Voorstelling

Het scherm op de achtergrond toont een hand, een hand met een potlood. Tergend langzaam veranderen de abstracte lijntjes, in de contouren van een gezicht. Het is de hand van een jongen met het syndroom van Down. Zijn moeder staat voor het scherm en vertelt. Over zijn geboorte en opgroeien. Over de reacties van haar dierbaren en verplegend personeel. Over haar eigen reactie en die van haar man.

‘Het kind achter de ogen’, is een voorstelling van de Israëlische schrijfster Nava Semel,  in 1988 voor het eerst opgevoerd. Nu, in de reprise, in het kader van wereld Down dag, wederom op de planken gebracht. Ik bekijk het in de Zocherlounge te Haarlem, een klein, intiem podium dat een naam begint te ontwikkelen in het tonen van ‘dingen die ertoe doen’, zoals de eigenaren het zelf verwoorden.(klik hier voor de link).Gedateerd, is mijn eerste gedachte, bij het verkennen van de inhoud. Maar ik vergis me. In de zaal zitten mensen, ouders van kinderen met het Down syndroom, die de geschetste omstandigheden als zeer actueel betitelen. Met name de getoonde reacties van verplegend personeel en artsen blijken herkenbaar. Het gesprek achteraf toont, dat er in onze huidige maatschappij, steeds minder geld beschikbaar is voor de specialistische verzorging die deze kinderen en volwassenen nodig hebben. Onze overheid gaat nog een stukje verder en volgt de Denen en IJslanders in hun beleid, namelijk, het voorspellen chromosoomafwijkingen voor de geboorte. Er ligt een wetsvoorstel op tafel waarbij de Nipt test gebruikt gaat worden. De Nipt test is een eenvoudig bloedonderzoek; een prikje in je vingertop en je weet binnen 3 minuten of het ongeboren kind een chromosomen afwijking heeft. Ouders voelen dit als een ontkenning van levensrecht van hun kinderen. In de race, een betaalbaar gezondheidssysteem te ontwikkelen, gaat de overheid voor hen veel te ver. De voorstelling geeft mij een indruk van de omstandigheden waarin deze mensen zich bevinden. Van de liefde voor hun kind en vooral van de onvoorwaardelijke liefde en levensvreugde van hun kind.

Ik word overvallen door een gevoel van eenheidsworst; de machine in en er als gehakt weer uit. Lang leve de maatschappij zonder uitzonderingen. Allemaal samengepakt in een kleurloze middenlaag zonder al te grote afwijkingen. In dat kader zouden we, zeker gezien de maatschappelijke kosten die ze met zich mee brengen, een test moeten ontwikkelen die een voorspellende waarde heeft op het gebied van financiële expertise en morele ontwikkeling. Zodoende kunnen we wellicht voorkomen dat aanstaande bankdirecteuren het levenslicht zien. Een kostenbesparende variant waar de overheid mee uit de voeten kan, me dunkt (Joris Luyendijk, eat your heart out).

Een vader verwoord zijn woede door te stellen dat de overheid het ‘hem het maar uit laat zoeken’. Waarom doet hij dat eigenlijk niet? Het uitzoeken. Zijn deze ouders, net als velen van ons overigens, dusdanig gepamperd door overheidssubsidies,dat ze denken zich een recht verworven te hebben? Ze gedragen zich als verwende kinderen die vasthouden aan wat er altijd geweest is en kunnen niet vrij nadenken over hoe het anders kan. Ik kan, zeer generaliserend, de zorgwereld nog niet echt betrappen op ondernemersgeest en vernieuwingsdrang. Desalniettemin zijn er al veel voorbeelden van een andere insteek bij deze uitdaging. Er wordt vernieuwd en zelfstandig nagedacht over de uitdagingen, die de zuinige overheid met zich mee brengt, voor hulpbehoevende doelgroepen, waarvan de kinderen met Down er één zijn.

kindmetdown

De hand op het scherm heeft de tekening bijna af. Het gezicht heeft kleur gekregen. De jongen met het Downsyndroom een stem. Een stem die gehoord mag worden maar ook een stem die zichzelf opnieuw uit moet vinden. Omdat ‘het kind achter de ogen’ een aanwinst is, een verbreding van ons kleurenpalet, waardoor de vraag een uitdaging wordt. Ik maak me er een voorstelling van.

