Poëzie op vrijdag

In het midden van de jaren tachtig reisde ik over de wereld en schreef gedachten en bevindingen op. Kijk ze nu terug en kom tot de conclusie dat er veel, maar ook heel weinig verandert is.

Aan mij en aan de wereld.

snelweg to heaven

17/9/’83
Bij de dood van Prinses Gracia van Monaco.

even maar
was het stil
een prinses
was dood
had gered kunnen worden

toen
ging alles verder

treinen reden
kroegen los
bakkers bakten
kappers knipten
en

1500 Palestijnen
werden
afgeslacht

 

27/2/’84
Geloof

Als de waterleiding
van Pontius Pilatus
net zo vaak
afgesloten
zou zijn geweest
als die
van mij
hadden
we
nooit
beter
geweten

 

5/10/’84
Moederkoek

walkman!
op noten
vol vuur

walkman!
in
crescendo

walkman!
muziek is
leven

walkman!
in je moederkoek
met oordoppen

walkman!
leven is
je
walkman!

 

7/10/’84
Pas(romheen in spé)

het bewandelen
van
rechte wegen
brengt
je
snel
bij doelen

afwijken
kan ook
je pas
versnellen

Op doorreis

Ik ging op avontuur door een gat in de heg. Via de achtertuin opzoek naar mijn buurmeisje Nelleke. Gehavend vond ik haar. Mijn schrammen werden liefdevol schoongemaakt en beplakt met Mickey Mouse pleisters door haar moeder. Mijn huilen gesmoord in ranja met een rietje en mijn tranen gedroogd met een schaaltje Nibbits. Daarna ging ik door de voortuin weer naar huis.
Ik sprak Nelleke vijfenveertig jaar later bij de tachtigste verjaardag van mijn moeder. Ze was samen met haar dement geworden moeder en kwam een taartje eten. We haalden verhalen uit een oude doos. Als ik bij haar logeerde moest ik om mijn moeder huilen. Ik wilde altijd naar huis maar ben gek genoeg nooit door het gat in de heg terug gekropen.
Ze zei: “Ik woon alweer een aantal jaren in datzelfde huis, bij mijn moeder, de heg is weg. Er staat een degelijke houten schutting. We hebben niet zoveel contact meer met de buren. Maar we kwamen er weleens”. Giechelend wees ze op haar moeder en kneep in mijn arm.
“ Moeder had het gat in de heg gevonden”.

Ik ben zes jaar en mijn vader gaat dood. Alles is zwart, de gordijnen zijn dicht en ik gluur door een kier naar de kist die opgeslokt wordt door een grote zwarte auto. Ik ben ’s avonds in bed bij de buren. Ik huil. Ik huil om mijn moeder.
Ik ben twaalf en ga met de zeeverkenners op kamp naar Nigtevecht. Een volle dertienkommazeven kilometer van ons huis. Zeilen, eigen potje koken, slapen in boten. Nog voor de eerste avond valt wordt ik opgehaald door mijn nieuwe vader. Ik heb heimwee. Ik huil. Ik huil om mijn moeder.
Ik ben vierentwintig en stap in een vliegtuig. Ik laat alles achter me en ga op wereldreis.
Ik weet niet waarheen. Ik ga fietsen.
Ik weet niet voor hoelang. Ik ga fietsen.
Ik weet niet of ik terugkom. Ik ga fietsen.
Ik zit in New York op een stoeprand en eet een hotdog. Die stond op mijn to do lijst voor als ik er eens zou zijn. Mijn tranen smaken zout in the big zure appel.

bigapple2

Na bijna twee jaar en een heleboel wereld fiets ik weer naar huis.
Het gevoel ergens vandaan te moeten komen om ergens heen te kunnen gaan.
Onrust tot in het diepst van mijn vezels. De status quo vermijdend.
Ik reis van hier naar daar en van daar naar daarginder. Ik wil niet naar mijn moeder. Permanent op doorreis. Soms met heimwee naar waar ik vandaan kom.
Maar nooit genoeg om om te keren.

(je kunt de volledige versie van deze spoken word tekst ook beluisteren).