Klacht

Je denkt op onderzoek te gaan in een land waar de zon in de winter behaaglijk is en het landschap adembenemend. Dat laatste klopt maar verder heb je buiten de regen gerekend. Het regent vaak en vooral veel, zoveel dat wegen bevaarbaar worden en rivieren domme toeristen meesleuren die denken dat de natuur iets is dat je zelf maakt. Je overweegt je beklag te doen over het weer bij geen instantie in het bijzonder tot je erachter komt dat je rond rijdt op een plek waar het de afgelopen acht jaar niet, ik herhaal, de afgelopen acht jaar niet geregend heeft. De mensen die er proberen te overleven dansen nog net niet de hele dag in de hoeveelheid plens die uit de lucht valt maar zitten wel de hele dag met een enorme glimlach onder afdakjes. Ik spreek ze en zonder uitzondering verwelkomen ze het water. Hoopvol want er kan weer iets gaan groeien.

Verderop regent het al langer dan een week of twee en is alle grijs en bruin verandert in fris lichtgroen. Razendsnel alsof de gewassen bedacht hebben zich dubbel zo snel te ontwikkelen, nu het kan. Semi uitgedroogd heeft er een druppel water aangeklopt bij ieder zaadje en is alles ontaardt in een orgie van vijftig tinten groen.

Boven op een hoge berg staat een oud fort. Er omheen uitzicht met rivier en groen dat aan de loop van de Moezel doet denken. Ik ging daar vroeger met mijn vader en moeder heen op vakantie maar daarover ga ik nu niet klagen. Het fort heeft toevlucht geboden aan de koning van Marokko maar kan ook een militair fort geweest zijn, de gids heeft een rijke nogal ongelimiteerde fantasie. Slapen langs de buitenmuur kan, de gids regelt dat er tajine bezorgd wordt en wijst ons op de gevangenis binnen de muren van het fort. Een oneindig diep gegraven hol met hoog in het plafond een paar gaten waardoor je kunt zien of het dag of nacht is. De hoeveelste doet er niet toe want het complex wekt niet de indruk dat er meer dan alleen een ingang was.

Wanneer ik naar buiten loop begint het zachtjes te regenen. Wellicht dat ze de paar druppels die door de gaten boven hen vielen vroeger ook als zegening zagen.

Ik weet het nu echt zeker; ik mag niet klagen.

Sint Jan

Je realiseert het je niet zo terwijl je reist maar alles aan en in het lijf vertelt je hoe het ervoor staat wanneer je even pauze houdt. Even pauze is in dit geval een verblijf van een dag of twee in een Bed & Breakfast met als belangrijkste item: een goede airconditioning en ruimte om binnen te kunnen zitten. Na alweer een aantal weken in de Outback gewoon in een klein stadje beland waar je niet hoeft na te denken over wind, felle zon, water, stof en hoe dat te bestrijden of juist niet. Het is deze dagen rond de veertig graden alhier en de ervaring leert dat ik dan ophoud met normaal functioneren. Zeg maar gerust dat ik ophoud met functioneren in het geheel. Ik ben er niet voor gemaakt, die hitte. Vandaar de zeer gewaardeerde schuilplaats in een rustig buitenwijkje van MIldura aan de grens tussen New South Wales en Victoria. Er is hier weer water in rivierenvorm( de Murray en de Darling river komen een stukje noordwaarts samen) en de omgeving is groen. Da’s even wennen na een poos stofhappen maar zeker fijn. Zit je ineens een middag en avond buiten in het gras aan de rivier met tig vogels, vissen en miljoenen sterren. Voordat de hitte toeslaat dan. Men is het hier wel gewend alhoewel het wel extreem en vroeg is dit jaar. Overal is de weerkaart lichtelijk anders ingekleurd dat eerder en het is of natter, warmer of droger, het waait meer en harder of juist niet kortom, geen pijl op te trekken. De Aussies verdwijnen gewoon uit het straatbeeld om zich slechts omhult door rijdend blik te vertonen onderweg naar de shopping mall waar de airco staat te loeien. Zeg maar Nederland in een koude winter met veel regen maar dan andersom qua warmte/koude regeling.

