Poëzie op vrijdag

Haal me op uit de morgen

met ronkende motor

tussen knisperende bladeren

onder een glasheldere koepel

van het blauwste blauw

Scheur met me door de middag

parkeer een dutje in de warme zon

gras groeiend op verre plekken

waaiend langs de wind, getint

door groteske groene geuren

Trilhos de trem ficaram tortos após os tremores em Christchurch, na Nova Zelândia

Ontmoet me in de avond

race mij tegemoet

onder een vervagende deken

van flarden regenboog

versplinterd aan de hemel

Leid me dan de nacht in

omarm me in het zwart

spreek me toe in stilte

totdat ik verdronken ben

in de armen van jouw morgen

C’est le béton qui fait la musique.

Is het symbolisch?
De nacht van de poëzie verpakt in hoekig en koud beton. Ik weet niet wat dit zegt maar kom op het idee als ik rook. Buiten op een terras tussen hoekig hard steen en staal. Uitkijkend over wegen, verkeerslichten en winkels( ik ben toch niet gek?), afgerasterd door aanperkende flats en gebouwen. Ingedamd uitzicht.

Of vergis ik me?
Is het juist deze omgeving die de taal uitdaagt tot versieren? Haar van weelderige tierelantijnen voorziet en verrassend vlakken inkleurt die voordien slechts grijs leken. Kan beton ontluiken? Gevlochten staal opbloeien? Binnen lijkt alles ronder.
Het mooiste van deze nacht laat zich lastig vatten in één dichter alleen. Beroering kent vele gedaantes. Neem Juliettte Gréco. Inmiddels 88 jaar en nog steeds zingt ze liedjes waar 1000 gedichten inzitten. Ze staat met Tommy Cooper achtige aspiraties op het podium. Of Jules Deelder die, onnavolgbaar als podiumdier, zijn publiek bestookt met lettersalvo’s van de lach. Met hen kleuren vele andere schrijvers en dichters de nacht.
Het publiek levert ook haar bijdrage. Een vrouw van 78 blijkt in de jaren ’50 als au pair in Parijs gewerkt te hebben. Toen te armlastig voor een concert van Gréco maar nu is ze er. Overlopend van enthousiasme en herinneringen. Een jonge dronken dichter krijgt lik op stuk van de meisjes die hij wil imponeren met zijn liederen. Zijn verzen zijn niet slecht maar zingen is zacht uitgedrukt niet zijn sterkste kwaliteit. De inmiddels lege fles whisky die hij in zijn hand heeft helpt niet.

Ik kwam hier als student. Schuilde voor de saaiste colleges bij Willem Slok, om de hoek. Hij was een alcoholist met een kroeg. Het liep slecht met hem af. Zijn vrouw, tante Nel, zette zijn legende voort en voorzag mij en mijn vrienden van de natjes. Ze kon goed luisteren. We vertelden haar ons hele hebben en wilden haar houden.

cafewillemslok

Vorig jaar, voor deze nacht mij in bezit nam, was ik er terug. Café Willem Slok bestond nog maar tante Nel bleek dood. In mijn gedachten leeft ze voort. Schenkt me nog eens in. Een glas vol letters dat mijn gedachten vult met pastel gekleurde zinnen.
Ik rook mijn sigaretje en denk aan haar.
Gegoten in het weelderig beton van mijn herinnering.

Onder Jannen

Waarom heten al die mannen Jan?
Ik heet Jan, mijn vader heette Jan, mijn opa heette Jan. Zo ging dat in mijn kringen. Ik ben de laatste Jan in mijn geslacht. Meisjes namen het over en er was niemand die klaagde. Ik behoor tot een uitstervend lijntje Jannen.
Big deal, wie doet dat nou niet? Uitsterven.
Alles is eindig.
Ik besteedde er geen aandacht aan.

Fietste tegen een berg op en fotografeerde een spandoek.
Jan, stond erop.
“Jan was here”, stond ook op de weg en ik leerde een andere Jan kennen.
Ik voelde me onder Jannen.
Echte Jannen.
spandoekJan
Ik kijk een beetje om me heen.
Er ligt een enveloppe op de mat.
Er zit een uitnodiging in.
Voor het lidmaatschap van een club.
Ik mag, als ik wil, als ik durf, lid worden van een club.
Aspirant lid, de Jantjes heten de eerstejaars.
Pas daarna het grote werk, de Jannen.
In de begeleidende brief staat dat de ballotage commissie aanvankelijk wat huiverig was om de uitnodiging te versturen omdat het helder was dat ik er niet aan toe was, dat lidmaatschap. Nu ik de vraag gesteld heb waarom al die mannen Jan heten is de postkamer geactiveerd en ligt het aanbod op de mat.
Aspirant lid.
Ik denk erover na, twijfel, huiver.
Ik ken ze slechts van horen zeggen.

