Jacqueline Maertens(4)

Ik zocht geen ander. In de zeven jaar die ik met Corné was vervolgden we ons pad waarvan ik, zoals ik al eerder zei, denk dat het een ongeluk in slow motion is geweest. Ontkenning in het kwadraat. Zoveel dingen waar we omheen dansten dat ik uiteindelijk het gevoel had op eieren te moeten lopen om hem niet kwaad te maken. Teveel langverwachte momenten die nooit kwamen.
Een einde heb ik er nooit aan kunnen maken. Dat moest Corné doen. Ik hou mezelf voor de gek met de gedachten dat alles goed gekomen zou zijn. Als hij dat ongeluk met die nootjes niet gehad had. Ik was als verlamd en niet in staat iets te doen. Maar dat deed niemand die er die avond bij was. Dat deed niemand. Niemand.

shit-759386_640

Ik mis hem. Dat vind ik gek van mezelf. Niet dat ik hem mis, maar dat ik hem nu mis, op deze manier. Dat het zo voelt. Ik heb jaren met hem geleefd waarin er veel momenten zijn geweest dat ik mij erg alleen voelde. Ik mistte hem dan erg. Wetend dat hij uit was met de jongens en genoot van de vrijheid die hij zich toegeëigend had. Ik voelde me verlaten en alleen. Nu is hij weg. Het missen is anders. Vermengd met schuldgevoel als een niet te smoren antwoord op de boosheid die ik voelde. Ik wenste hem dood. Het voelt vreselijk dit voor mezelf te erkennen maar het is de waarheid. De waarheid. Het is waar. Ik was klaar met alle leugens en verzwijgen. Wat onschuldig leek in het begin en wat ik wegwuifde als onwennigheid is gedurende onze relatie gewoon geworden. Hij hield me erbuiten. Buiten de dingen die hij beleefde. Buiten zijn gevoel.
Ik vraag me af waarom ik daar zo graag bij wilde horen. Ik denk dat hij me niet genoeg waardering toonde. Hij gaf me, net als iedereen, cadeautjes maar vertelde me nooit dat hij me geweldig vond om wat ik deed. Ik heb me geprobeerd te ontwikkelen door weer naar school te gaan, maar ik weet nu dat ik dat alleen maar deed om iemand te worden waarvan ik dacht dat hij haar geweldig zou vinden. Dat was ik niet. Niet dat dit wat uitmaakte. Ik weet niet of Corné me daardoor leuker vond of niet. Hij heeft er nooit iets over gezegd. Ik kreeg er ook niet meer cadeautjes door. Na een jaar Nima-A ben ik ermee gestopt. Ik was er wel klaar mee. Cijfers zijn nooit mijn ding geweest. En het eigen ondernemerschap al helemaal niet.

Jacqueline Maertens(3)

Toen we elkaar later die avond in ‘De Waagh’ tegenkwamen, was hij één en al vriendelijkheid. Ik toonde zo weinig interesse in hem als ik maar kon.
‘Ze is geen concurrentie voor je hoor’, zei hij in het voorbij lopen.
Ik moet niet begrijpend hebben gekeken want hij hield zijn ontblote linker pols omhoog. Ik haatte zijn verzwijgen. In tegenstelling tot bij onze eerste ontmoeting kon ik niet ophouden met de kleren van zijn lijf te scheuren als ik naar hem keek. Ik projecteerde alles, wat er niet geweest was in mijn eerdere relaties, op hem. Dat is me wel vaker overkomen. Ik geloof dat ik net als iedereen ben. Op een roze wolk leer je niets. En als je denk er vanaf gevallen te zijn, zit je er nog middenin. Ik heb de neiging mezelf dat erg kwalijk te nemen, dat langzame leren.
Het is altijd, allemaal mijn eigen schuld. Daar betaal ik soms een hoge prijs voor.
Corné was mijn hoofdprijs. Tegen beter weten in knoopten we onze einders weer aan elkaar.