Ik wen er wel een beetje aan, die warmte. Vond ik een aantal maanden geleden de dertig graden al een ding, daar stap ik nu moeiteloos overheen om pas een graad of vijf verder lusteloos neer te ploffen. Je past je aan in meerdere opzichten. Zo is mijn garderobe meer gaan lijken op die van de gemiddelde outback bewoner doordat korte broek en t-shirt zijn doordrongen van het stof, zand en zweet die zich niet meer laten wegjagen door wat voor wasmachine dan ook. Na overschrijding van de vuil en/of gaten grens doen ze nog even dienst als poetslap alvorens in de vuilnisbak te verdwijnen. Koop ik weer een nieuw shirtje voor een herhaling van zetten. Je begrijpt; afgezien van een sporadisch gedragen shirt lange mouw, een vest en een lange broek en flipflops heeft de garderobe niet veel om het lijf.

Ook uiterlijk verandert er een en ander. Ik doel hier op de haardracht en bijbehorend onderhoud. Het groeit als vanzelf door maar wat meer onderaan het hoofd dan er bovenop. Door veel stof en gebrek aan borstelen moet er bij tijd en wijlen een klit uitgeknipt maar voor de rest valt het mij niet zo op. Totdat je een keer ergens bent waar een kapper is. In dit geval was het een grote relaxte Maori met bijbehorend imposant lijf en grote handen die hij door mijn haren haalde alsof hij bezig was de hoeveelheid scalp in te schatten die er nodig was om het bosschage bij elkaar te houden. Niets was minder waar. Op mijn opmerking dat het wat korter mocht en dat het gezichtshaar helemaal weg moest keek hij me een soort geschrokken aan. ‘Alles?’, vroeg hij, waarop ik bevestigend knikte. Na nog wat aaien door mijn haar leek hij te berusten in de keuze van de klant en ging aan het werk. Blijkbaar gaf het verwijderen van de inmiddels imposante baard hem vleugels want de rest van de haardracht leed er behoorlijk onder. Het moet ongeveer in mijn twaalfde levensjaar geweest zijn dat ik zo kaalgeknipt ben. En dat was toen nog onder supervisie van mijn vader en met een kapper die een bloempot op je kop zette waaromheen hij de rest weg knipte. Maar goed, na drie keer kijken herkende mijn lief me weer en zoals bij alle haar; het groeit in no time weer aan. Daar werd ik onlangs aan herinnerd toen ik een keer beeld belde met de door mij geliefde bandleden van la Zona die bier dronken na een oefenavond terwijl ik aan de andere kant van de wereld net mijn bed uitgekropen was. Omdat het hier niet gevierd wordt was ik gewoon vergeten dat ik vlak na 5 december belde. De baard was inmiddels nog dikker, groter en langer geworden omdat ook het kapper bezoek alweer lang geleden was. Blij als ik was ze in goede gezondheid te zien en stiekem genietend van een spervuur domme grappen van de drummer was hij het toch die het beklijvende toetje produceerde. Ik ga ervan uit dat het hier om wederzijds genoegen gaat met dit nieuwigheidje. Het gebeurt je tenslotte niet iedere dag dat je mag beeldbellen met Sint Jan.

 

 

Rondje Romheen

Onder deze titel kun je de komende twaalf maanden een aantal teksten, gedichten, schrijfsels lezen die onderweg ontstaan. Onderweg in een jaar Australia waar ik in een truck(je) doorheen reis met Ineke. Het laat zich dus niet voorspellen, dat jaar, de schrijfsels, de belevenissen. Het enige dat vaststaat is dat ze er zullen zijn, dat ze uit alle hoeken en gaten tevoorschijn komen, hoe dan ook.

Dus, riemen vast, flipflops aan, insmeren en hoeden en petten op en no worries mate!

Vergeten groenten

Het grillige landschap weerspreekt de mathematica van geplaatste hekjes.
Wind gaat zijn eigen gang. De zon brandt bij tijd en wijlen gouden randjes aan de wolken als ze haar het schijnen beletten. Ondergaand beklimt ze de bomen en zet hun toppen in brand.
Ik zit aan de rand van een rivier. Ze stroomt, water duwt water in haar eeuwige perpetuum mobile als een, in breedte variërende, scheiding van landschappen. Het doet me denken aan autoritten die ik, de neus tegen het raam gedrukt, met mijn vader maakte. De lijnen die ik volgde in het voortrazende vergezicht meanderden op, neer, heen en weer. Slingerend, als het lange losse lint aan mijn vlieger, gegrepen door de wind.