Voor ons allemaal.

Klik hier voor meer informatie

Jenseits der Grenze

De vijftien foto’s, die ze van me namen, de Duitsers, liggen gestapeld op tafel. Als mijn geheugen in flarden beeld dat me, op het langzaam vergrijzend celluloid, meeneemt. Witte lokken brengen jouw naam naar boven. Christoff Werschkull. Dein partner von jenseits der grenze.

‘Hallo Jan, Christoff hier, wie get’s?’ Am Apparat een gedreven mens, flamboyant, aimabel en onberekenbaar. Zijn Deutsche gründlichkeit heb ik vaak voor onbehoorlijke bemoeizucht aangezien. Buitenaardse verkooptargets geïnterpreteerd als pogingen tot afpersing. Ik wil je daarover nog iets uitleggen, Christoff, een laatste woord wijden aan mijn misverstaan.

Met de groep verkopers lopen we langs de oevers van de Bodensee. Zwitserland kijkt toe vanaf de overkant. Je bent jarig en hebt, na teveel bier en schnitzel, eindelijk tijd gemaakt om het cadeau in ontvangst te nemen.

‘Na Jungs, kommt zeig es mir endlich!’ De stemming is jolig, jongensachtig en er hangt ongein in de lucht. Brallend over de promenade vervolgt de groep haar weg in de richting van waar ik slechts landerijen vermoed. Meegenomen naar de aangekondigde Überraschung die de boys voor je bedacht hebben. Binnen de groep mannen is het niet uitgesproken, maar de wereld is vannacht van hen. De nachten zijn hier anders, jenseits der Grenze. Er staat een huis, een huis alleen. Boven de voordeur schijnt het flauwe licht van een schommelende buitenlamp, die jou van bewegende schaduw voorziet wanneer je aanbelt. Op een meter of tien kijken we toe. In de deuropening verschijnt een oudere vrouw wiens gestalte contouren krijgt door het gekleurde licht, dat haar van achter beschijnt. Breed lachend kijk je om en steekt je middelvinger naar ons op terwijl je naar binnen loopt. Joelend en fluitend strompelen de dronken mannen rond het huis, als een roedel wolven in afwachting van het weerkeren van hun leider. Op de eerste verdieping gaat een raam open.

‘Verdammt nochmal, kommt rein oder haut ab!’

Als we, een uurtje later, terugwankelen naar een Kneipe die nog open is, kom je naast me lopen en slaat je hand om mijn schouder. De lantaarns langs de straat maken jouw lokken zwart-wit. Je informeert wanneer ik jarig ben, ik lieg erover omdat ik bang ben ook zo’n cadeau te krijgen. Je vraagt me naar de foto’s. Hoeveel er van mij gemaakt zijn.We hebben het er vaker over gehad met telkens hetzelfde resultaat; je werd er furieus over en raadde me aan ze gewoon weg te smijten.

‘Die Autobahn’, zei je altijd, ‘ist da zum fahren, nicht zum spazieren.’

boete-flits

Ik heb ze nooit weggegooid. Ze liggen hier voor me, de foto’s. Geportretteerd tijdens snelheidsovertredingen op de Duitse Autobahn. Ik zie mezelf, duidelijk zichtbaar achter het stuur, terwijl ik het gevoel probeer terug te halen. In de hoogste versnelling raas ik door de tijd dat ik je meemaakte. Sta stil, bij de auto’s die je versleet, je gouden kettingen, de vrouwen die je kaapte, jouw uitspraken, de ongekende levenslust waarmee je mij overviel.

‘Hallo Christoff, Jan hier, dein partner von jenseits der Grenze.’

Feiten

Vanwaar ik zit, zijn ze goed te zien, de vrouwen aan de lange tafel. Ze zijn met acht, en twee mannen. Drie mannen eigenlijk, maar de derde is vooral gespreksonderwerp. Heico, zo heet hij,zit niet aan. Ik kan ze goed verstaan, steeds beter naarmate tijd verstrijkt, niet perse omdat ik dichtbij zit. De vrouwen lijken op elkaar. Vier van hen zijn, ingeschat, in leeftijd tussen de veertig en vijfenvijftig, allen een variatie op eenzelfde thema. Hoogblond, zwarte kleding met een vestje, in zachte tinten roze, grijs, zilver of beige. De kleding zit her en der wat strak, vooral ter hoogte van boezems.De andere vrouwen aan tafel zijn jonger en wijken af, qua kleding en uiterlijk. Ik schat in dat het hier om een kerstdiner gaat waarbij de focus gedurende het verloop van de menukaart een beetje verschuift.