Voor Corné bestond roze niet. Daar was hij te berekenend voor. Hij woog zijn belangen af en handelde ernaar. Ik was gekomen in plaats van een ander, en ik zag toen nog niet in dat er uiteindelijk in mijn plaats ook weer een ander zou zijn. Dat maakt Corné niet perse slecht. Het maakt mij blind. Het is allemaal mijn eigen schuld. Eigen schuld. Schuld.
Hij was een geweldige lover. Niet alleen door de verschroeiende seks die we deelden maar vooral ook door alles wat er omheen hing. Telefoontjes, sms’jes, bloemen, cadeautjes, tripjes. Niets was hem te gek, en ik zwierde door de stad aan zijn arm alsof er geen morgen meer was.

Af en toe was Vera er. Ze leefde bij haar moeder en kwam alleen als het echt niet anders kon. Corné hield van haar maar maakte nooit genoeg tijd, om dit echt te laten zien. Het leek alsof hij de affectie, voor degenen waar hij van hield, vervormd had in een eindeloze stroom cadeautjes waar niemand op zat te wachten.
De enige keer dat ik hem heb zien treuren, was twee dagen nadat hij op Schiphol zijn ex en Vera had staan uitzwaaien. Ze gingen naar New York om haar carrière als model een nieuwe boost te geven bij een groot modellenbureau, en Vera ging mee. Haar eigen nieuwe toekomst tegemoet.
Corné was een tijdje onvindbaar, en dook na een dag of wat weer op in ‘De Waagh’. Ongeschoren, met een flinke kegel, hing hij aan de bar. In zijn rood omrande ogen zag ik het ongeloof over de gebeurtenissen en proefde de wanhoop op zijn lippen toen ik hem kuste.
‘Zeg er liever maar niks meer over’, sprak hij zachtjes met een rafelig randje in zijn stem.
‘Jij en Johnnie moeten me maar troosten.’ Hij hield zijn lege glas omhoog in de richting van de barkeeper. We hebben er nooit meer over gesproken, afgezien misschien van een opmerking, die me op een of andere manier is bijgebleven.
‘Weet je’, zei hij, terwijl zijn krullen mijn blote buik kriebelden en zijn handen abstracte figuurtjes maakten boven de verkreukelde lakens.
‘Als je kinderen wilt zul je een ander moeten zoeken.’

johnnieWalker

Jacqueline Maertens(2)

Hij vertelde me, veel later, dat hij tijdens gesprekken met mij altijd verdronk, in mijn grote bruine ogen. Dat hij zijn eten niet meer proefde, als hij met me at. Hij vond mij om op te eten.
Hij vleide en verleide me. Wist wat ik wilde horen. Ik wilde niets liever dan al zijn aandacht. Al zijn aandacht. Zijn aandacht.
Een kleine tattoo dook af en toe op, onder zijn linker mouw vandaan. Ik kon niet ontcijferen wat er stond, vier letters aan de binnenkant van zijn pols. Ze waren slechts kort onderwerp van gesprek. Dat kwam eigenlijk vooral door de intensiteit van de ontmoeting, die aanleiding was om een relatie met elkaar te beginnen. Dat eerste etentje dus. We aten Thais en gingen volledig in elkaar op. Ook later op de avond.
‘areV’ las ik op z’n kop, hij zei dat het zijn moeder was. Ik zuchtte van verrukking en vergat het verder. Ik denk dat ik toen niet in staat ben geweest om anders te handelen of te beredeneren wat er gebeurde.
Heb me overgegeven aan de roze storm die verliefdheid met zich meebrengt, en die voortraasde, tot ik erachter kwam wie Vera was. Ik meen me te herinneren dat ik, toen hij in de loop van de ochtend na die avond van de Thai weg was gegaan, nagedacht heb over de combinatie met hem. Iets in mij waarschuwde me. Ik geloof dat ik dacht dat het over jezelf niet verliezen ging, maar de tintelingen in mijn lijf overstemden die gedachte in ruime mate.

