Gewist verleden

Hopend op een beter idee  zet hij zijn handen in zijn zij. Gedachten dwalen door zijn hoofd als de wolken langs de mand van de luchtballon waar hij in staat. Er schiet hem niets te binnen. Hij leunt voorover en probeert te lezen wat er op de zijkant staat.`Een keuken op hoog niveau`, stond er in de folder. Je kunt er met acht mensen in dineren. Ze zijn met zijn drieën. Vier, als je de ballonvaarder meetelt. Vijf. Er is ook een kok.
“Haute cuisine,” grapt de ballonvaarder. Ze blazen in een volle vissoep met heerlijke schelpdieren en clams, strandgapers in goed Nederlands. Een zoete sekt om ze weg te spoelen. De ballonvaarder weet ook hier een slechte grap over. Zijn vader en moeder vinden het fantastisch.

Het moest er een keer van komen. Paul Johannes Verborg had het zijn ouders beloofd. Op deze manier zou hij zijn geboortedag uit het jaar 1939 nog eens met ze vieren. Nu kon het nog. Het was een dag van herinnering voor de Duitsers van toen. Wat ze herdachten heeft hij niet onthouden. De vijftig jaren sindsdien zijn voorbijgevlogen. Zijn ouders zeggen het ook niet meer te weten. Van zijn moeder kan hij het zich wel voorstellen. Ze kan zelfs niets meer terughalen van Paulus’ geboorte.
“Ik ben  jouw verwekking ook vergeten”, grinnikt ze met haar mondhoeken omlaag. Zijn vader nipt zwijgend van zijn glas. Haar verzorgers wijten het aan de voortschrijdende dementie maar zelf denkt ze dat ze het gewoon vergeten is.
“Ik heb een slijtlizenz”, zegt ze glimlachend terwijl ze haar glas ophoudt. Over het geheugen van zijn vader is Paul onzeker. Hij  is altijd een zwijgzame man geweest en op vragen over die tijd was er meestal een ontwijkend antwoord. Als hij er al naar gevraagd heeft. Het onderwerp is in de loop der jaren onbespreekbaar geworden. Weggemoffeld. Als de ballon over de bunkers van de waterlinie zweeft tuurt de oud geworden man lang uit over de vervlogen geschiedenis die zich onder hem openbaart.
“So ziet het er ganz anders uit”, zegt hij zachtjes.

“Ik moet jullie iets vertellen”, zegt Paul als de soep op is. Ze kijken hem verwachtingsvol aan.
“Ik ga die bank beroven”.
De kok verdiept zich in het hoofdgerecht. De ballonvaarder draait het gas open. Ze stijgen.
“Ik loop naar binnen en neem onder bedreiging van een automatisch geweer mee wat rechtmatig van mij is. Er vallen geen gewonden. Ik gijzel de bankmedewerkers en hun klanten. Het zal misschien een paar dagen duren.”
Zijn vader kijkt hem meewarig aan.
“Die bank? Daar kom je nooit mee weg Johann en bovendien, het is het niet waard. Het ist maar papier. Laat het roesten”.

Paul’s handen omklemmen de reling van de mand waarin het gezelschap door de lucht vaart.
“Voor jou is het verleden Pappa, maar voor mij is het die zukunft. Ik wil zo niet verder door het leven. Die verklaringen over dat hakenkreuz wegen me te zwaar.Ze gaan me ermee chanteren als jullie dood zijn. Ik wil jouw leven niet voortzetten, ik wil mijn eigen leven beginnen.”
Hij pakt de fles sekt en schenkt zichzelf en zijn moeder nog eens bij.
“Ik loop gewoon naar buiten met wat mij toekomt. Met wat uns toekomt en niemand zal me tegenhouden, achtervolgen of komen zoeken. Daar zorgt Herr Direktor wel voor. Ik vermoed dat hij ook graag van zijn verleden afgeholpen wil worden. Het ligt daar maar als een tikkende tijdbom. Wij leven onder een constante bedreiging van de waarheid. We zijn alleen vrij zolang die kluis dicht blijft.”
De chef dient het hoofdgerecht op. De geur van schweingebrat met verrukkelijke bijgerechten vult voor even het vacuüm onder de hitte van de vlammen boven hen.
“Ik lik hier echt mijn vingers bei af jungs”, zegt moeder glunderend terwijl  ze haar glas heft naar beide mannen, “was für eine gute  erinnerung. Mein Johann. Mein Pauli.”
Paul pakt haar hand en drukt er een kus op. Haar dunne witte vlashaar wordt licht getoucheerd door de wind. Zijn vader nipt zwijgend van zijn glas.