menukaart-kerstdiner

De derde man,één van de vrouwen schetst zijn achtergrond. Heico is een probleemcollega die, zo te horen, niet voor niets verstek heeft laten gaan. Hij zit thuis in de ziektewet en dat is, getuige de levendige schets van de vrouw, niet voor het eerst. Haar beknelde, meebewegende borsten zetten haar woorden kracht bij.
De mannen aan de tafel nemen hun taak serieus, en schenken nog eens bij. Beide in stemmig donkerblauw gekleed, knikken ze op tijd, zeggen op tijd ‘O,ja?’, lachen desgewenst vriendelijk, en betrekken afdwalers en wegdromers charmant weer bij het gesprek, dat inmiddels de gehele tafel bestrijkt. Dit onder de bezielende leiding van de blonde vrouw die de inleiding verzorgde, maar haar plaats op het spreekgestoelte in het midden van de tafel, niet meer af lijkt te willen staan. Zij en Heico hebben de degens al eens eerder gekruist. Tot aan de rechtbank toe heeft hij haar het leven zuur gemaakt, met zijn niet reële eisen, vulgaire grappen en vage klachten. De tafelgenoten buigen zich na haar oratie in kleine groepjes uiteen en bespreken de onmogelijkheden van functioneringsgesprekken, coaches op de werkvloer, Arbo omstandigheden en seks met de baas. Dit laatste onderwerp hoor ik niet later meer terug in de plenaire vergadering. Als de werkgroepjes de feiten op een rijtje hebben neemt de voorzitster wederom het woord.
‘Hij heeft me gezegd dat hij wel weer terug wil komen, wip op de dertigste even langs, was zijn mededeling. Stuurde me een mailtje, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.’
De vergadering wordt onrustiger en rumoerig, de gastheren schenken nog eens in.
“En dan ook zo’, ze hapt even naar adem, ‘zo geniepig, zo gluiperig, vlak voor de deadline!
Met een samengebalde vuist knijpt ze haar servet tot moes en veegt iets uit haar mondhoek.
‘De vorige keer heeft hij me dat ook al geflikt. Het is een ellenlang traject geweest, tot de rechter aan toe. Daar kun je ook niet meer op vertrouwen, is mijn ervaring. Flapdrol’.
De mannen schenken grinnikend nog eens bij.
‘En dat zijn dus gewoon de feiten he?’, zegt de voorzitster, terwijl ze de tafel rondkijkt. De vergadering knikt terug.
Ik wacht het verdere verloop van het kerst bacchanaal niet af en loop langs de lange tafel naar de uitgang. In het voorbijlopen zie ik dat een van de nieuwkomers een kerstgeschenk naast haar stoel op de grond heeft gezet. Een wijndoosje met een kaartje van hun bedrijf eraan.
‘Pro feit’ staat erop.
Ik geef Heico slechts de schijn van kans.

de handschoen(slot)

