De handschoen(2)

‘Je gaat gewoon Jacques, je gaat!’. Ze had tegen hem staan schreeuwen toen hij een ultieme poging deed om onder deze afspraak uit te komen. ‘Het is genoeg geweest, ik kan er niet meer tegen. Je had er allang geleden iets aan moeten doen!’

Vanuit haar standpunt bekeken kon hij het zich eigenlijk wel voorstellen. Zijn levenswijze hing haar de keel uit. Maar zeker was hij daar niet van. Ze had hem er ook van overtuigt dat hij er voor zichzelf heen moest, en hij was gegaan. Nu, na al die jaren van status quo, die door hem als bijzonder prettig waren ervaren. Aanvankelijk had ze zijn uitjes helemaal geen probleem gevonden. Ze was opgegaan in haar eigen leven met de kinderen en familie. Hij stelde zich voor dat ze zijn afwezigheid op zekere momenten wel kon waarderen. De bijeenkomsten op het kasteel hadden al haar aandacht gevraagd en hij leefde zijn eigen leven, op afstand van wat haar bezighield. Daar was verandering in gekomen toen de kinderen uit huis gingen, en zij zich meer met hem was gaan bemoeien. Hij kon nog maar sporadisch genieten van wat hij zijn avondje Casino Royale noemde. Weg van de realiteit en het publieke leven als jonkheer op kasteellandgoed ‘Terbreughe’, waar hij zo’n grondige hekel aan had gekregen.
Hij overwoog om het de therapeut straks voor te leggen, dat hij zijn hele leven al probeerde om iemand anders te zijn. Afstand te nemen van die gouden lepel, die hij verafschuwde, en zijn leven zelf ter hand te nemen, in plaats van de ongeschreven familiewetten en vaders harde hand klakkeloos te volgen. Maar hij vreesde de te pijnlijke conclusies die hierover ,na veertig jaar proberen, te trekken waren.
Hij voelde zich een zwakkeling.

casino royale

‘Ik durf te wedden dat u zich vreselijke zorgen zit te maken.’ De jonge vrouw was opgestaan en kwam naar hem toe gelopen.
‘Zorgen?’
‘Ja, zorgen,’ zei ze beslist, terwijl ze met haar ene hand op de rug van haar andere hand tikte.
‘U zit de hele tijd met uw handschoenen op uw hand te slaan’.
‘O, het spijt me als ik u daarmee geërgerd heb, dat was niet mijn bedoeling’.
‘Nee hoor, het kwam me juist wel bekend voor’.
De jonkheer kneep zijn ogen samen.
‘Dus u denk te weten wat er zich in mijn hoofd afspeelt? Dat doet vermoeden dat u aan de verkeerde kant van de deur zit’, zei hij, wijzend op het bordje ‘spreekkamer’.
Alsof de jonge vrouw zijn behoefte aan afstand voelde was ze twee stoelen bij hem vandaan komen zitten. Ze glimlachte en keek hem uitdagend aan.
‘Nou,’ vroeg ze nogmaals, ‘wedden?’

De handschoen.

(Deze hele week een (lang) kort verhaal in vijf delen.  Maak kennis met een jonkheer en zijn beslommeringen.)

