Schrijversbuzz.com

 

buzz3

Daar is hij dan. De schrijversbuzz. Een mobiele plek om de woorden proberen te vangen, woorden die jou bezighouden. Of om de woorden te leren kennen die je gaan bezighouden. Wil je alleen, of in gezelschap van anderen, je bezighouden met proza, poëzie of andere vormen van geletterde uitingen en zoek je hier een unieke gelegenheid en plek voor? De schrijversbuzz is in voor vele vormen van het hanteren van de pen. Laat weten wat je wilt en we bespreken de mogelijkheden!

Zoek je de stilte en tijd om zelf te kunnen schrijven aan je eigen werk? In overleg voorzien we je van unieke plekjes om dit te doen, staan je bij als je dat wilt en zorgen ervoor dat je jouw tijd nuttig kunt besteden.

Wil je uiting geven aan jouw initiatief of de opleiding die je vertegenwoordigt in de picture zetten? De schrijversbuzz staat op festivals, congressen en bijeenkomsten met het doel van die woorden een ‘buzz’ te maken. Bespreek het gewoon, we zijn in voor een uitdaging!

De Schrijversbuzz is een initiatief van Romheen.com

Te vinden via schrijversbuzz.com en bereiken via eromheen@gmail.com

direct naar de schrijversbuzz

 

Jacqueline Maertens(2)

Hij vertelde me, veel later, dat hij tijdens gesprekken met mij altijd verdronk, in mijn grote bruine ogen. Dat hij zijn eten niet meer proefde, als hij met me at. Hij vond mij om op te eten.
Hij vleide en verleide me. Wist wat ik wilde horen. Ik wilde niets liever dan al zijn aandacht. Al zijn aandacht. Zijn aandacht.
Een kleine tattoo dook af en toe op, onder zijn linker mouw vandaan. Ik kon niet ontcijferen wat er stond, vier letters aan de binnenkant van zijn pols. Ze waren slechts kort onderwerp van gesprek. Dat kwam eigenlijk vooral door de intensiteit van de ontmoeting, die aanleiding was om een relatie met elkaar te beginnen. Dat eerste etentje dus. We aten Thais en gingen volledig in elkaar op. Ook later op de avond.
‘areV’ las ik op z’n kop, hij zei dat het zijn moeder was. Ik zuchtte van verrukking en vergat het verder. Ik denk dat ik toen niet in staat ben geweest om anders te handelen of te beredeneren wat er gebeurde.
Heb me overgegeven aan de roze storm die verliefdheid met zich meebrengt, en die voortraasde, tot ik erachter kwam wie Vera was. Ik meen me te herinneren dat ik, toen hij in de loop van de ochtend na die avond van de Thai weg was gegaan, nagedacht heb over de combinatie met hem. Iets in mij waarschuwde me. Ik geloof dat ik dacht dat het over jezelf niet verliezen ging, maar de tintelingen in mijn lijf overstemden die gedachte in ruime mate.

Telefonerend, druk met zijn handen wapperend en zwaaiend, reed hij zijn matzwarte BMW door Oud Zuid. Ik zweefde mee in de stoel naast hem.
Had ik al gezegd dat hij praatte met zijn handen als het onderwerp van gesprek een beetje geheimzinnig werd? Ik weet niet meer precies waar we reden toen hij ineens de auto parkeerde.
‘Ik moet je nog iets vertellen’, sprak hij voor zich uit toen hij de verbinding verbroken had. Langzaam stroopte hij zijn linkermouw op en toonde me de vier letters.
‘Ze is mijn moeder niet.’
‘Ze is jouw moeder niet?’vroeg ik verbaasd.
‘Wie zijn moeder is ze dan?’
‘Ze is niemand zijn moeder, ze is negen jaar.’
‘Negen jaar?’
‘Ja, ze is mijn dochter.’
Ik herinner me nog dat ik naar hem keek terwijl hij zijn manchetknoop dichtdeed en de auto weer startte. Ik weet niet meer wat ik gezegd heb. Of ik iets gezegd heb. Gezegd heb. Ik weet nog dat ik uit de auto wilde stappen, maar Corné was al gaan rijden en leek niet meer op mij te letten. Alsof hij zojuist een formaliteit had afgehandeld. Ik tuimelde tijdens die korte rit van een roze wolk, terug op aarde alhoewel ik niet meer weet hoelang de rit werkelijk duurde. Twee of twintig straten verder stopte hij voor het gebouw van een lagere school, en tikte met zijn vingers ritmisch op het stuur, met de muziek mee. Daar ben ik uitgestapt. Ik heb zijn dochter die dag niet gezien.

