sluis, notaris te Wageningen een aantal langwerpige tassen uit zijn auto tilde voor hij Corné, die naar hem toegelopen was, uitbundig op de schouders sloeg. Zijn schelle stem sneed de stilte aan flarden.
“Corné, madammeke, wat fijn dat jullie er zijn! Vindt je het ook niet fantastisch weer in de buurt te zijn van oude studiegrond? Nijenrode ligt hier niet ver vandaan zag ik op de Tomtom. Hier, pak aan, voor ieder een catchkit en toebehoren”. Hij duwde Corné twee tassen in de handen en liep zelf vooruit over het kleine bruggetje naar de overkant van de sloot.
“We kunnen de boot zo meenemen en betalen doen we achteraf wel daar in de kroeg”, zei hij wijzend op de gesloten uitspanning. “Dan zijn ze wel wakker”.
Jacqueline was ook uit de auto gestapt en langzaam achter de mannen aangekomen. Ze probeerde om niet met haar hakken tussen de planken van het bruggetje te blijven steken.
“Nou jongedame, we zullen je eens laten zien hoe wij dat doen hier in Holland, dat binnen hengelen. Hahaha.” Hij stopte bij een kleine boot waar geen motor aanhing en keek triomfantelijk naar zijn gezelschap.
“Deze moet het worden”, zei hij met iets van tevredenheid in zijn stem. “We zullen moeten roeien met de riemen die we hebben.
“O, mon Dieu”, dacht Jacqueline, “daar gaat ie weer met zijne cursus Hollandse spreekwoorden”.
hogehakkenhengelen