‘Jacques Terbreughe, 66 jaar en in goede gezondheid zo te zien.’
Over het randje van zijn zacht blauwe titanium bril keek hij de jonge vrouw tegenover hem aan.
‘Ik lees het ook maar van uw doktersbriefje hoor’, zei ze, wijzend op het velletje dat hij voor haar op de ontvangstbalie gelegd had. Hij keek er mismoedig naar en stelde vast dat het er inderdaad stond. ‘In goede gezondheid’, had zijn huisarts, met zijn kenmerkende hanenpoten, boven het verwijzingsformulier geestelijke gezondheidszorg geschreven.
Zonder op de opmerking van de vrouw te reageren deed hij zijn suède handschoenen uit, trok de geruite shawl van zijn schouders en vouwde deze eerst in zijn schoot om hem daarna in zijn pet te stoppen. Het was onaangenaam warm in de verder lege wachtruimte waarin hij plaatsgenomen had. Moeizaam stond hij op om zijn lange stugge waxcoat uit te doen.
‘In stramme goede gezondheid’, dacht hij terwijl hij naar de kapstok liep en overwoog een stoel verder bij de balie vandaan te kiezen. Het wachtkamer meubilair kwam op hem nogal saai over en de kapstok was een goed voorbeeld van, ‘een natuurlijk element in een zakelijke omgeving’, zoals dat zo mooi genoemd werd. Het ding leek op een blank geschuurd kaalgeplukt stuk boomstam met stompjes van takken, waar je je jas aan op kon hangen. De muren van de ruimte waren wit, waardoor de zwart-wit foto’s in aluminiumlijsten extra afstaken tegen de achtergrond. Bij de kapstok hingen twee afbeeldingen van New York. Een toonde een bankje in het midden van de Brooklyn Bridge, hetgeen een zoete vleug jeugdherinnering in hem losmaakte. De andere, een afbeelding van de skyline van New York. Hij stelde vast dat het om een oude foto ging en vroeg zich af waarom deze nog niet vervangen was. De huiveringwekkende gebeurtenissen op de elfde september hadden zo’n jaar of vijf geleden plaatsgevonden, en hij vond het niet echt van goede smaak getuigen om de bezoekers van een praktijk als deze nu nog een uitzicht op dat verleden te bieden. Ze hadden waarschijnlijk genoeg aan hun eigen verleden. Zelf vergat hij zulke dingen het liefst.
De ruimte, met obligate plastic planten, bevreemde Jonkheer Terbreughe. Hij hing zijn jas op, vouwde zijn geruite pet met daarin de shawl in een van de zakken en nam plaats op een van de vrije stoelen bij de kapstok.
Ze leek hem een bemoeial, deze jonge vrouw.

suèdehandschoen
‘Ik bijt niet hoor’, zei ze terwijl ze half over de balie leunde en glimlachend zwaaide met zijn handschoenen. Zwijgend stond hij op en pakte ze van haar aan. Met het formulier en de handschoenen in zijn hand ging hij weer zitten op gepaste afstand van zijn belager.
Jonkheer Terbreughe was zenuwachtig. Hij was er niet zeker van of hij de juiste keuze had gemaakt om zich te laten verwijzen. Niet dat er andere opties waren geweest. Zijn vrouw Ella had hem weinig keus gelaten.

 

Poëzie op vrijdag

In het midden van de jaren tachtig reisde ik over de wereld en schreef gedachten en bevindingen op. Kijk ze nu terug en kom tot de conclusie dat er veel, maar ook heel weinig verandert is.

Aan mij en aan de wereld.

snelweg to heaven

17/9/’83
Bij de dood van Prinses Gracia van Monaco.

even maar
was het stil
een prinses
was dood
had gered kunnen worden

toen
ging alles verder

treinen reden
kroegen los
bakkers bakten
kappers knipten
en

1500 Palestijnen
werden
afgeslacht

 

27/2/’84
Geloof

Als de waterleiding
van Pontius Pilatus
net zo vaak
afgesloten
zou zijn geweest
als die
van mij
hadden
we
nooit
beter
geweten

 

5/10/’84
Moederkoek

walkman!
op noten
vol vuur

walkman!
in
crescendo

walkman!
muziek is
leven

walkman!
in je moederkoek
met oordoppen

walkman!
leven is
je
walkman!

 

7/10/’84
Pas(romheen in spé)

het bewandelen
van
rechte wegen
brengt
je
snel
bij doelen

afwijken
kan ook
je pas
versnellen

Bankman

Paulus Heylwolt had zichzelf altijd gezien als ondernemer, in hart en nieren. Hij was er na een aantal jaren ploeteren, vallen en weer opstaan, achter gekomen dat dit eigenlijk alleen maar de wens van zijn vader’s gedachte was geweest. Na de opleiding aan de Hogeschool Nyenrode in Breukelen waar hij zijn dispuutvrienden Corné, Carlo en Eljos leerde kennen, was hij, net als hen, ondernemertje gaan spelen maar teruggekeerd op zijn schreden. Opzoek gegaan naar een manier om de risico’s te vermijden en toch aan de benodigde financiën te komen. Dit had hem bij de bank gebracht. Het was zijn grote passie geworden. Hij genoot ervan. Elke dag. Ingebed in de zekerheden van meer dan goede arbeidsvoorwaarden, de bedrijven voorzien van financiering, om zo te kunnen beheersen en sturen. Terwijl hij met stevige tred voortliep voelde hij de rust enigszins weerkeren in zijn lijf. Hij kon zich mateloos opwinden over de domheid van mensen als het ging om de perceptie van het bankwezen. Zelfs tot binnen zijn vriendenkring hadden de ideeën over machtsmisbruik en corruptie echt wortel geschoten. Heylwolt vond dit een aperte misvatting en, indien hiertoe uitgedaagd, stak hij zijn mening niet onder stoelen of banken.