Abrupt stond hij op van zijn stoel.
‘Uw diensten,voor een paar suède handschoenen?’
De jonge vrouw draaide zich naar hem toe en keek hem glimlachend aan.
‘Ja, en de etiquette van een goede weddenschap schrijft voor dat u elk bod dat gedaan wordt moet aanvaarden. Zeker wanneer dit een heer van stand als uzelf betreft.’
‘Akkoord’, sprak hij aarzelend,’Als u het zo wilt’.
‘Mooi, dat is dan afgesproken’. Ze liep naar de deur waar ‘spreekkamer’ op stond. Toen ze er vlakbij was, draaide ze zich half om en keek hem aan.
‘Is het nou waar? Van die subsidie?’
De jonkheer bedacht dat deze vrouw enkele kwaliteiten bezat die hij doorgaans alleen bij de freule ervoer. Hij kon ineens geen reden meer verzinnen om haar een antwoord te onthouden.
‘Nee mevrouw, het is niet waar’, zei hij, terwijl hij langzaam van zijn ene voet op de andere bewoog. ‘Er is sprake geweest van ernstige vormfouten in de behandeling van de aanvraag, die over het hoofd gezien zijn door de controlerende instanties in Brussel. Volgens vastgelegd protocol wordt dan eerst de verkregen subsidie teruggevorderd, nog voordat er uitgebreid onderzoek verricht is. Aangezien er niets terug te vorderen viel, is er in dit geval beslag gelegd. Het is een beetje de omgekeerde wereld, waardoor meneer Van ‘t Hek gelijk denkt ons naar het rijk der fabelen te kunnen verwijzen. Het tegendeel is hier echter aan de hand. Het is nu aan ons om onze onschuld te bewijzen”.
‘En?’
‘En wat?’
‘Kunt u uw onschuld bewijzen?’
Langzaam liet Terbrueghe zich in een stoel zakken.
‘Dat is een verdraaid lastig verhaal mevrouw, de vergissingen van ambtenaren in Brussel zijn moeilijk aan te tonen. Daar hebben ze eindeloze commissies van beroep voor in het leven geroepen. We mogen al blij zijn als we er uiteindelijk zonder boetes vanaf komen. Onze advocaten hebben het er momenteel druk mee.’ Flauwtjes glimlachend tikte hij met zijn handschoenen op de rug van zijn hand.

De deur van de spreekkamer zwaaide open en een breedgeschouderde man in een donkerblauwe overall verscheen in de deuropening. De jonkheer zag hoe de jonge vrouw verwachtingsvol naar de man keek.
Met een oude smoezelige lap veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.
‘Zo mevrouwtje, dat probleem is verholpen. U bent verlost van de tropische temperaturen, en de verwarming werkt weer naar behoren. Als u hier even de werkorder ondertekent, dan ziet u de factuur wel via de mail verschijnen van de week.’
Hij wapperde met een papiertje dat ze uit zijn hand pakte en meenam de spreekkamer in.
Terwijl hij geduldig wachtte zette de man zijn gereedschapskist op een van de stoelen, en nam de jonkheer van top tot teen op.
‘Die gaat u hier niet nodig hebben’, zei hij wijzend op zijn handschoenen. ‘Of is zij er misschien eentje die je niet zonder kunt aanpakken?’
De jonge vrouw verscheen weer in de wachtruimte en gaf de man het briefje. Gniffelend om zijn eigen gevatheid pakte hij zijn spullen bij elkaar en liep naar buiten.
De groezelige lap hing een stukje uit de achterzak van zijn overall.
‘Hartelijk bedankt voor de snelle service,’ riep ze hem na en richtte haar blik op de jonkheer.
‘En?’ sprak ze glimlachend, ‘wilt u nog van mijn diensten gebruikmaken?’

schaamte

Spiegelbeeld

(Bij mijn kapper is onlangs voor de zoveelste keer ingebroken. Er wordt telkens veel vernield maar niets gestolen. Hieronder zijn beroeps-gedeformeerde commentaar.)

“Ha ja, verknipt in laagjes, zo wordt ik ook weleens genoemd. Ik kan het hebben hoor, permanent op mijn qui-vive als ik ben voor dit soort uitwassen van de menselijke geest. Ze weten niet echt wat ze ermee aanrichten hè, de stakkers met hun wilde haren, eigenlijk om heel erg meelij mee te hebben, zo’n dwangmatige fixatie op andermans leven.

Ik bedoel, wie, met het goede verstand onder de donkere krullen, doet er nou zo iets? Dan moet je toch zeker slecht zijn tot in je allochtone haarwortels! Ik zeg het je, het zijn eigenlijk zulke kleurloze figuren, daar helpt geen spoelinkje meer tegen hoor. Ik zou ze graag eens in deze stoel willen zetten en vragen: Zeg darling, wat heb je zelf in gedachten? En ze dan zonder pardon in de glasheldere spiegel laten zien dat verknipt in laagjes echt het beste bij ze past hè, ik kan het weten hoor en bovendien; als je door mij geschoren wordt kun je beter stilzitten. Revitaliseren, die hele handel! Tsss, ik bedoel, om helemaal opgeknipt van te raken toch?

Normaal ben ik niet zo rancuneus hoor maar dit is nou al de vierde keer in twee weken! Toen ik het vanochtend zag, je zou de extensies uit je haren trekken. En slapen doe ik ook al nauwelijks meer.