Telefonerend, druk met zijn handen wapperend en zwaaiend, reed hij zijn matzwarte BMW door Oud Zuid. Ik zweefde mee in de stoel naast hem.
Had ik al gezegd dat hij praatte met zijn handen als het onderwerp van gesprek een beetje geheimzinnig werd? Ik weet niet meer precies waar we reden toen hij ineens de auto parkeerde.
‘Ik moet je nog iets vertellen’, sprak hij voor zich uit toen hij de verbinding verbroken had. Langzaam stroopte hij zijn linkermouw op en toonde me de vier letters.
‘Ze is mijn moeder niet.’
‘Ze is jouw moeder niet?’vroeg ik verbaasd.
‘Wie zijn moeder is ze dan?’
‘Ze is niemand zijn moeder, ze is negen jaar.’
‘Negen jaar?’
‘Ja, ze is mijn dochter.’
Ik herinner me nog dat ik naar hem keek terwijl hij zijn manchetknoop dichtdeed en de auto weer startte. Ik weet niet meer wat ik gezegd heb. Of ik iets gezegd heb. Gezegd heb. Ik weet nog dat ik uit de auto wilde stappen, maar Corné was al gaan rijden en leek niet meer op mij te letten. Alsof hij zojuist een formaliteit had afgehandeld. Ik tuimelde tijdens die korte rit van een roze wolk, terug op aarde alhoewel ik niet meer weet hoelang de rit werkelijk duurde. Twee of twintig straten verder stopte hij voor het gebouw van een lagere school, en tikte met zijn vingers ritmisch op het stuur, met de muziek mee. Daar ben ik uitgestapt. Ik heb zijn dochter die dag niet gezien.

iphoneJan 144

Jacqueline Maertens

(je leest een introductie van de laatste hoofdpersoon, zie ‘voorpublicatie’ voor de anderen)

Overrompeld. Ik was niet verdacht op de wervelwind die plotseling mijn kant op blies toen hij onaangekondigd kwam opdagen aan het grand café ‘de Waagh’. Vanuit mijn ooghoek ving ik een glimp op van zijn entree, en aangetrokken door zijn luide schaterlach kon ik mijn zintuigen niet meer van hem afhouden. Met een zelfverzekerde tred kwam hij binnen. Zijn korte diep zwarte krullen dansend op het boord van een nonchalant dichtgeknoopt crème wit overhemd.
‘Waar kijk je naar?’
Mijn vriendin had het gebrek aan focus op haar verhaal in de gaten, en draaide zich een beetje om zodat ze kon zien wie de onderbreking op zijn geweten had.
‘Mmm-mmm, goeie kop!’, zei ze glimlachend.

Dat het een eerste ontmoeting betrof waarover ik zojuist vertelde, is misschien wat overdreven. Ik heb hem toen helemaal niet gesproken, dus in die zin was er van een ontmoeting geen sprake. Heb ik iets over weggeblazen gezegd? Dat klopte namelijk wel. Ik heb, onder het nuttigen van enkele Bacardi cola’s, ongegeneerd mijn ogen uitgekeken. Visueel gefeest tijdens het schouwspel, dat zich voor mij afspeelde. Mijn rechter hersenhelft maakte overuren.
Hij bleek Corné van der Reijt te heten en was het epicentrum van een groepje studentikoze blaaskaken van middelbare leeftijd, die elkaar de loef afstaken met opschepperige verhalen en vernederende kwinkslagen. Ik schatte hem halverwege de veertig en hing net als dat groepje, zij het op enige afstand, aan zijn lippen als hij het woord kreeg. Het woord nam is eigenlijk een betere omschrijving. Het leek alsof de mensen om hem heen slechts iets zeiden als intermezzo van zijn, gereserveerde, spreektijd.
Hij gebruikte zijn handen als hij sprak. Luid gesticulerend als hij een wetenswaardig geheim in de oren van het gezelschap om hem heen fluisterde. Hij had mooie grote handen. Verzorgde nagels. Later zei ik altijd tegen hem dat hij van die lekkere klauwen had.
Ik klemde dan mijn kaken op elkaar en siste tussen mijn tanden. Hij hield ervan als ik aan hem zat, en lovende woorden over zijn lijf fluisterde.
Ik besefte pas veel later, toen we een relatie hadden, dat hij me betovert heeft. Gewoon door er te zijn. Of, misschien beter gezegd, dat ik me heb laten betoveren. Daar in die kroeg. Hij viel pardoes midden in mijn wens, als vader van de gedachte. Ik wilde hem helemaal, en helemaal voor mijzelf. Ik weet niet meer zeker of we oogcontact gehad hebben die eerste keer. Ik wil geloven van wel. Mijn vriendin had hem met haar ogen al een paar keer uit de kleren geholpen, en hem aangeklampt in het voorbijgaan.
‘Ik heb hem alleen maar iets over jou en jouw auto verteld’, zei ze met een glimlach, ‘maak je borst maar nat want hij is niet getrouwd, heeft geen kids en is echt sexy as hell’.
Het kaartje,dat ik later die avond onder de ruitenwisser van mijn felrode mini cabrio vond, was van hem. Natuurlijk was het van hem. Met dank aan mijn vriendin. Hij had me tijdens het uitvoeren van de act tussen de zijnen wel degelijk gade geslagen. Desinteresse geveinsd. Er stond iets achterop.
‘Ben benieuwd of je ook rode wijn lust bij een etentje.’