De kok heeft gezien wat Paul Johann opgevallen is en glimlacht minzaam naar hem. ’24 kitchen television’ staat er op de zijkant van de luchtballon.
“We nemen alles op”, zegt hij verontschuldigend en wijst op de camera’s bovenin de mand.
“Het is verplicht gesteld door de verzekering voor het geval er iets mis mocht gaan. De beelden zijn privé hoor. Uw feestje wordt gewist zodra we veilig geland zijn. Zal ik u nog eens bijschenken?”
luchtballon

Poëzie op vrijdag

Dumas in het Stedelijk.
Over dood, liefde en verlangen.

Rood
In ronde vorm
Blauw
Hoekig en afgemeten
Grijs
Vullend en verhullend
Geel
Scherp in contrast
Wit
Engelachtig zaligmakend
Groen
Met mate aanvullend
Paars
Sprekend zonder woorden

Kleuren als ruimte
tussen regels
ingevuld
door ons
voorstellingsvermogen

ThePainter1994

Gebouw

Vroeger
was eenieder
rijk

daar
in die gouden
eeuw

nu wandelt
men erdoor
soms langs
Dumas

onderdrukt
een geeuw

die eeuw
die was
misschien
wel rijk

Dumas
opgebaard
in het
Stede lijk.

Getijdenstroom

Op de terugweg in de trein vanuit Utrecht weet ik het ineens zeker.
Krukken is een werkwoord.
Ik heb spierpijn in mijn armen van het krukken op de nieuwe trap bij het Centraal Station en van beurs gekruk door een hal vol met fietsen. Wishfull thinking. Er was wel een roltrap maar die deed het niet. Als de trein me uitspuugt op het station Ede-Wageningen laat ik iedereen voorgaan en kruk er achteraan.
De voorbijlopende meute geeft me het gevoel te figureren in een stomme film waarin ik teruggespoeld wordt. Zij gaan vooruit, worden opgezogen in de trechter van het trapgat. Ik ga achteruit. Ik hoor zijn stemgeluid al van verre maar weet nog niet dat hij het is. Op de achtergrond zwelt het langzaam aan naarmate ik vorder. Bovenaan de trap gekomen zie ik hem. In de tunnel staat hij luidkeels de mensen die afdalen toe te spreken. Hij wil geld zien en kan zich, getuige zijn verhaal, niet voorstellen dat je dat niet kunt missen.
Ik wacht bovenaan bij de linkerleuning. Die moet ik vasthouden als ik afdaal tegen de looprichting in. Ik wacht mijn beurt af. Tussen mij en de man zitten ongeveer 30 treden. Hij staat daar als een baken in zee die de stroom van mensen splijt voordat ze achter hem de rijen weer sluiten. Hij probeert het tij te keren.
getijdenstroom
“Hé, jij! Mooie jas, je hebt een mooie jas. Die is duur man, kun je niet iets missen? Ik geloof niet dat je niets kunt missen. Je weet niet wat het is jongen. Kom maar eens drie dagen met me mee. Op straat slapen in karton. Dat overleef je niet jongen!”
Trede 25, ik vorder langzaam.
“Je gaat dat niet menen hè, helemaal niks? Ik weet zeker, als ik hier zou langslopen en ik zag een medeburger die mijn geld nodig had. Ik zou hem mijn geld geven jongen, zeker weten!”
Trede 20, de trap raakt leeg en ik ben de enige die afdaalt. Zijn sonore, donkere stemgeluid wordt weerkaatst door de holle bijna lege tunnel. Als een 3D verpakking van zijn boodschap.
“Dure kleren, allemaal dure kleren! Die spijkerbroek kost je een honderd of twee en je zegt me dat je niks kunt missen? Ik geloof dat niet, ik geloof dat niet! Je kunt van alles missen!”
Trede 10, mijn been doet zeer en mijn armen worden zwaar.
“Het kan zo gebeuren jongen! Je huis brand af, je wordt ontslagen, je vrouw loopt weg, je kind gaat dood! Het kan zo gebeuren jongen en voor je het weet sta je hier en heb je helemaal niks!”
Ik zet mijn krukken op de begane grond en laat mijn geopereerde been erachteraan vallen. De man lijkt klaar met zijn redevoering en komt naar me toe. Hij pakt me bij de arm en helpt me bij het overbruggen van het laatste stukje hoogteverschil .
“Doe voorzichtig man, doe voorzichtig. Ik zie je al de hele tijd krukken en ben bang dat je valt. Doe voorzichtig.”
Ik bedacht tijdens het afdalen iets kritisch tegen hem te gaan zeggen. Mijn vertraging en zijn bezorgde woorden brengen me echter van mijn stuk. Ik geef hem een paar euro en wens hem een goede dag. Als ik aan het einde van de tunnel weer een trap beklim hoor ik hem de volgende vloedgolf treinreizigers bewerken.
“Die jas is duur meisje, heel duur! En jij kunt niks missen? Je moest een weten wat ik meemaak. Ik daag je uit. Kom maar eens drie dagen met me op straat slapen. In een kartonnen doos. Je gaat dood meisje. Je gaat dood! Ik zou me de ogen uit mijn kop schamen als ik mezelf zo voorbij zou lopen!”