Deze club Jannen deinst nergens voor terug.
Ze leven het leven dat ze willen, ze voelen de pijn, ze lachen hard, ze bruisen soms wild.
Ze beschermen hun dierbaren op onorthodoxe wijze en als ze een ding gemeen hebben dan is het wel dat ze hun hart volgen en niets anders. Ze denken na over wat er is, niet over wat er was of wat er komt.
Ze schrijven.
Het is een schrijfclub.
Ik moet mijn eigen pen meenemen, mijn eigen papier, moet mijn eigen teksten maken.
Wat ik schrijf mag ik zelf bepalen.
Of het een boek wordt of slechts gebundelde letters is aan mij.

Ik kijk wat verder om mij heen.
Dacht dat die brief alleen voor mij was.
Of in ieder geval dat alleen echte Jannen hem konden krijgen.
Wat een absurde gedachte.
Ik leer dat de commissie alle namen kent maar gewoonweg niet iedereen uitnodigt.
Ik heb de Jannen gezien die me uitnodigden.
Maar ze waren er alleen voor de ontvangst.
Daarna moet ik het zelf doen.
Ik twijfel.
Dat is niet erg.
Jannen durven dat.

Goldrushzus

neilyoung

“Neem jij ‘m maar, ik hoef ‘m niet meer.” Telkens hoor ik je weer in mijn hoofd. Dit keer zijn het de klanken uit de autoradio die het je laten zeggen. Dan geef je ‘m aan mij. 

Neil Young’s LP, After the Goldrush. 

Mijn beeld van vrijheid op de voorkant. Neil in zijn oude groezelige jas met cowboylaarzen en een hoed die je niet kunt zien. Hij loop zijn wilde toekomst tegemoet. Mijn leven in. Ik ben Neil Young. 

Je bent het huis uitgegaan en laat je kamer aan mij na. Thuis wordt dit ‘het hok’ genoemd. Ik ben vijftien en denk dat vrijheid, behalve Neil Young, uit vierkante meters bestaat die je van jezelf kunt maken door een deur achter je te sluiten. Tot dan heb ik altijd het kleinste kamertje gehad. ‘Het hok’ is een verbouwde volière waar een eindeloze zee in schuilt.  

Denk ik.  

Het bastion van waaruit jij jouw vrijheid bevochten hebt. De voor mij zo duistere ruzies voerde met onze ouders en jouw vriendjes die je meenam. Neil Young was jouw vriend. Hij was altijd een wilde gozer die zich niets aantrok van de bestaande conventies. Daar hadden we er thuis genoeg van. Telkens als je weer een andere Neil meebracht en er na korte tijd knetterend afscheid van genomen had galmde de zanger door het hok. 

“Yes, only love can break your heart, try to be sure right from the start”. 

Ik tikte een oude suède jas, lichtbruine afgetrapte cowboylaarzen en een rafelige Stenton op de kop. Mijn strijd kon beginnen. Het duurde even voor ik ermee op school verscheen. Als coole dude moest ik de horde pap en mam nog nemen.  

Dat was gemakkelijker dan voor jou want ik, ik bevond me after the goldrush. De jouwe. 

Er waren al gebaande paden. 

Ik heb mijn auto geparkeerd en luister het nummer helemaal af. 

Net zolang tot ik je voel wegebben.  

Want van jouw vrijheid wil ik zolang mogelijk genieten. 

Regels

regels

Er gonzen regels door mijn hoofd. Ik probeer ze te dichten maar telkens bloeien ze weer open. Woorden, in volgorde van betekenis.
Vanuit mijn kamer overzie ik het terras van café Witteveen. Ik zou in bed moeten liggen, het is al donker maar ik kan de slaap, zoals zo vaak met deze hitte, niet vatten en sta dromerig te strijken.

Schuif de tijd voor me uit
en maak de toekomst terwijl
ik vasthoud wat er is

Sleep de tijd achter mij aan
en maak de toekomst terwijl
ik loslaat wat er was

Ik heb de tijd
en maak
de toekomst
terwijl
schuifelend en slepend
zich
heden en verleden
op een rijtje
laten zetten

Door het open raam golven geluiden naar binnen. Ze nemen discussies die buiten tussen wazige wolken rook en dikke tongen gevoerd worden met zich mee. Logica blijkt eens te meer een zwaar overgewaardeerd begrip. Onder de toenemende invloed van spiritualia groeit mijn plezier in het gladstrijken van kreukels en kronkels. In flarden bereiken Schumacher en prins Friso de hemelpoort waar ze mogen opwarmen van hun ijskoude noodlot. Zoete geuren van gedoogd rokersgenot dwarrelen langs mijn verlichte venster.