Achter me zijn volkstuintjes, het budgettaire antwoord op de hedendaagse inkomensverschillen. Van mensen die vergeten groenten verbouwen. Of van mensen die zaaien maar hun groenten vergeten, aan de bruintinten in sommige perkjes te zien. Een vrouw van in de veertig met een fiets aan haar hand loopt mijn kant op. Ze komt uit de groentenafdeling in het landschap en haar fietstassen puilen uit van de opbrengst. Sla, snijbiet, schorseneer, het dienstmeidenverdriet, bietjes, meirapen. De bos peterselie in het mandje aan haar stuur ruikt sterk. Onder de snelbinders een grote bos sperziebonen, met struik en al gerooid.
‘De oogst valt niet tegen’, zeg ik, wijzend op haar karrenvracht gezondheid.
Ze glimlacht van achter haar grote zonnebril.
‘Klopt, je moet er wel wat voor doen, maar dan heb je ook wat. Ik sjouw me soms helemaal suf naar die tuintjes om ze thuis maar wat gezondheid te kunnen voeden hè.’

Ze neemt me mee naar mijn jeugd, waarvan ik dacht dat die tot het verleden behoorde. Dat blijkt alleen om mijn verleden te gaan want het is haar realiteit. De groenten uit mijn vaders moestuin kwamen in golven. Tsunami’s van sla, tomaten, witlof, bloemkool, snijbiet en boerenkool. We aten ze in periodes van drie weken achter elkaar en wat we niet opaten werd in wekpotten gestopt, vacuüm gekookt en met een datum erop in de kelder opgeslagen. Zo konden we in de winter, tussen de zure, rode en boerenkool door, ook een keer boontjes eten. Een luxe. Ik mocht met een spelt de pot ,die open plofte met een diepe zucht, ontgrendelen.

Ik proef de bittere nasmaak van tot snot gekookte witlof.
‘Is het niet veel werk?’
Ik weet niets anders te zeggen.
‘Dat valt reuze mee als je het slim aanpakt’.
‘Mijn vader had vroeger ook een moestuin, ik moest altijd een uur onkruid wieden als ik uit school kwam. Vooral de kruidentuin was een ramp, vergiste me altijd tussen kruid en onkruid.
Ze lacht.
‘Ik heb daar ook zo mijn mensen voor, net als jouw vader. Dat wieden vind ik maar een vermoeiende bezigheid.’
‘Dat heeft u goed bekeken, ik heb er een soort moestuinfobie aan overgehouden.’
De vrouw kijkt om zich heen, buigt zich over haar stuur naar mij toe en spreekt zacht.
‘Het is niet anders in deze tijd, soms moet je inventief zijn om de monden thuis te voeden. Dag!’
Ik knik en kijk haar na terwijl ze de volgeladen fiets over het paadje langs de rivier voortduwt. Haar contouren worden omarmd door het tegenlicht van de ondergaande zon.
Water duwt water.

Als ik terugloop langs de volkstuintjes is er een kleine samenscholing van mensen. Ze leunen op harken, schoffels en scheppen. De verontwaardiging is groot.
‘Wat moet je eraan doen, in je tuin blijven slapen? Ze nemen gewoon alles mee, hier kijk dan, de sperziebonen weg. Met struik en al!’
Ik loop er stilzwijgend langs en probeer de woorden van de vrouw terug te halen.
Voel me een beetje Robin Hood.

volkstuintje

de onbeminde soldaat

De vrouw die in zijn verhaal figureert is van gedaante veranderd gedurende de twee uur die ik naar hem luister. Van frisse, mooie, welgevormde leuke jonge vrouw afgegleden naar een omschrijving die waarschijnlijk meer zijn gevoel weergeeft dan de werkelijkheid. Alhoewel zijn relaas doet vermoeden dat er alle reden is om zijn frustraties op haar bot te vieren. Ik kan haar er niet meer naar vragen, ze is dood.

Hij werd geboren in een nonnenklooster in Den Haag. Het is 1946, Nederland is vrij en de goede rekenaars onder u begrijpen dat zijn verwekking het gevolg is geweest van een bevrijdingsfeest. In zijn geval een feest tussen een Canadese soldaat en een frisse, mooie, welgevormde leuke jonge vrouw. Ze heeft hem drie weken gekend voordat hij uit beeld verdwenen is. De geldende mores deed haar vanuit Naarden verkassen naar het westen des lands. Ongetrouwd en kinderen krijgen waren twee begrippen die niet samengingen in die tijd en dus droeg ze het droevig lot dat veel jonge moeders ondergingen. Na de geboorte stond ze hem af en hij groeide op in een pleeggezin in de gemeente Renkum. Een mooie en fijne warme tijd, zegt hij er zelf over.