Bij de open haard van de business club gezeten had hem dat zojuist nog een hoog oplopend conflict met een aantal aanwezigen opgeleverd. De meeste daarvan waren ondernemers, met Corné van der Reyt , zoals gebruikelijk, als hun woordvoerder in het debat.
‘Paulus, luister, het is glashelder wat jouw klanten van jouw bank vinden. Iedereen luistert, kijkt mee en praat erover. En ik kan je vertellen; het stinkt! Ik zeg het je, zoals ik het laatst van een groot kunstenaar hoorde: Geef een man een pistool en hij kan een bank beroven. Geef een man een bank en hij kan de hele wereld beroven!’
Een Engels aandoend, instemmend ‘hear hear’ had zijn ergernis gewekt.
‘Gezien alle bedrijfsfraude van de laatste tijd ben ik blij dat ik aan de bankenkant zit. Ondernemers verkopen veel teveel gebakken lucht’.
Het was zijn uitdagende opmerking geweest die het tot dan toe kabbelende gesprek op scherp gezet had. Paulus Heylwolt hield van scherpe en snedige discussies. Het was de kortste weg naar zijn gelijk.
bankmandiscussie

Dimensies in doodgaan

als in een tijdje
niet gezien

verwoord

als enigszins
vermoord

als in
ver weg
maar toch
dichtbij
worstel ik

stroperige brei

van verdrietig missen
naar hierna
maals gissen
troost
grote woorden
slaan
bittere akkoorden

blij met
wat er is
alsof het helpt
bij gemis
ondanks
goedbedoelde interventies
ben jij
aan het
doodgaan
in
dimensies

(als missen -uitkijken naar- zou kunnen zijn,
wil ik je vooral -naar mij toe- kijken).
alpeD
http://www.bol.com/nl/p/schaduwfietsen/9200000030577461/
(De opbrengst van ‘Schaduwfietsen’ komt geheel ten goede aan het KWF).

zijn meisje

Met een zelfverzekerde tred kwam hij binnen. Zijn korte diepzwarte krullen dansend op het boord van een nonchalant dichtgeknoopt crème wit overhemd.
‘Waar kijk je naar?’
Mijn vriendin had het gebrek aan focus op haar verhaal in de gaten, en draaide zich een beetje om.
‘Mmm-mmm, goeie kop!’
Hij bleek Corné van der Reijt te heten, en was het epicentrum van een groepje studentikoze blaaskaken van middelbare leeftijd, die elkaar de loef afstaken met opschepperige verhalen en vernederende kwinkslagen. Ik schatte hem halverwege de veertig en hing net als dat groepje, zij het op enige afstand, aan zijn lippen als hij het woord nam. Hij gebruikte zijn handen als hij sprak. Hij had mooie grote handen. Verzorgde nagels. Een kleine tatoeage op zijn linker pols. Later, toen ik hem dacht te kennen, zei ik altijd tegen hem dat hij van die lekkere klauwen had. Ik klemde dan mijn kaken op elkaar en siste tussen mijn tanden tegen mijn eigen, selfmade, single man van de wereld. Dat was hij, selfmade en onberekenbaar.

Telefonerend, druk met zijn handen wapperend, reed hij zijn matzwarte BMW door Oud Zuid. Ik weet niet meer precies waar we waren toen hij ineens de auto parkeerde.
‘Ik moet je nog iets vertellen,’ sprak hij voor zich uit toen hij de verbinding verbroken had. Langzaam stroopte hij zijn linkermouw op en toonde me de vier letters van zijn tattoo.
‘Ze is mijn moeder niet’.
‘Ze is jouw moeder niet?’ vroeg ik verbaasd.
‘Wie zijn moeder is ze dan?’
‘Ze is niemand’s moeder, ze is negen jaar.’
‘Negen jaar?’
‘Ja, ze is mijn dochter, Vera, ik ga haar zo even van school halen.’

Ik herinner me nog dat ik verbijsterd naar hem keek terwijl hij zijn manchetknoop dichtdeed en de auto startte. Weet niet meer wat ik gezegd heb. Ik ben uitgestapt en heb zijn dochter niet gezien, die dag.

veratattoo

Fris Fries.

“Schnitzel en een halve liter”, antwoordt ze bedachtzaam.
“Vanmiddag was het wel druk. Veel Duitsers. Negentig procent van onze gasten zijn Duitsers”.
Het restaurant in Harlingen is nagenoeg leeg en ze zit blijkbaar om een praatje verlegen. Het antwoord op de vraag of het gesmaakt heeft wordt gesmoord in haar behoefte.
“En het is zo apart hè. De vrouwen drinken halve liters en de mannen wijn”.
Ze moet er een beetje om grinniken.