Ik smeed mijn ijzer omdat het heet is en leg een strak gestreken blouse op de zitting van de stoel.
Zoals gewoonlijk loopt het uit de hand buiten bij café Witteveen.
Als een ware stamgast dient ook deze vrijdagnacht de ME zich aan. Men is klaar met gedogen. Uit een donkerblauwe getraliede overvalwagen springt een enorme herdershond.
In plaats van de luidruchtige menigte toe te happen gaat het dier in een aanperkende tuin zijn blijkbaar hoognodige behoefte zitten doen.

Net als de bezoekers van nachtelijk café Witteveen; schijt aan alle regels.

Groen licht

Er loopt een klasje

over straat

De juf voorop

In de klas loopt

Ferdinand

Ferdinand luistert

naar de geluiden van de stad

naar het suizen van de wind

naar het kraken van hagelslag

in zijn hoofd

Hij vind de juf wel aardig

maar ook een beetje dom

Ze loopt al de hele weg

te roepen

kijk voor je uit

kijk uit

kijk voor je

Ferdinand denk dat de juf

eigenlijk tegen zichzelf spreekt

zijzelf ziet haar toekomst

niet meer

maar herinnert zich

nog wel

dat ze er eentje had

Hij wil de juf graag helpen

als ze weer begint over vooruitkijken

geeft hij antwoord

U moet zelf eens meer vooruitkijken

zegt Ferdinand

De juf zwijgt

en kijkt hem aan

het licht springt op groen

niemand in de rij beweegt

groenlicht

Ferdinand kijkt om zich heen

twee toeristen kijken naar hem

ze zijn verzot op elkaar

dat ziet hij zo

Tijd

Als tijd
alle wonden
heelt
waar
blijft ie dan
die tijd?

Waar blijft de tijd die alle wonden heelt, de pleister in dimensies verband legt om begrip, verklarend wat de mens is.

Waar blijft dat noodverband
mitella van verloren tijd
nooit achterhaald meer wordt
zelfs niet door spijt

Niet illegaal, niet op recept
nergens meer verkrijgbaar
alleen in tijden uitgedrukt
lijkt beterschap wel haalbaar

Tijd, ongrijpbaar klereding
chirurgisch echt onfeilbaar
precies als ik het niet meer snap
wordt beterschap verklaarbaar

snelweg to heaven

Is tijd een haven om in aan te leggen?

Zou geweldig zijn als je even de ankers uit kon gooien. Er is geen haven. Slechts de menselijke behoefte aan te leggen en te genieten van de status quo.

Daar is niks mis mee, we maken het allemaal weleens een eiland als een status quo. Palmboom, wit strandje, parasolletje uit een glas met ijsblokjes, een silhouet in tegenlicht.

Niet meer verder, heel even stil. Alsof mijn wensen me niet meer willen. Wanhopig begrijpend wat verleden heeft bewezen over wat de toekomst brengen gaat. Een futiele poging tot begrip van aards bestaan. We begrijpen niks. Ik begrijp niks.

Tijd is met me op de loop, ik loop achter, ik loop mee, ik loop voor.
Ik wordt gerelateerd aan tijd.
Alles wat ik doe is tijdelijk.
Ik tik langzaam voort naar de eindigheid.
Wind me op en ik loop af.

Ik heb de tijd.

Schuilen

Ik bevind me in het mooiste gebouw van Arnhem.

Zegt de man van de Gelderlander.

Het auditorium op de hoogste verdieping

is het toneel van Thomas Verbogt.

Het uitzicht is een brug tever.

Verbogt praat er geïnspireerd doorheen.

Herbouwd oorlogsverleden in mijn blikveld doet

me verlangen naar bescherming.

Wegkruipen of armen om mij heen.

Iets in mij wil schuilen.

Voor bommen en granaten,

voor verleden zonder toekomst,

voor Charly , pennenvruchten en  voor hartzeer.

Toen ik bij het gebouw Rozet aankwam bleek ook

de bibliotheek geopend.

Voor de deur wijst een jongetje van een jaar of tien,

aan de hand van zijn vader, op het grote roze aardvarken.

Het ligt er, hufterproof, aan de overkant van de straat.

“Als het oorlog is”, zegt het jongetje,”is dat echt de beste plek om te schuilen.

Onder zijn linkeroor, daar ben je veilig. Daar kan je echt niets gebeuren”.

Zijn vader beschermd hem tegen de gevaren van de draaideur en loodst hem naar binnen.

Kort wachtend in de regen tot ze binnen zijn en kijk naar het grote roze oor.

Ik vermoed een kleine boekenwurm die zojuist ‘Oorlogswinter’ gelezen heeft.sneeuwfietser-900