Door omstandigheden moest hij na verloop van jaren echter weg bij het pleeggezin en begon aan een lange rondtocht langs opvanghuizen die hem geen goed hebben gedaan. Contactpogingen met het pleeggezin, zijn broers en zussen noemt hij ze, strandden. Net als die met zijn moeder, ze wenste, ook op latere leeftijd, geen contact meer met hem. Hij bestond niet voor haar.

‘Ik ben er naartoe gegaan hoor, om te kijken, om zijn graf te zien’. Hij spreekt over vele jaren later wanneer hij ontdekt heeft dat zijn vader, de Canadees van het feest der bevrijding, overleden is. Foto’s van de familie daar leren hem dat hij op ‘m lijkt. En dat hij nog een halfbroer heeft in Duitsland. Geboren ten gevolge van een bevrijdingsfeest van zijn moeder met een ander. Joop, zo heet zijn broer, heeft het contact inmiddels verbroken. Herinneringen kunnen ook teveel pijn met zich mee dragen. Dat doen ze voor mijn verteller ook maar hij heeft de behoefte hierover te spreken.

‘Ik hoef niet ineens belangrijk te zijn, maar ik kan het gewoon niet begrijpen’.
Zijn magere gestalte schokt als hij de tranen de vrije loop laat. De donkerblauwe aderen steken schril af bij de grauwe huidskleur op zijn tengere gerimpelde handen die hij open op tafel voor zich gelegd heeft. Af en toe trommelt hij ongeduldig met zijn vingers op het houten blad en soms slaat hij erop om zijn frustratie kracht bij te zetten. Tegenover mij zit een man van 73 jaar oud die zijn leven verwoest ziet door ‘omstandigheden’. Hij is getrouwd geweest, heeft kinderen gekregen maar ook daar is het niet goed gegaan. Er is geen contact meer.

‘Waarom ben je hier?’, vraag ik hem.
Hij blijkt zo naar een plek te gaan die hij fijn vindt, waar hij zich een beetje vertrouwd en geborgen voelt. Hij gaat zo naar zijn vader zegt hij.
Verward vraag ik hem naar het graf in Canada.
Zijn vader blijkt twee graven te hebben, één bij de familie en één tussen zijn maten uit de oorlog op de begraafplaats in Oosterbeek. Voor hem maakt het niet uit waar hij echt ligt.

Hij is blij iemand in de buurt te hebben.

download

Geheugensteun

 

Om ons heen de contouren van zijn geboortegrond. Achter de dijk wekken de verzonken huizen de indruk van boven water. Molenwieken slaan zich slagen door de lucht. Verlaten land, bestippeld met schapen. Dikke zwarte grond kopt omhoog tussen zaaigoed, flinterdunne belofte van groen. De wind waait een stilte naar mij toe. Een wilg, een weg, een bord, een richting. Een streep door mijn blikveld houdt zorgvuldig de wolken bij het gras vandaan, de zon schijnt ze aan flarden. Soms lappen er zich een stel en gooien een deken met een gouden randje over haar heen. Winschoten, Delfzijl, Spijk, Uitwierde.
Plekken op zijn lijstje.

‘Hier gaan we heen en ik wil ook aan de haven kijken en een nieuwe haring eten.’
Hij heeft me een briefje gegeven, dat zijn vrouw voor hem maakte, waarop een aantal plaatsen staan genoteerd. Plekken in het Groninger land.
‘Ik ben er op mijn derde jaar vandaan gegaan maar ze zijn hier allemaal nog hoor, mijn familie. Als klein kind kwam ik er nog wel, twee keer per jaar met mijn vader en moeder in de auto. Ik heb mijn leven lang in de stad gewoond, ik hoef niet terug, ik ben een stadsmens. Coevorden is echt iets anders dan dit. Dit was vroeger allemaal water.’