Na zoiets wil je er alleen nog maar van weglopen, geloof me, even helemaal er tussenuit en slechts dromen van warme föhnen en weelderige watergolven. Maar ja, dat tropisch eiland blijft meestal onbewoond hè. Ach ja, het is nou eenmaal een dun lijntje tussen geknipt en verknipt zullen we maar zeggen.

Goed, lieverd, kijk eens even naar jezelf.

Like what you see?”

alsjehaarmaargoedzit

Meneer van IJkelenburg

“Nee hoor mijnheer, dat wordt hier allemaal voor u gedaan”, zegt ze op mijn vraag of ik me van tevoren had moeten douchen met desinfecterende shampoo. Het antwoord lucht me op. De geur van die roestbruin gekleurde rotzooi zit voor eeuwig in mijn reukgeheugen verankerd. Het doet me denken aan de lange ziekenhuisgangen die me als klein kind paniekaanvallen bezorgden. In België, zes jaar geleden, moest dat wel. Ik stond te janken onder een douche van Lysol voordat ik een nieuwe heup kreeg. We zijn zes jaar verder en schrijven deel twee. De ander heup is aan de beurt. In Nederland dit keer. Met eenzelfde wedstrijdspanning in mijn lijf ben ik het ziekenhuis binnengelopen en heb een blauw te kort operatiejurkje aangetrokken. Het is negen uur in de morgen en ik wordt weggereden door twee verpleegsters naar de operatiekamer. Klim op de operatietafel en wordt als een soort liggende Jezus vastgesnoerd en aangesloten op allerlei systemen. Aan de muur hangt een lichtbak met een röntgenfoto  van mijn heupen . Een vernieuwde van metaal en een versleten van mijn eigen materiaal. De chirurg zet een kruis op het goede been en knikt. “Mooi roze”, is zijn commentaar. Als ik me lig af te vragen wat hij daar precies mee bedoeld slaat de anesthesist toe. Ik ben weg.
“Ha, hier wordt iemand een beetje wakker, hoort u mij?”
“Wilt u misschien een water ijsje? Welke smaak?”
Tussen de twee vragen zit minstens een half uur maar ik ben de anesthesie nog aan het verwerken. Het wordt bosvruchten. Het voelt lekker koel en vochtig.
“Wat is er met je been? En waarom is dat helemaal zo gedaan?” Ik kijk niet begrijpend naar mijn been en weet het antwoord niet. Over de gang zie ik mensen voorbijlopen met roze benen en krukken.
rozebeen
Vanuit de weelderige wereld van morfine voer ik een aan flarden geschoten gesprek met mijn partner die aan mijn bed staat. De nacht na de operatie is er een die ik deel met de nachtzuster. Elk uur komt ze als een vuurvlieg met een zaklamp de kamer binnen om te kijken of het goed met me gaat. In de vroege ochtend begin ik te beseffen dat alles gelukt is. Bevangen door de euforie van opluchting sta ik voorzichtig naast mijn bed en wordt er snel weer in terug gekieperd door een verpleger. Euforie is een gevoel, geen realiteit. Hij veegt het klamme zweet van mijn hoofd en kijkt naar een mededelingenbord aan de muur. Mijn buurman is opa en zijn kleindochter heeft iets liefs voor hem opgeschreven. De verpleger concludeert dat hij het niet eerlijk vindt dat ik zoiets niet heb. Ik protesteer dat ik geen opa hoef te worden.
“Wat dacht je van kunst, kun je het meenemen want ze betalen tegenwoordig miljoenen voor die dingen”. Hij doelt op de kunstaankoop van Nederland en Frankrijk wat zijn voorstellingsvermogen enigszins te boven gaat. “Volkomen inhoudsloos”, is zijn commentaar. Langzaam tekent hij zijn bijdrage op het bord.
“Hier heb je kunst met inhoud. Zal er de waarde bijzetten, dan heb je er nog wat aan als je weer kunt lopen”.

IJkelenburg
.

Lucht.