Hengelen

“Die lamzak heeft bedacht dat we hier om zes uur zouden moeten zijn want dan bijten ze beter”.
Aan zijn gezicht plukkend kijkt hij in zijn buitenspiegel en mompelt voor zich uit. De nevel danst in slowmotion over het vlakke water van de Loosdrechtse plassen. Corné heeft zijn auto in de berm geparkeerd bij een uitspanning die gesloten is. ‘Boten te huur’, staat op een scheef in de grond geslagen bord.
“Schatje, hoe laat hebben we afgesproken?”
“Nu liefje, nu”, bromt hij terug tegen Jacqueline die in de binnenspiegel het resultaat van opstaan op dit uur overziet.
“Waarom moest ik eigenlijk mee?”klinkt het mismoedig uit de auto. “Ik vind het gewoon een kwal van een vent”.
“Dat komt goed uit want we gaan vissen. En of je het nu leuk vindt of niet; jouw winkeltje is er alleen maar doordat die kwal me op tijd op de beschikbaarheid van dat pandje heeft gewezen”.
“Maar allez, Corné dan toch, vissen, ik zeg u hè, vissen! Ze kneep haar ogen samen doordat de auto die aan was komen rijden voor hen in de berm parkeerde en groot licht seinde.
“Grote god, daar zal je hem hebben”.
Het zwijgen van de ochtend overstemde haar gedachten en ze zag hoe Eljos van der Sluis, notaris te Wageningen een aantal langwerpige tassen uit zijn auto tilde voor hij Corné, die naar hem toegelopen was, uitbundig op de schouders sloeg. Zijn schelle stem sneed de stilte aan flarden.
“Corné, madammeke, wat fijn dat jullie er zijn! Vindt je het ook niet fantastisch weer in de buurt te zijn van oude studiegrond? Nijenrode ligt hier niet ver vandaan zag ik op de Tomtom. Hier, pak aan, voor ieder een catchkit en toebehoren”. Hij duwde Corné twee tassen in de handen en liep zelf vooruit over het kleine bruggetje naar de overkant van de sloot.
“We kunnen de boot zo meenemen en betalen doen we achteraf wel daar in de kroeg”, zei hij wijzend op de gesloten uitspanning. “Dan zijn ze wel wakker”.
Jacqueline was ook uit de auto gestapt en langzaam achter de mannen aangekomen. Ze probeerde om niet met haar hakken tussen de planken van het bruggetje te blijven steken.
“Nou jongedame, we zullen je eens laten zien hoe wij dat doen hier in Holland, dat binnen hengelen. Hahaha.” Hij stopte bij een kleine boot waar geen motor aanhing en keek triomfantelijk naar zijn gezelschap.
“Deze moet het worden”, zei hij met iets van tevredenheid in zijn stem. “We zullen moeten roeien met de riemen die we hebben.
“O, mon Dieu”, dacht Jacqueline, “daar gaat ie weer met zijne cursus Hollandse spreekwoorden”.
hogehakkenhengelen

Zelfspo(r)t 3

Vanuit een met alcohol en nicotine doordrenkt verleden was het een bizar idee. Ik liet me meeslepen door vrienden en liep een nieuwe verslaving op. Over de bijdrage hiervan aan de gezondheid valt te twisten. In mijn geval dan tenminste. We zijn allemaal, altijd wel verslaafd aan iets.

Tijdens mijn eerste triatlon op Texel stormt het. Het zwemparkoers is verlegd van linéa recta de zee in naar langs de kust. De golven zijn zó hoog dat je ertussenin over de bodem van de zee kan lopen. Anders was ik zeker verdronken. Ik kan niet goed zwemmen.
Als kleine jongen ging ik op mijn fiets naar de verplichte zwemles, we waren langs het water gaan wonen en mijn vader liet me geen keus. Ik spijbelde vaak.
“Kun je me vertellen waar je geweest bent, vanochtend?”
“Euhhh, naar zwemles pap”.
“Hebben jullie les gehad tussen de kikkers?”
Ik kon me niet voorstellen waar deze vraag vandaan kwam totdat bleek dat ik eendenkroos in mijn haar had. Mijn vader ontdekte dat ik mijn zwembroek natmaakte in de sloot en boven mijn hoofd uitkneep. Na afdrogen met de handdoek wachtte ik het einde van de zwemles in het bos af en fietste huiswaarts . Ten gevolge van deze ontdekking kreeg ik in de winter bijzwemles in het verwarmde binnenbad van de Lomschool met de debielenklas.
Ik heb een hekel aan zwemmen.