Hij heeft een petje mee om de kwetsbare, flinterdunne huid op zijn hoofd te beschermen tegen de zon. Een wandelstok hersteld het wankele evenwicht dat zijn benen tegenwoordig meestal ontberen. Hij onthoudt niet alles meer, zijn geheugen lijkt hem vooruit te zijn gegaan naar de trillende einder. We doen een roadtrip, opzoek naar bevestiging van zijn eigen vergankelijkheid. In de mist van zijn herinnering aan flarden komen soms heldere dingen naar boven. Hij is trots, trots op zijn vader en moeder. Zijn vader had geen opleiding en leerde van zijn moeder lezen. Begon een winkeltje en legde zo de fundamenten van een familiegeschiedenis.
‘Hier links!’
Zijn schelle stem schrikt me op, ik kan niet links en parkeer de auto.
‘Een stukje terug, daar woonde ze. We hoefden niet op de fiets, ik mocht de auto van mijn vader lenen, dat vonden de meisjes wel leuk. Het was een mooie grote bak. Mijn vriend was een mooie jongen, blonde krullen, echt een mooie jongen. Hij kon ieder meisje krijgen dat hij wilde. Later is hij met haar getrouwd’.

De weg vanuit zijn woonplaats lijkt bezaaid met bommen en granaten uit de oorlog.
‘Met een vriendje gingen we kijken. Er was een bom gevallen in het land van een boer en niet ontploft. Wij op de fiets erheen. Het ding was opengescheurd en we pikten er zoveel kruit uit als we konden meenemen. Dat staken we aan en het gaf een mooie steekvlam, heel fel licht. Een keer deden we dat ’s avonds op straat en kregen een schop onder onze kont van een SS’er. Kwajongensstreken.’

We eten een haring. Als die op is stelt hij schaterlachend vast dat we voorlopig even geen meisjes hoeven te kussen. Zijn wangen krijgen een licht rode kleur en zijn ogen glimmen.
‘We hebben ook eens een taart gebakken, dat was heel wat. Het zal 1941 geweest zijn, er was niks. Ik had vier vrienden en we hadden allemaal iets meegenomen. Daar hebben we een taart van gebakken. In de kajuit van het vrachtschip van mijn vriendje’s vader hebben we dat opgepeuzeld. Dat was wat, dat was heel wat. Het was een goede plek want het schip lag ergens apart voor de wal’.
Op mijn vraag of ze het zo stiekem konden doen is het antwoord glashelder.
‘Nee, we deden het niet stiekem, we hebben het gewoon niet verteld’.

Het geboortehuis van zijn moeder, in Spijk. We kunnen het niet echt meer vinden.
‘Mijn opa was turfschipper, mijn vader woonde als kind op dat schip. Mensen vroegen altijd waarom oma het schip moest trekken, ze vonden opa lui. Dat was niet zo, oma wilde dat het liefst. Ze liet haar gewicht in het leer, waarmee ze trok, voorover leunen en zette dan een stap om niet te vallen. Het kostte zo geen kracht, zo hield ze het vol. Ze wilde niet sturen, ze kon zonder de verantwoordelijkheid. Dit moet het huis zijn,’ zegt hij, het zoeken beu.

Drie keer vragen we de weg naar het gehucht Uitwierde, een in het landschap gesmeten terp met een paar huisjes en een kerk met grafstenen eromheen.
‘Hier links!’
Wederom heeft zijn geheugen hem niet in de steek gelaten. Het blijkt de begraafplaats van zijn voorouders. Trientje Toxopeus en Jan de Boer. Cornelis de Boer, oom Kees, ligt er ook net als andere familieleden.  Met een traditionele ronde om de kerk, waardoor de duivel uitgedreven werd, zijn ze hier begraven. Graven gedolven in 1939 en 1948, van mensen,geboren in 1866. Hij loopt drie keer heen en weer tussen de stenen voordat zijn geheugen terug is. Hij weet het weer en snuit zachtjes zijn neus. Een confrontatie met zijn eigen eindigheid.
‘Het is wat’, zegt hij, voorzichtig zijn stok tussen de zerken plaatsend.
‘Het is wat’.