mini cabrio

de handschoen(slot)

Abrupt stond hij op van zijn stoel.
‘Uw diensten,voor een paar suède handschoenen?’
De jonge vrouw draaide zich naar hem toe en keek hem glimlachend aan.
‘Ja, en de etiquette van een goede weddenschap schrijft voor dat u elk bod dat gedaan wordt moet aanvaarden. Zeker wanneer dit een heer van stand als uzelf betreft.’
‘Akkoord’, sprak hij aarzelend,’Als u het zo wilt’.
‘Mooi, dat is dan afgesproken’. Ze liep naar de deur waar ‘spreekkamer’ op stond. Toen ze er vlakbij was, draaide ze zich half om en keek hem aan.
‘Is het nou waar? Van die subsidie?’
De jonkheer bedacht dat deze vrouw enkele kwaliteiten bezat die hij doorgaans alleen bij de freule ervoer. Hij kon ineens geen reden meer verzinnen om haar een antwoord te onthouden.
‘Nee mevrouw, het is niet waar’, zei hij, terwijl hij langzaam van zijn ene voet op de andere bewoog. ‘Er is sprake geweest van ernstige vormfouten in de behandeling van de aanvraag, die over het hoofd gezien zijn door de controlerende instanties in Brussel. Volgens vastgelegd protocol wordt dan eerst de verkregen subsidie teruggevorderd, nog voordat er uitgebreid onderzoek verricht is. Aangezien er niets terug te vorderen viel, is er in dit geval beslag gelegd. Het is een beetje de omgekeerde wereld, waardoor meneer Van ‘t Hek gelijk denkt ons naar het rijk der fabelen te kunnen verwijzen. Het tegendeel is hier echter aan de hand. Het is nu aan ons om onze onschuld te bewijzen”.
‘En?’
‘En wat?’
‘Kunt u uw onschuld bewijzen?’
Langzaam liet Terbrueghe zich in een stoel zakken.
‘Dat is een verdraaid lastig verhaal mevrouw, de vergissingen van ambtenaren in Brussel zijn moeilijk aan te tonen. Daar hebben ze eindeloze commissies van beroep voor in het leven geroepen. We mogen al blij zijn als we er uiteindelijk zonder boetes vanaf komen. Onze advocaten hebben het er momenteel druk mee.’ Flauwtjes glimlachend tikte hij met zijn handschoenen op de rug van zijn hand.

De deur van de spreekkamer zwaaide open en een breedgeschouderde man in een donkerblauwe overall verscheen in de deuropening. De jonkheer zag hoe de jonge vrouw verwachtingsvol naar de man keek.
Met een oude smoezelige lap veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.
‘Zo mevrouwtje, dat probleem is verholpen. U bent verlost van de tropische temperaturen, en de verwarming werkt weer naar behoren. Als u hier even de werkorder ondertekent, dan ziet u de factuur wel via de mail verschijnen van de week.’
Hij wapperde met een papiertje dat ze uit zijn hand pakte en meenam de spreekkamer in.
Terwijl hij geduldig wachtte zette de man zijn gereedschapskist op een van de stoelen, en nam de jonkheer van top tot teen op.
‘Die gaat u hier niet nodig hebben’, zei hij wijzend op zijn handschoenen. ‘Of is zij er misschien eentje die je niet zonder kunt aanpakken?’
De jonge vrouw verscheen weer in de wachtruimte en gaf de man het briefje. Gniffelend om zijn eigen gevatheid pakte hij zijn spullen bij elkaar en liep naar buiten.
De groezelige lap hing een stukje uit de achterzak van zijn overall.
‘Hartelijk bedankt voor de snelle service,’ riep ze hem na en richtte haar blik op de jonkheer.
‘En?’ sprak ze glimlachend, ‘wilt u nog van mijn diensten gebruikmaken?’