iphoneJan 144

Jacqueline Maertens

(je leest een introductie van de laatste hoofdpersoon, zie ‘voorpublicatie’ voor de anderen)

Overrompeld. Ik was niet verdacht op de wervelwind die plotseling mijn kant op blies toen hij onaangekondigd kwam opdagen aan het grand café ‘de Waagh’. Vanuit mijn ooghoek ving ik een glimp op van zijn entree, en aangetrokken door zijn luide schaterlach kon ik mijn zintuigen niet meer van hem afhouden. Met een zelfverzekerde tred kwam hij binnen. Zijn korte diep zwarte krullen dansend op het boord van een nonchalant dichtgeknoopt crème wit overhemd.
‘Waar kijk je naar?’
Mijn vriendin had het gebrek aan focus op haar verhaal in de gaten, en draaide zich een beetje om zodat ze kon zien wie de onderbreking op zijn geweten had.
‘Mmm-mmm, goeie kop!’, zei ze glimlachend.

Dat het een eerste ontmoeting betrof waarover ik zojuist vertelde, is misschien wat overdreven. Ik heb hem toen helemaal niet gesproken, dus in die zin was er van een ontmoeting geen sprake. Heb ik iets over weggeblazen gezegd? Dat klopte namelijk wel. Ik heb, onder het nuttigen van enkele Bacardi cola’s, ongegeneerd mijn ogen uitgekeken. Visueel gefeest tijdens het schouwspel, dat zich voor mij afspeelde. Mijn rechter hersenhelft maakte overuren.
Hij bleek Corné van der Reijt te heten en was het epicentrum van een groepje studentikoze blaaskaken van middelbare leeftijd, die elkaar de loef afstaken met opschepperige verhalen en vernederende kwinkslagen. Ik schatte hem halverwege de veertig en hing net als dat groepje, zij het op enige afstand, aan zijn lippen als hij het woord kreeg. Het woord nam is eigenlijk een betere omschrijving. Het leek alsof de mensen om hem heen slechts iets zeiden als intermezzo van zijn, gereserveerde, spreektijd.
Hij gebruikte zijn handen als hij sprak. Luid gesticulerend als hij een wetenswaardig geheim in de oren van het gezelschap om hem heen fluisterde. Hij had mooie grote handen. Verzorgde nagels. Later zei ik altijd tegen hem dat hij van die lekkere klauwen had.
Ik klemde dan mijn kaken op elkaar en siste tussen mijn tanden. Hij hield ervan als ik aan hem zat, en lovende woorden over zijn lijf fluisterde.
Ik besefte pas veel later, toen we een relatie hadden, dat hij me betovert heeft. Gewoon door er te zijn. Of, misschien beter gezegd, dat ik me heb laten betoveren. Daar in die kroeg. Hij viel pardoes midden in mijn wens, als vader van de gedachte. Ik wilde hem helemaal, en helemaal voor mijzelf. Ik weet niet meer zeker of we oogcontact gehad hebben die eerste keer. Ik wil geloven van wel. Mijn vriendin had hem met haar ogen al een paar keer uit de kleren geholpen, en hem aangeklampt in het voorbijgaan.
‘Ik heb hem alleen maar iets over jou en jouw auto verteld’, zei ze met een glimlach, ‘maak je borst maar nat want hij is niet getrouwd, heeft geen kids en is echt sexy as hell’.
Het kaartje,dat ik later die avond onder de ruitenwisser van mijn felrode mini cabrio vond, was van hem. Natuurlijk was het van hem. Met dank aan mijn vriendin. Hij had me tijdens het uitvoeren van de act tussen de zijnen wel degelijk gade geslagen. Desinteresse geveinsd. Er stond iets achterop.
‘Ben benieuwd of je ook rode wijn lust bij een etentje.’