Ergens, op de terugweg, komt zijn toekomst naderbij.
‘Het maakt mij niet uit hoe ik begraven wordt, ik vind het allemaal wel best. Je krijgt dit lichaam toch niet terug. Je krijgt een ander lichaam, als je dat tenminste gelooft. Er zijn mensen die dat geloven.’
Ik geloof het niet en zeg hem dat hoe je iemand begraaft me vooral belangrijk lijkt voor de nabestaanden. Het antwoord liegt er niet om.
‘Ze zoeken het maar uit. Je hebt het gezien op die stenen. Als ze sterven, en er een tekst op het graf moet, zijn ze allemaal ineens weer in de Heer. Hoe ze leefden, dat is een ander verhaal.’

geheugensteun

Stoof

Ronddolend in de ruimtes van mijn bovenkamer kom ik hem ineens tegen.
Daan.
Hij zit in een grote bruine stoel met brede armen. Er hangt een gehaakt groezelig wit kleedje over de rugleuning. De scheuren en vlekken in het vaal verweerde leer weerspiegelen het geluid van de grote staande klok naast hem. De tijd wordt meedogenloos weg getikt. Zijn minuten gaan sneller dan de mijne. De zwarte kolenkachel in de hoek van de kamer heeft een gloeiend opengesperde glazen mond. De muffe dampen gemixt met het aroma van draadjesvlees en andijvie uit de keuken. Zijn benen gestrekt voor zich uit. De voeten op een vierkant kistje waar je een schaaltje met hete kooltjes in kan doen. In de bovenkant uitgesneden hartjes. Thermostaat avant la lettre.

“Kom jongen, te paard,” zei hij wanneer hij iets te vertellen had.
Ik klom op zijn schoot en liet me meevoeren naar de wereld die hij me voorschotelde. De wereld van een man die een stuiver vond. Ergens op het land van zijn boerderij. De ene keer vond hij hem sneller dan de andere. Een gouden stuiver. Hij ging ermee naar de markt en kocht een varken. Maar het varken was niet vooruit te krijgen. Het dier wilde niet gaan. Toen ging de man naar de hond.
“Hond, wil je varken bijten want het varken wil niet gaan.”
“Nee,” zei de hond. “Ik wil niet varken bijten.”
De man ging naar de stok.
“Stok, wil je hond slaan want de hond wil niet varken bijten en het varken wil niet gaan.”
“Nee”, zei de stok. “Ik wil niet hond slaan.”
De man keek om zich heen en zag het vuur.
“Vuur”, sprak de man, “Vuur, wil je stok branden want de stok wil niet hond slaan, de hond wil niet varken bijten en varken wil niet gaan.”
Vol verwachting keek ik naar Daan’s gezicht. Hij kon vertellen en zingen tegelijk. Ik had deze melodie al duizend keer gehoord maar dacht telkens weer dat er misschien een verrassend ander slot zou volgen. Tot mijn grote vreugde veranderde het verhaal nooit. Hij pakte me bij mijn middel vast en zette zich schrap in de stoel met mij op zijn knieën. Ik wist wat er komen ging en gierde van het lachen voor de laatste zin zijn lippen verlaten had.
“Ja”, sprak het vuur en brandde de stok. De stok sloeg de hond, de hond beet het varken en het varken ging lopen, lopen, lopen, lopen, lopen!
Ik wipte op zijn knieën op en neer alsof ik daadwerkelijk een op hol geslagen varken bereed. Geen pretpark kon de vrije val aan het einde van de rit evenaren. Met een enorme boog belandde ik met een gecontroleerde bonk op het kistje met de warme kooltjes.
Gierend van de lach klauterde ik overeind en besprong hem. “Nog en keer opa, nog een keer!”
stoof
Nadenkend over dat ding kom ik een advertentie tegen. ‘Antiek voetstoofje, inclusief brikettenbakje’, staat erboven.’Vaste prijs: Twintig euro. Het stoofje heeft een kleine reparatie gehad. Op te halen of te verzenden(kosten voor de koper).’
Ik zou er geen stuiver voor geven.