schaamte

de handschoen(4)

Corné was vasthoudend geweest en had de jonkheer gedwongen zijn voorstel tot in detail te beluisteren. Het kwam erop neer dat iedere grondbeheerder met meer dan 200 hectare, een aanvraag mocht indienen voor ondersteunende funding bij het Europese fonds voor landschapsbeheer. In die pot zat zo’n slordige 1,4 miljard euro, en Corné schatte in dat een goed onderbouwde aanvraag, en wat gesprekjes in Brussel, een bijdrage van ten minste 1000 euro per hectare kon opleveren. Pas toen ze een week later samen bij de notaris zaten, om deze zaak eens grondig door te spreken, begon Jonkheer Terbrueghe in te zien dat het Europees burgerschap zo zijn voordelen kon hebben. De notaris had er ‘voor de vorm’, zoals hij glimlachend zei, nog wel even bij vermeld dat het in het voorstel dat ter tafel lag, niet helemaal helder was of de te subsidiëren grond wel of niet verpacht was, maar die sectie uit het plan kon, volgens Corné, nog wel herschreven worden. In essentie kwam het erop neer dat Europa wilde bijdragen aan het behoud van haar cultureel landschappelijk erfgoed. Terbrueghe vond het uitstekend klinken.

De jonkheer ging zitten op een van de lege stoelen in de wachtruimte en zuchtte diep. Hij had op geen enkele clementie van de heren van de FIOD hoeven rekenen, toen ze aan kwamen zetten met een leeg geplukte rekening op naam van de Stichting Derden Gelden Landgoed Terbreughe. Hij had geen idee waar de overgebleven twee miljoen euro gebleven waren, erop gestort  vanuit een Europees fonds, maar evenmin had hij de behoefte gevoeld om uit te leggen hoe zijn schulden bij het casino recentelijk afbetaald waren. Niet dat dit ertoe deed. De boete, hem opgelegd wegens het frauduleus innen en besteden van een Europese subsidie, was ruim hoger geweest dan zijn speelschulden. Er was beslag gelegd op zijn bezittingen en daar zou voorlopig geen verandering in komen. Het liefste zou hij Corné van der Reijt een klap in zijn gezicht verkopen, maar die was onvindbaar. Terbrueghe verwachtte geen bijdrage meer van hem, alhoewel er conform de afspraak, onder heren gemaakt, nog wel een paar ton openstond.

fraude2

‘U heeft toch onterecht subsidie aangevraagd of is dat ook een fabeltje?’ De jonge vrouw keek hem onderzoekend aan waarbij ze haar hoofd  een beetje scheef hield. Terbreughe moest zich inhouden om geen tirade tegen haar af te steken. Waar dacht ze verdikkeme dat ze het recht vandaan haalde, hem lastig te vallen met haar opdringerige nieuwsgierigheid?  Hij keek haar aan en herhaalde zijn vraag.
‘Mijn inzet zullen de handschoenen zijn. Wat is de uwe?’
Ze was op de stoel achter hem gaan zitten waardoor ze met de rugleuningen tegen elkaar aankwamen.
‘Wat zou u een redelijke inzet vinden?’ vroeg ze, voor zich uit pratend.
‘U bent tenslotte de expert van ons twee als het om de etiquette van een goede weddenschap gaat’.
‘Ik accepteer elk neergelegd bod mevrouw, de etiquette schrijft dit voor. Tevens bent u verplicht een gelijkwaardig tegenbod op tafel te leggen.’
Hij voelde hoe de jonge vrouw een beetje achterover leunde waardoor haar blonde krullen gedeeltelijk over zijn schouder vielen. Hij deed zijn hoofd in zijn nek en snoof haar parfum op.
‘Ik’, sprak ze met zwoele stem, ‘bied u mijn diensten aan’.