Bedachtzaam.
Voldoet goed als omschrijving voor haar manier van spreken.
Haar dikke Friese tong vouwt zich herkenbaar om de klinkers heen.
Een innige omhelzing zonder horloge.
Eentje die er de tijd voor neemt.
Medeklinkers aan de kant.
Nee, in het gareel.
Vrij baan voor de frisse Friese klinkers.
Kraakhelder en spatvrij.
Autonoom bijna.
De è van kèn nèt geeft de woorden bijna vanzelf hun betekenis.
Probeer het maar.
terschelling

Roep in een groep kennissen de è langgerekt en achteroverleunend en de kans is 50% dat je ergens kèn nèt hoort. De andere helft is het geblaat van geiten. Ik ken geen andere taal waar medeklinkers futieler zijn. Er niet toe doen. Door die innige omhelzing van tijdloze klinkers. Een schijnbaar eeuwig durend, hoorbare streling van tong en gehemelte. Alsof de rust die je op de boot naar Terschelling overvalt een stem gekregen heeft. Of beter nog, een klankbord. Zeg iets terug en je krijgt het weerkaatst in je gezicht: bedachtzaamheid.
Je gaat ervan opzoek naar tijd.

Niets dan goeds

“Hij hheeft ze voor een pprikkie kunnen kkopen…”
Geïrriteerd en vol ongeloof staart Carlo de spreker aan. Het begint hem langzaam te dagen dat hij niet de enige is geweest die weleens een verkeerd dealtje met zijn dode studievriend Corné gesloten heeft. De notaris die hier tegenover hem glimlachend met een biertje in de hand staat te stotteren lijkt te weten waarover hij spreekt.
“Hoe bedoel je, voor een p-p-prikkie?”
“Nou, zoals ik het zeg. Die huizen stonden allemaal onder water en via de curator kwam hem dat toevallig ter ore. De bewoners wisten zich geen raad meer en wilden alle vier van hun schulden af. Ik belde even met Paulus, je weet wel , Heywolt en de bank accepteerde een bod van iets meer dan de helft op de openstaande hypotheekwaarde. Onze dealmaker Corné, over de doden niets dan goeds, was het heertje in deze kwestie. Hier, de eigendomspapieren.”
“Dus ik moet godverdomme accepteren dat meneer zaliger mij postuum nog een oor aannaait van een half miljoen!?”
Enkele mensen in het zachtjes keuvelende gezelschap draaiden zich om zodat ze konden zien wie de serene stilte rond het haardvuur in Grand Café ‘de Waagh’ verstoorde.
proeflokaal_01
“In Groningen!”, tierde Carlo verder, “Mijnheer de briljante adviseur heeft mijn geld geïnvesteerd in vier huizen in de binnenstad van godvergeten Groningen! Dat zie ik nooit meer terug! Heb je er misschien ook meteen een telefoonnummer van de NAM bij? Dan kan ik bellen of ze misschien ook een fonds voor idiote investeerders hebben!”
Maak je niet zo druk Carlo”, sprak de notaris die zich zichtbaar ongemakkelijk voelde. “Alle bewoners zijn er inmiddels uit en je kunt er mee doen wat je wilt. Ik heb gehoord dat de verhuur voor studentenhuisvesting in die stad best een zakcentje kan opbrengen. Ik heb nog wel een vriendje die daar zijn makelaarspraktijk heeft. Hij kent die markt een beetje. Zal ik hem eens bellen voor je?”.
Voordat Carlo kon reageren werden ze onderbroken door het geluid van brekend glaswerk.

In de andere hoek van de gelagzaal zag hij hoe Corné’s vader geëmotioneerd tegen zijn zus stond te praten. Drank klonk door in zijn stem.
“Ik maak dat zelf wel uit! Het is verdraaid je eigen broer Tanja, je bloedeigen broer, dat kun je toch niet met een mantel bedekken? Hij heeft je jaren gewoon be-so-de-mietert! Je moeder vond ook altijd dat ik daar niets van mocht zeggen maar het is genoeg geweest. Hoor je me? Genoeg!”
Woest gebarend stapte hij richting de toog en brieste aldaar aangekomen om bier. Het “Nee, mijn glas is stuk”, ebde weg tussen het opkomende geroezemoes in de ruimte waar een sfeer van ongemak leek te ontstaan. Carlo wist waar de vader van zijn overleden studievriend het over had. Zelfs hij vond dat deze stunt van Corné geen schoonheidsprijs verdiende. Als beëdigt en toegewijd accountant had hij een fikse boete opgelegd gekregen voor het systematisch afromen van de rekeningen van enkele van zijn klanten door meer uren in rekening te brengen dan hij in werkelijkheid voor ze werkte. Inclusief het bedrijf van zijn zus.