“Godverdomme!”
Stampvoetend  staat de chauffeur te vloeken voor de deur van het eenzame huis. In zijn handen blazend schildert hij lijzig witte sporen op het doek van de donkere avond. De motor van zijn geparkeerde blauw gele vrachtwagen bromt onheilspellend op de achtergrond.
Hij wil naar huis. Zijn dag zit er bijna op.
De vlakte om hem heen ziet er weinig uitnodigend uit. De gevlekte kale berkenbomen steken stamloos uit de sneeuw. Alsof iemand er een aantal afgezaagde takken rechtop in heeft gezet om het wijde niets van decoratie te voorzien. Ondanks de temperatuur in de winter is hij blij dat hij de drukte van Stockholm achter zich gelaten heeft. Deze baan in de eenzaamheid van Noord Zweden bevalt hem stukken beter. Hij is eraan gehecht geraakt. Daar, in de hectische stad, nam hij zijn werk mee naar huis. Als bewaker verdronk hij in zijn eigen nachtelijke hersenspinsels. Hij werd er angstig en achterdochtig van. In samenspraak met de korpsleiding had hij zich laten omscholen en was verhuisd.

“Kom op, kom op”, mompelt  hij voor zich uit terwijl hij voor een tweede keer op de bel drukt. “Waarom doen jullie niet gewoon open?”
Het zwakke schijnsel van licht door een venster doet hem besluiten te gaan kijken. Zijn laarzen breken krakend het oppervlak van de bevroren sneeuw. Hij zakt een stukje weg in elke stap. Langzaam beweegt hij zijn gezicht voor het raam en probeert iets te zien door de dikke vitrage van vastgevroren sneeuw en ijskristallen. In het zwakke schijnsel van een lamp ontwaart hij achterin het huis de contouren van twee mensen die aan tafel zitten. Licht voorovergebogen leunen ze naar elkaar toe. Ze lijken in gesprek . Hij klopt op het raam maar er volgt geen reactie. Ze hebben hem blijkbaar niet gehoord.
Krakend over het hard witte dekbed om het huis stelt hij vast dat alle luiken hermetisch afgesloten zijn. Voor een derde keer belt hij aan en luistert naar de wegebbende echo van de deurbel in de gang. Dan loopt hij terug. Rondom zijn vrachtwagen hebben de walmende uitlaatgassen een wit grillig zwevend laken uitgespreid. In zijn warme cabine steekt hij een sigaret op en schud zijn hoofd. Alsof hij de plots opkomende gedachten probeert uit te bannen. In zijn binnenspiegel bekijkt hij zijn gezicht. De opgloeiende sigaret brengt kleur in zijn bleke gelaat. Hij heeft geen zin om morgen dit ritje nog eens te moeten maken.

Net als hij is uitgestapt om een laatste poging te ondernemen hoort hij iets dat zijn aandacht trekt. Langzaam nadert een vaalgele Volvo  de plek waar de chauffeur zijn truck geparkeerd heeft. Een man stapt uit. Hij draagt een dikke bontjas.
“Ik heb al aangebeld en op het raam geklopt maar ze reageren niet”, zegt de chauffeur terwijl hij naar het huis wijst.
“Die gaan niet opendoen hoor. Ik heb ze gister opgeblazen”.
Niet begrijpend kijkt de chauffeur de bontman aan. Achter hem verkleurd de lucht. Alsof een maniakale toneelmeester de gordijnen naar willekeur opent en sluit. De man draait zich om en bekijkt aandachtig de voorbijschietende tinten aan de sterrenhemel.

noorderlicht
“Zo zie je het niet vaak, wat is het toch een schitterend fenomeen”.
“Ze hebben meubels van Ikea besteld”.
De man ontbloot zijn tanden. In slow motion gaan zijn mondhoeken omhoog.
“Dat was ik zelf hoor”zegt hij grinnikend ,”Zij zijn een trucje. Stuk goedkoper dan bewaking en net zo preventief. Opblaaspoppen. Ze verrekken het alleen om te helpen sjouwen. Kom op kerel, gooi de boel maar los. Ik zal de voordeur voor je opendoen”.