Er bestaan foto’s van mij tijdens wedstrijden waarop het lijkt alsof ik rek- en strekoefeningen aan het doen ben tijdens het zwemonderdeel. Met zijwaarts gestrekte armen attaqueer ik het water.
Ik oefende eens met mijn vriend Rini in het plaatselijke bad. Het tussen de middag uurtje leek ons ideaal. Bejaarden zwemmen, dus lekker rustig.
We maaiden met onze armen de oudjes aan de kant en kregen zo vrijbaan.
De straf hiervoor was echter ongenadig. Vanwege diezelfde oudjes was de watertemperatuur 35 graden en kregen wij na de training last van zware hoofdpijn en diarree omdat we door gebrek aan techniek hadden geprobeerd het bad leeg te drinken.

“Go see your doctor”, zegt het fitness meetapparaat in de hal van het sportcentrum dat in Boulder, Colorado staat.  Mijn vriendin vermoed dat het om de geestelijke gezondheid gaat maar dat zegt meer over hoe ze tegen mijn maniakale sportgedrag aankijkt. Het is de avond voor een wedstrijd en ik doe de test voor de grap om te zien hoe fysieke superioriteit eruit ziet in een grafiekje.
Ik voel me goed en denk deze wedstrijd te kunnen winnen. De wedstrijd bestaat uit 5 mijl hardlopen, 50 mijl fietsen en ter afsluiting weer 5 mijl hardlopen. Het is een wedstrijd zonder zwemmen. Ik heb de afgelopen weken de concurrentie eens goed bekeken en ruik mijn kansen. Uit mijn ooghoek bezie ik hoe op het startpodium een soort rockster geïnterviewd wordt die voor de gelegenheid een trainingspak van de sponsor heeft aangetrokken. Hij lijkt erg op de zanger van Bon Jovi en ik luister maar half naar het gesprek dat uit de luidspeakers weergalmt.
“Ken, it is an absolute pleasure to see you here, what is it gonna be today?”
“Oh well, I’m only here to earn a little down payment on the house”.
Ik verdiep me in de veters van mijn schoenen en negeer de rockster en de hele bende. Ik ben gespannen. Zodra het startschot klinkt sprint er een klein mannetje met wapperende lokken en een minuscuul geel zwembroekje aan tussen ons vandaan. Verdwaasd kijk ik hem na terwijl hij het op een lopen zet. Ik kan hem met geen mogelijkheid bijhouden en kom tot bezinning. Het is een heen en weer parkoers en ik kan na het keerpunt vaststellen wat de schade is. Die moet ik op de fiets gaan inhalen. Terwijl ik de ommekeer nader komen de wapperende haren me alweer tegemoet. Vanachter de grote gestroomlijnde zonnebril gunt hij mij geen blik waardig. Het is de rockster. Hij verdwijnt gedurende de wedstrijd zover uit beeld dat ik niet meer kan lezen wat er achterop zijn broekje staat. Ik eindig als tweede.

Ken Souza

Uit zicht

“Italië is prachtig!”
Voor hem uit klautert ze onbeholpen het grof stenen pad op naar het kasteel.
“Ja hè, jammer van het weer maar ik ben blij dat ik er even uit ben,”antwoordt hij. “Gek hè, van deze kant lijkt het zo mooi”.
Ze maakt een weids armgebaar die het hele kasteel lijkt te omvatten.
“Die aardverschuivingen, het gebeurt in dit stuk van Italië al meer dan 100 jaar, er woont geen kip meer.
“Ik zou hier niet kunnen wonen”, zegt ze wijzend op een van de containers bij een blinde muur waar de gidsen in huizen.
“Waar dan wel?”
“Niet in Wageningen, eerder Aerdenhout, Wassenaar of Blaricum”, zegt ze beslist.
Haar hakjes ketsen op de basaltblokken. Hij fluit zachtjes tussen zijn tanden en fluistert voor zichzelf. “Je hebt geen goedkope smaak dame”.
Als ze vlak bij de gesloten poort is gekomen draait ze zich om en zet haar armen in haar zij. Haar gezicht spreekt boekdelen.
“Voor de foto?”, vraagt hij.
“Of had je een andere plek in gedachten”, schatert ze. Haar blonde lange haren wapperen in de wind. Hij probeert te focussen met haar als stralend middelpunt.
“Vergeet vooral niet dat er ook nog drie kinderen, een hond en twee katten in moeten. De paarden wil ik niet bij huis hoor”.
“Laat mijn vrouw het maar niet horen,” zegt hij, wijzend op zijn Iphone. “Zal ik ze naar je doormailen?” Eén van de gidsen opent de poort.
“Wat een uitzicht!” zegt ze verrukt. Hij maakt er een foto van. Het is een half kasteel waar je helemaal doorheen kunt kijken. Het weidse stenen landschap in. Op de voorgrond staat een afgebrokkeld muurtje. Een graffiti artiest heeft er een groot rood hart op gespraypaint.
‘Ti Amo’ staat erbij geschreven.