Tanja stond wat verloren tussen de vrienden en kennissen van Corné. Ze kende bijna niemand afgezien van de freule met wie ze stond te praten. Van haar voornemen om middels zijn vrienden haar broer een beetje beter te leren kennen kwam weinig terecht. Zoals ze zich in de afgelopen jaren verwijderd had gevoeld van haar broer, zo ervoer ze het gezelschap nu ook. Vervreemdend en afstandelijk. Ze wist niet zeker of ze hem miste.
“Mijn lieve kind”, sprak de freule op moederlijke toon, “het zal wel een moeilijke tijd voor je worden, zo plotseling zonder je broer”.
Tanja keek de freule aan met een vertederde blik in de ogen.
“Ik moest je nog iets geven”, zei ze terwijl ze een enveloppe uit haar tas haalde.
“Heb dit al een poos geleden gevonden en loop er al tijden mee rond. Gewoon vergeten hoor. Corné had het laten liggen toen hij bij ons overnachtte”.
Tanja pakte de enveloppe aan en opende hem langzaam.
“Ik heb het ook gelezen”, zei de freule bedachtzaam, hij kon prachtig schrijven. Je broer hield veel van je, wist je dat?”
Tanja knikte afwezig. Ze vouwde het A4-tje open en begon te lezen.

Sparrenheuvel

Er was een Barend. ‘Ja joh’ Barend. Mongool op leeftijd, ijzersterk met een evenwichtsstoornis. Hij hield van fietsen maar dat ging niet meer zelfstandig. Een tandem bracht uitkomst. Ik voorop om te sturen en remmen. Barend trapte altijd door. Zo hard als hij kon. “Ho Barend! Ho!!” riep ik als we een stoplicht naderden. “Ja joh”. Om de week moest ik de remblokken vervangen. Raspend metaal op metaal. Dat kon zo niet langer. Onverantwoord. Er werd een driewieler geregeld. Marlies joelde hem vooruit. Barend stapte erop en gaf gas. “Ja joh”. Reed keihard tegen de muur van het tehuis en lag twee weken plat met een hersenschudding. Het ding bleek krom te zijn. Eenmaal hersteld fietste Barend eindeloos rondjes op de oprit. Hij kon het alleen en ging nergens meer heen. “Ja joh”. Op zaterdag harkten we zijn sporen uit het grind.
driewieler-volwassenen003

Er was een Marlies. Ik weet niet meer wat ze had of hoe ze het noemden. Minder begaafd, dat wel. Marlies was dol op seks. “Zullen we samen douchen?”vroeg ze me op mijn eerste werkdag. We braken ons hoofd over voorlichting en veilig vrijen. Marlies zat nergens mee. Ik trof haar in bed met Johan, een medebewoner. Op de vraag of ze het wel veilig deden kwam twee hoofden boven de dekens vandaan. “Nee joh, gekkie, hoeft niet want je krijgt alleen kindjes als je van elkaar houdt. Wij maken nog geen liefdeskindjes, we vrijen alleen, hè Johan?” Zijn hoofd was paars aangelopen.

Er was een Johan. Hij was normaal. Tenminste dat dacht iedereen als ze hem zagen. Het verstand van een klein kind met het uiterlijk van een grote stoere Viking. Ik heb veel vrouwen stuk zien gaan op Johan. Ze begrepen niet waarom hij niet van een wijntje hield. Of bellen blies door een rietje in zijn priklimonade als hij met ze afgesproken had. Hij kon wel goed luisteren en snapte gelukkig voor hem de helft van wat ze in zijn oor fluisterden. Johan was een goeierd. Hij bracht ze altijd netjes naar de bus als ze weer weg wilden. Dan zocht hij teleurgesteld zijn vriend Gijs op. “God ziet mij,” zei Johan. De vraag was hoe hij dat zo zeker wist. “Omdat mijn vader naast hem zit te wijzen.”