de handschoen(3)

Was deze vrouw serieus van plan hem te gaan vertellen waar hij zich zorgen over maakte? Niet bij machte de gedachte aan een weddenschap naast zich neer te leggen, streek hij het suède van de handschoenen langzaam langs de rug van zijn hand.
‘Akkoord,’ sprak hij kordaat, ‘wat is uw inzet?’
‘Ik vind ze erg mooi,’ zei ze zachtjes, wijzend op zijn handschoenen.
‘Dat zou dan niet uw inzet moeten zijn maar de mijne,’ een lichte irritatie klonk door in zijn stem. ‘U kunt niet bepalen wat mijn inzet is, dat moet ik zelf doen’.
Hij had moeite zijn opkomende ergernis te bedwingen, vanwege het amateurisme waarmee hij werd geconfronteerd. Zonder haar antwoord af te wachten ging hij verder.
‘Mevrouw, gelooft u mij gerust, ik weet waar ik het over heb als ik spreek over de etiquette van een goede weddenschap.’
De jonge vrouw was opgestaan en schoof een stoeltje op,in zijn richting.
‘Hoe weet u dat dan zo goed?’
‘Als jonkheer op Landgoed ‘Terbreughe’ ben ik al sinds jaar en dag ceremoniemeester bij de door de freule georganiseerde charité’s waarbij het wedden, loven en bieden een geaccepteerde manier zijn om de uitverkoren goede doelen van enige funding te voorzien.’
Hij realiseerde zich dat hij zijn vrouw altijd de freule noemde, als het over de activiteiten op het kasteel ging. Verbaasd keek de jonge vrouw hem aan.
‘U woont op dat kasteel? Wow, dan heeft u ongetwijfeld een enerverend bestaan! Ik heb er laatst nog een artikel over zitten lezen. Hadden ze niet iets in beslag genomen of zo?’
De bittere herinnering viel hem rauw op zijn dak.
‘Ik zal aan uw verzoek voldoen,’ sprak hij opzettelijk langzaam en duidelijk articulerend. ‘Mijn inzet zullen deze handschoenen zijn. Wat is de uwe?’
‘Die column van Van ‘t Hek loog er niet om,’ ging de vrouw onverstoorbaar verder. ‘Alweer een kasteelroman verwezen naar het rijk der fabelen’ zei hij erover, als ik het goed onthouden heb’.

landgoedTerbreughe

Terbrueghe stond geïrriteerd op en liep langzaam bij de vrouw vandaan. Niet alleen die column maar eigenlijk alles wat erover geschreven was, had er niet om gelogen. Het was de directe aanleiding geweest voor zijn bezoek hier en van het ultimatum dat zijn vrouw hem gesteld had. Afgezien nog van de negen dagen die hij noodgedwongen bij de FIOD gespendeerd had. Nog steeds tastte hij in het duister over de ware toedracht van de ontdekking, die zijn betrokkenheid bij deze zaak had blootgelegd. Corné, zijn zakelijk adviseur in deze, en hij hadden de zaken goed doorgesproken en behalve de notaris, voor de officiële vastlegging, was niemand ervan op de hoogte geweest. Na de inval had hij Corné niet meer gesproken.
Toen hij er voor het eerst over begonnen was had Terbreughe zijn adviseur niet geloofd.
‘Subsidie op landschappelijk verantwoord grondbeheer? Wat is dat nou toch voor onzin’.

De handschoen(2)

‘Je gaat gewoon Jacques, je gaat!’. Ze had tegen hem staan schreeuwen toen hij een ultieme poging deed om onder deze afspraak uit te komen. ‘Het is genoeg geweest, ik kan er niet meer tegen. Je had er allang geleden iets aan moeten doen!’