mini cabrio

de handschoen(4)

Corné was vasthoudend geweest en had de jonkheer gedwongen zijn voorstel tot in detail te beluisteren. Het kwam erop neer dat iedere grondbeheerder met meer dan 200 hectare, een aanvraag mocht indienen voor ondersteunende funding bij het Europese fonds voor landschapsbeheer. In die pot zat zo’n slordige 1,4 miljard euro, en Corné schatte in dat een goed onderbouwde aanvraag, en wat gesprekjes in Brussel, een bijdrage van ten minste 1000 euro per hectare kon opleveren. Pas toen ze een week later samen bij de notaris zaten, om deze zaak eens grondig door te spreken, begon Jonkheer Terbrueghe in te zien dat het Europees burgerschap zo zijn voordelen kon hebben. De notaris had er ‘voor de vorm’, zoals hij glimlachend zei, nog wel even bij vermeld dat het in het voorstel dat ter tafel lag, niet helemaal helder was of de te subsidiëren grond wel of niet verpacht was, maar die sectie uit het plan kon, volgens Corné, nog wel herschreven worden. In essentie kwam het erop neer dat Europa wilde bijdragen aan het behoud van haar cultureel landschappelijk erfgoed. Terbrueghe vond het uitstekend klinken.

De jonkheer ging zitten op een van de lege stoelen in de wachtruimte en zuchtte diep. Hij had op geen enkele clementie van de heren van de FIOD hoeven rekenen, toen ze aan kwamen zetten met een leeg geplukte rekening op naam van de Stichting Derden Gelden Landgoed Terbreughe. Hij had geen idee waar de overgebleven twee miljoen euro gebleven waren, erop gestort  vanuit een Europees fonds, maar evenmin had de behoefte gevoeld om uit te leggen hoe hij zijn schulden bij het casino recentelijk afbetaald had. Niet dat dit ertoe deed. De boete, hem opgelegd wegens het frauduleus innen en besteden van een Europese subsidie, was ruim hoger geweest dan zijn speelschulden. Er was beslag gelegd op zijn bezittingen en daar zou voorlopig geen verandering in komen. Het liefste zou hij Corné van der Reijt een klap in zijn gezicht verkopen, maar die was onvindbaar. Terbrueghe verwachtte geen bijdrage meer van hem, alhoewel er conform de afspraak, onder heren gemaakt, nog wel een paar ton openstond.

fraude2

‘U heeft toch onterecht subsidie aangevraagd of is dat ook een fabeltje?’ De jonge vrouw keek hem onderzoekend aan waarbij ze haar hoofd  een beetje scheef hield. Terbreughe moest zich inhouden om geen tirade tegen haar af te steken. Waar dacht ze verdikkeme dat ze het recht vandaan haalde, hem lastig te vallen met haar opdringerige nieuwsgierigheid?  Hij keek haar aan en herhaalde zijn vraag.
‘Mijn inzet zullen de handschoenen zijn. Wat is de uwe?’
Ze was op de stoel achter hem gaan zitten waardoor ze met de rugleuningen tegen elkaar aankwamen.
‘Wat zou u een redelijke inzet vinden?’ vroeg ze, voor zich uit pratend.
‘U bent tenslotte de expert van ons twee als het om de etiquette van een goede weddenschap gaat’.
‘Ik accepteer elk neergelegd bod mevrouw, de etiquette schrijft dit voor. Tevens bent u verplicht een gelijkwaardig tegenbod op tafel te leggen.’
Hij voelde hoe de jonge vrouw een beetje achterover leunde waardoor haar blonde krullen gedeeltelijk over zijn schouder vielen. Hij deed zijn hoofd in zijn nek en snoof haar parfum op.
‘Ik’, sprak ze met zwoele stem, ‘bied u mijn diensten aan’.

De handschoen.