Letters

“In de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, amen”.
Met een plof sloeg hij het dikke boek dicht en knipoogde naar me voordat oma aan het gebed begon. Het toetje, yoghurt, gele vla en aardbeien op zware siroop, moest wachten. Het lag zwaar op de maag weet ik nog. Iedereen aan tafel sloot de ogen behalve opa en ik. Biddend trok hij gekke bekken naar me en we deden allebei ons best niet in de lach te schieten. Daar was oma niet van gediend.
Als zesjarige raakte ik in de ban van dat dikke boek.
“Verzin je dat allemaal zelf opa?”
“Nee jongen,het staat in dit boek geschreven en ik lees het voor”.
Wat me opviel was de enorme hoeveelheid letters op een kleine oppervlakte. Het flinterdunne papier leek er loodzwaar van te worden. In de groepjes letters zat een verband waar ik de vinger niet op kon leggen. Het meest intrigeerde me de ruimte tussen de regels. Soms gescheiden door een onmetelijk uitgestrekte witte vlakte voor er weer een nieuwe begon. Ik vulde in naar eigen inzicht. Fantaseerde goedaardige monsters met kamerbrede gekartelde vleugels die er tussendoor vlogen en de letters door elkaar gooiden.

letters1

Met mijn benen bungelend over de rand van de kade zaten we te vissen op zondagmiddag. Mijn vader en ik. Het amen van de dominee had lang op zich laten wachten die ochtend en ik verlangde naar ruimte. Bevrijding van de harde beklemmende kerkbanken. Het water in de gracht was bedekt met kroos en we vingen niks.
“Kunnen vissen lezen pap?”
Met de punt van mijn bamboe hengel oefende ik letters in de groenige drab. Letter voor letter tekende ik langzaam een uitnodiging voor de onzichtbare zwemmers om mijn middag te versieren. Als er bijna ‘eten’ stond waaide de wind mijn boodschap uit elkaar. De letters vervormend tot fantastische monsters die zich sierlijk door het glooiende groene landschap bewogen.
Eén keer bleef de boodschap hangen. Geconcentreerd schreef ik met mijn penseel drie zwarte letters op het groene papier. Van linksonder naar rechtsboven en met een krul recht naar beneden, een lusje naar rechts op het eind.
Dan bovenaan beginnen, naar beneden en met een bocht weer recht omhoog en dezelfde weg terug. De laatste letter als de eerste. De wind was mij goed gezind. Wat begonnen was als een minuscuul fluisterwoordje waaierde langzaam uit tot een schreeuw van formaat.
“Waar leer jij dat soort woorden?”, vroeg mijn vader boos.
Ik had het mijn oudste zus tegen hem horen zeggen.
‘Lul’, dreef schuldig door de gracht.
Zoveel ruimte was er niet tussen de regels.

Roesje

Ik kom bij. Langzaam worden de mistige contouren van een kamer geplooid tot herkenbare lijnen en vormen. Tussen wegzakken en helder zijn door besef ik dat de operatie klaar is. Ingesnoerd lig ik in een soort grote broek die me behoed voor verkeerde bewegingen zodat mijn lijf kan wennen aan mijn nieuwe heup. Binnen handbereik hangt een zakje met een pompje eraan. Navraag leert me dat dit morfine betreft tegen de pijn. Die is wel te doen maar morfine ontbreekt nog op mijn lijstje van verdovende ervaringen. Ik gebruik het pompje en geef zo kleur aan de verder saaie kamer. Herkenbare lijnen en vormen vervagen en ik keer terug naar mistige contouren. Er speelt een muziekje door mijn hoofd.

Ik haat ziekenhuizen. Kotste vroeger elk ziekenhuis onder. Men verdacht mij van epilepsie maar het bleek met een hoge gevoeligheid te maken te hebben. Zo dweilde ik menig hospitaal door opzoek naar een uitweg. Eenmaal naar buiten gesleept knapte ik weer op. Ik werd eens geopereerd aan mijn neus. Toen ik bijkwam stond mijn vriendin aan het bed en keek me bezorgd aan. “Mijn god, als dat maar weer goed komt”, sprak ze. Ik vroeg onmiddellijk om een spiegel en deelde haar vrees. Rocky in het kwadraat. Maar het kwam goed, mijn neus stond weer recht en ik wankelde het ziekenhuis uit.

Zwakke heupen. Het zit in de familie. “Het heeft niet echt geholpen dat u zoveel gesport heeft”, zei de chirurg tegen me. Ik ben er de man niet naar om om te zien in wrok. Mijn opa liep al zolang ik hem kende met een stok. Hij moet helse pijnen gekend hebben en ik besef nu dat de momenten die we deelden voor hem een verlichting betekenden. Ik nam altijd een stevige borrel mee. De medische wereld boekte sindsdien vooruitgang en ik hoef nog maar een week of zes met krukken te lopen. Zelfs de noodzaak voor die borrel is er niet meer. Ik doe niet alles uit noodzaak.