Vanuit haar standpunt bekeken kon hij het zich eigenlijk wel voorstellen. Zijn levenswijze hing haar de keel uit. Maar zeker was hij daar niet van. Ze had hem er ook van overtuigt dat hij er voor zichzelf heen moest, en hij was gegaan. Nu, na al die jaren van status quo, die door hem als bijzonder prettig waren ervaren. Aanvankelijk had ze zijn uitjes helemaal geen probleem gevonden. Ze was opgegaan in haar eigen leven met de kinderen en familie. Hij stelde zich voor dat ze zijn afwezigheid op zekere momenten wel kon waarderen. De bijeenkomsten op het kasteel hadden al haar aandacht gevraagd en hij leefde zijn eigen leven, op afstand van wat haar bezighield. Daar was verandering in gekomen toen de kinderen uit huis gingen, en zij zich meer met hem was gaan bemoeien. Hij kon nog maar sporadisch genieten van wat hij zijn avondje Casino Royale noemde. Weg van de realiteit en het publieke leven als jonkheer op kasteellandgoed ‘Terbreughe’, waar hij zo’n grondige hekel aan had gekregen.
Hij overwoog om het de therapeut straks voor te leggen, dat hij zijn hele leven al probeerde om iemand anders te zijn. Afstand te nemen van die gouden lepel, die hij verafschuwde, en zijn leven zelf ter hand te nemen, in plaats van de ongeschreven familiewetten en vaders harde hand klakkeloos te volgen. Maar hij vreesde de te pijnlijke conclusies die hierover ,na veertig jaar proberen, te trekken waren.
Hij voelde zich een zwakkeling.

casino royale

‘Ik durf te wedden dat u zich vreselijke zorgen zit te maken.’ De jonge vrouw was opgestaan en kwam naar hem toe gelopen.
‘Zorgen?’
‘Ja, zorgen,’ zei ze beslist, terwijl ze met haar ene hand op de rug van haar andere hand tikte.
‘U zit de hele tijd met uw handschoenen op uw hand te slaan’.
‘O, het spijt me als ik u daarmee geërgerd heb, dat was niet mijn bedoeling’.
‘Nee hoor, het kwam me juist wel bekend voor’.
De jonkheer kneep zijn ogen samen.
‘Dus u denk te weten wat er zich in mijn hoofd afspeelt? Dat doet vermoeden dat u aan de verkeerde kant van de deur zit’, zei hij, wijzend op het bordje ‘spreekkamer’.
Alsof de jonge vrouw zijn behoefte aan afstand voelde was ze twee stoelen bij hem vandaan komen zitten. Ze glimlachte en keek hem uitdagend aan.
‘Nou,’ vroeg ze nogmaals, ‘wedden?’

De handschoen.

(Deze hele week een (lang) kort verhaal in vijf delen.  Maak kennis met een jonkheer en zijn beslommeringen.)

‘Jacques Terbreughe, 66 jaar en in goede gezondheid zo te zien.’
Over het randje van zijn zacht blauwe titanium bril keek hij de jonge vrouw tegenover hem aan.
‘Ik lees het ook maar van uw doktersbriefje hoor’, zei ze, wijzend op het velletje dat hij voor haar op de ontvangstbalie gelegd had. Hij keek er mismoedig naar en stelde vast dat het er inderdaad stond. ‘In goede gezondheid’, had zijn huisarts, met zijn kenmerkende hanenpoten, boven het verwijzingsformulier geestelijke gezondheidszorg geschreven.
Zonder op de opmerking van de vrouw te reageren deed hij zijn suède handschoenen uit, trok de geruite shawl van zijn schouders en vouwde deze eerst in zijn schoot om hem daarna in zijn pet te stoppen. Het was onaangenaam warm in de verder lege wachtruimte waarin hij plaatsgenomen had. Moeizaam stond hij op om zijn lange stugge waxcoat uit te doen.
‘In stramme goede gezondheid’, dacht hij terwijl hij naar de kapstok liep en overwoog een stoel verder bij de balie vandaan te kiezen. Het wachtkamer meubilair kwam op hem nogal saai over en de kapstok was een goed voorbeeld van, ‘een natuurlijk element in een zakelijke omgeving’, zoals dat zo mooi genoemd werd. Het ding leek op een blank geschuurd kaalgeplukt stuk boomstam met stompjes van takken, waar je je jas aan op kon hangen. De muren van de ruimte waren wit, waardoor de zwart-wit foto’s in aluminiumlijsten extra afstaken tegen de achtergrond. Bij de kapstok hingen twee afbeeldingen van New York. Een toonde een bankje in het midden van de Brooklyn Bridge, hetgeen een zoete vleug jeugdherinnering in hem losmaakte. De andere, een afbeelding van de skyline van New York. Hij stelde vast dat het om een oude foto ging en vroeg zich af waarom deze nog niet vervangen was. De huiveringwekkende gebeurtenissen op de elfde september hadden zo’n jaar of vijf geleden plaatsgevonden, en hij vond het niet echt van goede smaak getuigen om de bezoekers van een praktijk als deze nu nog een uitzicht op dat verleden te bieden. Ze hadden waarschijnlijk genoeg aan hun eigen verleden. Zelf vergat hij zulke dingen het liefst.
De ruimte, met obligate plastic planten, bevreemde Jonkheer Terbreughe. Hij hing zijn jas op, vouwde zijn geruite pet met daarin de shawl in een van de zakken en nam plaats op een van de vrije stoelen bij de kapstok.
Ze leek hem een bemoeial, deze jonge vrouw.