(Deze hele week een (lang) kort verhaal in vijf delen.  Maak kennis met een jonkheer en zijn beslommeringen. Een volgend kleurrijk figuur uit het verhaal van Corné en zijn studievrienden. Andere hoofdrolspelers vindt u onder de categorie ‘voorpublicatie’.)

‘Jacques Terbreughe, 66 jaar en in goede gezondheid zo te zien.’
Over het randje van zijn zacht blauwe titanium bril keek hij de jonge vrouw tegenover hem aan.
‘Ik lees het ook maar van uw doktersbriefje hoor’, zei ze, wijzend op het velletje dat hij voor haar op de ontvangstbalie gelegd had. Hij keek er mismoedig naar en stelde vast dat het er inderdaad stond. ‘In goede gezondheid’, had zijn huisarts, met zijn kenmerkende hanenpoten, boven het verwijzingsformulier geestelijke gezondheidszorg geschreven.
Zonder op de opmerking van de vrouw te reageren deed hij zijn suède handschoenen uit, trok de geruite shawl van zijn schouders en vouwde deze eerst in zijn schoot om hem daarna in zijn pet te stoppen. Het was onaangenaam warm in de verder lege wachtruimte waarin hij plaatsgenomen had. Moeizaam stond hij op om zijn lange stugge waxcoat uit te doen.
‘In stramme goede gezondheid’, dacht hij terwijl hij naar de kapstok liep en overwoog een stoel verder bij de balie vandaan te kiezen. Het wachtkamer meubilair kwam op hem nogal saai over en de kapstok was een goed voorbeeld van, ‘een natuurlijk element in een zakelijke omgeving’, zoals dat zo mooi genoemd werd. Het ding leek op een blank geschuurd kaalgeplukt stuk boomstam met stompjes van takken, waar je je jas aan op kon hangen. De muren van de ruimte waren wit, waardoor de zwart-wit foto’s in aluminiumlijsten extra afstaken tegen de achtergrond. Bij de kapstok hingen twee afbeeldingen van New York. Een toonde een bankje in het midden van de Brooklyn Bridge, hetgeen een zoete vleug jeugdherinnering in hem losmaakte. De andere, een afbeelding van de skyline van New York. Hij stelde vast dat het om een oude foto ging en vroeg zich af waarom deze nog niet vervangen was. De huiveringwekkende gebeurtenissen op de elfde september hadden zo’n jaar of vijf geleden plaatsgevonden, en hij vond het niet echt van goede smaak getuigen om de bezoekers van een praktijk als deze nu nog een uitzicht op dat verleden te bieden. Ze hadden waarschijnlijk genoeg aan hun eigen verleden. Zelf vergat hij zulke dingen het liefst.
De ruimte, met obligate plastic planten, bevreemde Jonkheer Terbreughe. Hij hing zijn jas op, vouwde zijn geruite pet met daarin de shawl in een van de zakken en nam plaats op een van de vrije stoelen bij de kapstok.
Ze leek hem een bemoeial, deze jonge vrouw.

suèdehandschoen
‘Ik bijt niet hoor’, zei ze terwijl ze half over de balie leunde en glimlachend zwaaide met zijn handschoenen. Zwijgend stond hij op en pakte ze van haar aan. Met het formulier en de handschoenen in zijn hand ging hij weer zitten op gepaste afstand van zijn belager.
Jonkheer Terbreughe was zenuwachtig. Hij was er niet zeker van of hij de juiste keuze had gemaakt om zich te laten verwijzen. Niet dat er andere opties waren geweest. Zijn vrouw Ella had hem weinig keus gelaten.

 

Hallo lezer,

Ik ben erachter gekomen dat ik al besta. Wilde als unieke Jan Eikelenboom mijn schrijven van een plek voorzien en wat blijkt; Ik ben er al.

Dus heet ik hier anders. Romheen, oftewel R. Omheen.

Hij  schrijft met bochten, slingers, vertelsels en verzinsels overal omheen. Soms om de dagelijkse beslommeringen heen, soms om zijn hart en zijn gevoel.

Omdat rechtdoor altijd nog kan. Want telkens als hij weer een regel probeert te dichten, bloeit er weer een nieuwe open.

foto (1)

jan eikelenboom