Er was een Gijs. Kwijlebak. De maat van zijn tong in geen verhouding met de mond die eromheen zat. Hing altijd buitenboord. Als je door Gijs gekust werd moest je douchen. Een verschoning aan op zijn minst. Tongzoen avant la lettre. Gijs hield van iedereen en daar kwam iedereen snel achter. Vrolijk, lachend, likkend, gillend, gekkend, kirrend, schreeuwend. Omhelst door een enorme smak vrolijkheid. Als we ijs gingen halen bij de Italiaan nam ik een schoon t-shirt mee. Voor Gijs. Soms had hij er twee nodig. We ruilden dan van shirt. In de bus terug lachte hij zich slap om zijn vieze shirt dat ik aan had. Knoeibezem was zijn favoriete woord. Wees op mij en gilde door de bus.

Er was een Jan. Mijn eerste baantje als hulpverlener. Kreeg meer hulp van Barend, Marlies, Johan, Gijs en anderen in een week dan tijdens mijn gehele opleiding. Zij kwamen niet uit boeken. Of tenminste niet uit de boeken die ik gelezen had. Vervangende dienstplicht in een gezinsvervangend tehuis. De dienstplicht kon me gestolen worden. Het gezin had ik voor geen goud willen missen. Ik zag er elk weekend blije ouders op bezoek.

Stilstaan.

Het dringt zich aan mij op. De vorige keer, zes jaar geleden, had ik er niet zo’n last van maar nu wel. Ik voel me een soort van half mens, niet voor de helft mens maar meer een half mens. Alsof mijn geest moet wennen aan het eigen lijf dat niet meer volledig intact is. Die andere helft heb ik bijeengespaard via de verzekering in de vorm van twee nieuwe heupen. Daar zit ook nog verschil in. De eerste heet de Brighton Hip Displacement, uitgevoerd in Gent door Dr. Koen de Smet. Het is een goed alternatief voor de bestaande heupoperaties maar niet iedereen gelooft daar nog in. Hij heeft pas 15 jaar ervaring en dat schijnt in de medische wetenschap nog geen enorme berg te zijn. De hersteltijd was erg lang maar het resultaat mag er zijn. “Die komt er nooit meer uit”, zei Koen me met een glimlach tijdens de laatste controle. “Succes met je fietsbel.” De populaire naam voor deze prothese. Dat was in 2009. Ik hoefde niet meer terug te komen. Jammer, want Gent is een mooie stad. Sindsdien laat ik bij ieder poortje op een vliegveld mijn paspoort zien en leg uit wat een fietsbel in mijn lijf doet en dat ik geen wapen in heb laten bouwen. Wat misschien zo’n gek idee nog niet is. Een BUK raket of zo.
Twee weken geleden kwam de andere heup. Gemonteerd via een Amis techniek(anterior minimal invasion surgery) in Ede door Dr. Kaptein dit keer. Ik weet zijn voornaam niet. De hersteltijd valt reuze mee en de techniek doet zijn naam eer aan. Of deze goed blijft zitten weet ik nog niet maar de voortekenen zijn veelbelovend. Voor de rest moet ik vooral herstellen van de hersteltijd, zo snel gaat het.
prothesepaspoort

Terug naar dat halve mens. In mijn speurtocht naar beleving omtrent reserve onderdelen in je lichaam kom ik een hoop halleluja tegen. We zijn blij dat we er nog zijn, het is een Godsgeschenk, mijn leven is opnieuw begonnen en meer van dit soort teksten. Ik ben blij dat ik van de pijn af ben maar om daar nou God op mijn blote knieën voor te bedanken. Ik pas ervoor. Ik geef betrokken chirurgen een ferme hand en prijs me gelukkig dat ze niet teveel drinken. Of in ieder geval niet voor mijn operatie. Alhoewel de darter van Barneveld ons leert dat je van een Baco’tje of twee een steady rechterarm krijgt. Maar dat terzijde. Ik ben tevreden met de dubbel in uitvoering tot nu toe.
In fysieke vorm gerepareerd zijn betekent blijkbaar nog niet dat je dat zelf ook zo voelt. Het letterlijk wankele evenwicht speelt me parten vermoed ik. Evenals enkele andere eigenschappen waarvan ik al wel wist dat ik ze heb. Ongeduld voorop. Alsof de beide helften van mijn lijf een geheel eigen bloedsomloop hebben gekregen en ik maar moet zien hoe ik een samenloop van die omstandigheden kan bewerkstelligen. Lichaam en geest opzoek. Naar elkaar. Het de tijd geven en er letterlijk bij stilstaan. Dat is nog een hele operatie.