De kliniek waarin ik herstelde is een oud Gents herenhuis waar vroeger een Italiaans restaurant in was gevestigd. De man en vrouw die nu de kliniek bestieren waren vroeger de eigenaren. In de kelder is de ruimte voor de fysio en het zwembad. Dan twee verdiepingen kamers en bovenin het Italiaanse restaurant waar je alleen via een trap kunt komen. Dit bevorderde het herstel aanzienlijk. Leerde traplopen met krukken in no time. Ik nam op de eerste dag de lift naar beneden voor oefeningen in het zwembad. Bij binnenkomst zag ik de verbaasde blikken die men mij toewierp toen ik mijn badjas uittrok en ik werd teruggestuurd. In de roes van resten morfine was ik vergeten een zwembroek aan te doen. De fysiotherapeute die mijn been behandelde keek me meewarig aan. Ze probeerde mijn olifantsbeen van vocht te ontdoen. “We zijn het wel gewend mijnheer”, zei ze,”den Hollander is over het algemeen iets ambitieuzer”. Ik deed teveel en kon te weinig. Het restaurant op de bovenste verdieping liet op zich wachten. Daar ben ik niet goed in, wachten. Ik droomde van fietsen door weidsheid, lang wandelen in eindeloze bossen en grote borden spaghetti.

Soms ben ik blij dat er van allerlei dingen twee zijn. Het is handig dat we twee handen hebben. De akoestiek verbeterd aanzienlijk bij beschikbaarheid van twee oren. We omarmen warmer met twee armen. Minder blij wordt ik van het besef dat ik twee heupen heb. Over een maand is de andere aan de beurt. Ik heb mijn hoop gevestigd op een pompje.

Ben and Jerry

“Laten we een weekend weggaan, dan vragen we Lynn en Mitchel mee. Kunnen we lekker wandelen voordat jij die wedstrijd hebt, de accommodatie is spotgoedkoop”.

In Breckenridge, Colorado verzinnen ze een experiment met een triatlon waar ik aan meedoe. Het is een wintersportoord dat in de zomer hevig haar best moet doen om te overleven. De protserige en blinkende Amerikaanse skigebieden in de Rockies staan me soms tegen.
Door de volgorde om te keren wil men de race een apotheose bezorgen in en rond hun nieuwe zwembad. Dit pakt nogal anders uit dan beoogd.
De studiegenoten en mijn vriendin gaan mee en op de heenweg geeft ze hen uitleg over ons verblijf.
“We’ve rented a condom, zegt ze al kaartlezend naast me in de auto, “ and it fits all four of us”.
In de binnenspiegel zie ik twee paar ogen groot worden en na wat taalkundige verwarring is de hilariteit compleet. ‘Condo’ blijkt de juiste afkorting voor het appartement dat we gehuurd hebben. We passen er inderdaad gemakkelijk in met vier personen. Amerikanen denken nu eenmaal anders over ruimte. Als je in hun land geweest bent begrijp je hoe dat komt.
Wij leven in Nederland op een postzegel met heel veel mensen.

De wedstrijd begint met tien mijl hardlopen een berg op en af waarna het fiets traject van 65 mijl over een pass naar het zwembad leidt. De organisatie heeft buiten de omstandigheden gerekend. Het is koud en bovenop snijdt een sneeuwstorm door de getrainde ledematen van de schaars geklede atleten. Hoe ik beneden kom weet ik niet. Ik moet elke 5 kilometer afstappen om nog bloed richting mijn handen te krijgen want ik kan niet meer remmen. Bij aankomst in het zwembad ben ik volledig bevroren en zoek hevig rillend mijn weg.

sneeuwfietser-900

Als ik met de fietsschoenen nog aan verdwaasd in het verwarmde bad ronddobber zie ik om mij heen mijn diepgevroren lotgenoten drijven. Niemand is meer in staat tot bewegen en we proberen niet te verdrinken tijdens het ontdooien. Men besluit het zwemmen als onderdeel voor de uitslag te schrappen en ik eindig verrassend hoog. Zwemmen is mijn zwakste onderdeel.
De winnaars van deze race gaan de rest van het seizoen door het leven als Ben and Jerry.