suèdehandschoen
‘Ik bijt niet hoor’, zei ze terwijl ze half over de balie leunde en glimlachend zwaaide met zijn handschoenen. Zwijgend stond hij op en pakte ze van haar aan. Met het formulier en de handschoenen in zijn hand ging hij weer zitten op gepaste afstand van zijn belager.
Jonkheer Terbreughe was zenuwachtig. Hij was er niet zeker van of hij de juiste keuze had gemaakt om zich te laten verwijzen. Niet dat er andere opties waren geweest. Zijn vrouw Ella had hem weinig keus gelaten.

 

Bankman

Paulus Heylwolt had zichzelf altijd gezien als ondernemer, in hart en nieren. Hij was er na een aantal jaren ploeteren, vallen en weer opstaan, achter gekomen dat dit eigenlijk alleen maar de wens van zijn vader’s gedachte was geweest. Na de opleiding aan de Hogeschool Nyenrode in Breukelen waar hij zijn dispuutvrienden Corné, Carlo en Eljos leerde kennen, was hij, net als hen, ondernemertje gaan spelen maar teruggekeerd op zijn schreden. Opzoek gegaan naar een manier om de risico’s te vermijden en toch aan de benodigde financiën te komen. Dit had hem bij de bank gebracht. Het was zijn grote passie geworden. Hij genoot ervan. Elke dag. Ingebed in de zekerheden van meer dan goede arbeidsvoorwaarden, de bedrijven voorzien van financiering, om zo te kunnen beheersen en sturen. Terwijl hij met stevige tred voortliep voelde hij de rust enigszins weerkeren in zijn lijf. Hij kon zich mateloos opwinden over de domheid van mensen als het ging om de perceptie van het bankwezen. Zelfs tot binnen zijn vriendenkring hadden de ideeën over machtsmisbruik en corruptie echt wortel geschoten. Heylwolt vond dit een aperte misvatting en, indien hiertoe uitgedaagd, stak hij zijn mening niet onder stoelen of banken.

Bij de open haard van de business club gezeten had hem dat zojuist nog een hoog oplopend conflict met een aantal aanwezigen opgeleverd. De meeste daarvan waren ondernemers, met Corné van der Reyt , zoals gebruikelijk, als hun woordvoerder in het debat.
‘Paulus, luister, het is glashelder wat jouw klanten van jouw bank vinden. Iedereen luistert, kijkt mee en praat erover. En ik kan je vertellen; het stinkt! Ik zeg het je, zoals ik het laatst van een groot kunstenaar hoorde: Geef een man een pistool en hij kan een bank beroven. Geef een man een bank en hij kan de hele wereld beroven!’
Een Engels aandoend, instemmend ‘hear hear’ had zijn ergernis gewekt.
‘Gezien alle bedrijfsfraude van de laatste tijd ben ik blij dat ik aan de bankenkant zit. Ondernemers verkopen veel teveel gebakken lucht’.
Het was zijn uitdagende opmerking geweest die het tot dan toe kabbelende gesprek op scherp gezet had. Paulus Heylwolt hield van scherpe en snedige discussies. Het was de kortste weg naar zijn gelijk.
bankmandiscussie