Letters

“In de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, amen”.
Met een plof sloeg hij het dikke boek dicht en knipoogde naar me voordat oma aan het gebed begon. Het toetje, yoghurt, gele vla en aardbeien op zware siroop, moest wachten. Het lag zwaar op de maag weet ik nog. Iedereen aan tafel sloot de ogen behalve opa en ik. Biddend trok hij gekke bekken naar me en we deden allebei ons best niet in de lach te schieten. Daar was oma niet van gediend.
Als zesjarige raakte ik in de ban van dat dikke boek.
“Verzin je dat allemaal zelf opa?”
“Nee jongen,het staat in dit boek geschreven en ik lees het voor”.
Wat me opviel was de enorme hoeveelheid letters op een kleine oppervlakte. Het flinterdunne papier leek er loodzwaar van te worden. In de groepjes letters zat een verband waar ik de vinger niet op kon leggen. Het meest intrigeerde me de ruimte tussen de regels. Soms gescheiden door een onmetelijk uitgestrekte witte vlakte voor er weer een nieuwe begon. Ik vulde in naar eigen inzicht. Fantaseerde goedaardige monsters met kamerbrede gekartelde vleugels die er tussendoor vlogen en de letters door elkaar gooiden.

letters1

Met mijn benen bungelend over de rand van de kade zaten we te vissen op zondagmiddag. Mijn vader en ik. Het amen van de dominee had lang op zich laten wachten die ochtend en ik verlangde naar ruimte. Bevrijding van de harde beklemmende kerkbanken. Het water in de gracht was bedekt met kroos en we vingen niks.
“Kunnen vissen lezen pap?”
Met de punt van mijn bamboe hengel oefende ik letters in de groenige drab. Letter voor letter tekende ik langzaam een uitnodiging voor de onzichtbare zwemmers om mijn middag te versieren. Als er bijna ‘eten’ stond waaide de wind mijn boodschap uit elkaar. De letters vervormend tot fantastische monsters die zich sierlijk door het glooiende groene landschap bewogen.
Eén keer bleef de boodschap hangen. Geconcentreerd schreef ik met mijn penseel drie zwarte letters op het groene papier. Van linksonder naar rechtsboven en met een krul recht naar beneden, een lusje naar rechts op het eind.
Dan bovenaan beginnen, naar beneden en met een bocht weer recht omhoog en dezelfde weg terug. De laatste letter als de eerste. De wind was mij goed gezind. Wat begonnen was als een minuscuul fluisterwoordje waaierde langzaam uit tot een schreeuw van formaat.
“Waar leer jij dat soort woorden?”, vroeg mijn vader boos.
Ik had het mijn oudste zus tegen hem horen zeggen.
‘Lul’, dreef schuldig door de gracht.
Zoveel ruimte was er niet tussen de regels.

Goldrushzus

neilyoung

“Neem jij ‘m maar, ik hoef ‘m niet meer.” Telkens hoor ik je weer in mijn hoofd. Dit keer zijn het de klanken uit de autoradio die het je laten zeggen. Dan geef je ‘m aan mij. 

Neil Young’s LP, After the Goldrush. 

Mijn beeld van vrijheid op de voorkant. Neil in zijn oude groezelige jas met cowboylaarzen en een hoed die je niet kunt zien. Hij loop zijn wilde toekomst tegemoet. Mijn leven in. Ik ben Neil Young. 

Je bent het huis uitgegaan en laat je kamer aan mij na. Thuis wordt dit ‘het hok’ genoemd. Ik ben vijftien en denk dat vrijheid, behalve Neil Young, uit vierkante meters bestaat die je van jezelf kunt maken door een deur achter je te sluiten. Tot dan heb ik altijd het kleinste kamertje gehad. ‘Het hok’ is een verbouwde volière waar een eindeloze zee in schuilt.  

Denk ik.  

Het bastion van waaruit jij jouw vrijheid bevochten hebt. De voor mij zo duistere ruzies voerde met onze ouders en jouw vriendjes die je meenam. Neil Young was jouw vriend. Hij was altijd een wilde gozer die zich niets aantrok van de bestaande conventies. Daar hadden we er thuis genoeg van. Telkens als je weer een andere Neil meebracht en er na korte tijd knetterend afscheid van genomen had galmde de zanger door het hok. 

“Yes, only love can break your heart, try to be sure right from the start”. 

Ik tikte een oude suède jas, lichtbruine afgetrapte cowboylaarzen en een rafelige Stenton op de kop. Mijn strijd kon beginnen. Het duurde even voor ik ermee op school verscheen. Als coole dude moest ik de horde pap en mam nog nemen.  

Dat was gemakkelijker dan voor jou want ik, ik bevond me after the goldrush. De jouwe. 

Er waren al gebaande paden. 

Ik heb mijn auto geparkeerd en luister het nummer helemaal af. 

Net zolang tot ik je voel wegebben.  

Want van jouw vrijheid wil ik zolang mogelijk genieten.