nieuwste1352015 182

Spiegelbeeld

(Bij mijn kapper is onlangs voor de zoveelste keer ingebroken. Er wordt telkens veel vernield maar niets gestolen. Hieronder zijn beroeps-gedeformeerde commentaar.)

“Ha ja, verknipt in laagjes, zo wordt ik ook weleens genoemd. Ik kan het hebben hoor, permanent op mijn qui-vive als ik ben voor dit soort uitwassen van de menselijke geest. Ze weten niet echt wat ze ermee aanrichten hè, de stakkers met hun wilde haren, eigenlijk om heel erg meelij mee te hebben, zo’n dwangmatige fixatie op andermans leven.

Ik bedoel, wie, met het goede verstand onder de donkere krullen, doet er nou zo iets? Dan moet je toch zeker slecht zijn tot in je allochtone haarwortels! Ik zeg het je, het zijn eigenlijk zulke kleurloze figuren, daar helpt geen spoelinkje meer tegen hoor. Ik zou ze graag eens in deze stoel willen zetten en vragen: Zeg darling, wat heb je zelf in gedachten? En ze dan zonder pardon in de glasheldere spiegel laten zien dat verknipt in laagjes echt het beste bij ze past hè, ik kan het weten hoor en bovendien; als je door mij geschoren wordt kun je beter stilzitten. Revitaliseren, die hele handel! Tsss, ik bedoel, om helemaal opgeknipt van te raken toch?

Normaal ben ik niet zo rancuneus hoor maar dit is nou al de vierde keer in twee weken! Toen ik het vanochtend zag, je zou de extensies uit je haren trekken. En slapen doe ik ook al nauwelijks meer.

Na zoiets wil je er alleen nog maar van weglopen, geloof me, even helemaal er tussenuit en slechts dromen van warme föhnen en weelderige watergolven. Maar ja, dat tropisch eiland blijft meestal onbewoond hè. Ach ja, het is nou eenmaal een dun lijntje tussen geknipt en verknipt zullen we maar zeggen.

Goed, lieverd, kijk eens even naar jezelf.

Like what you see?”

alsjehaarmaargoedzit

Poëzie op vrijdag

Profielfoto

Teveel van toen
voor eigentijds
te zwaar wegend
voor verlichtend

Te niet
voor welbespraakt
te open
voor wel dichtend

Te veel
voor veel te weinig
serieus in plaats
van geinig

Te lang
voor kort
te vol
voor inhoudsloos

Te krullend
om te stijlen
te hard, te snel
soms zelfs wat liefdeloos
voor al dat mooie frêle

Te luid
voor stilte
te zwijgzaam
voor vertellen
te zwart wit
voor alle kleuren
te zacht
voor hard
te groot
voor klein
teveel dat
moet gebeuren
Te lang
om kort
bij stil te staan
te langzaam
voor de snelheid
te hoog
voor laag
te dik
voor dun
te averechts
voor
eens zijn.

profielfoto

Meneer van IJkelenburg

“Nee hoor mijnheer, dat wordt hier allemaal voor u gedaan”, zegt ze op mijn vraag of ik me van tevoren had moeten douchen met desinfecterende shampoo. Het antwoord lucht me op. De geur van die roestbruin gekleurde rotzooi zit voor eeuwig in mijn reukgeheugen verankerd. Het doet me denken aan de lange ziekenhuisgangen die me als klein kind paniekaanvallen bezorgden. In België, zes jaar geleden, moest dat wel. Ik stond te janken onder een douche van Lysol voordat ik een nieuwe heup kreeg. We zijn zes jaar verder en schrijven deel twee. De ander heup is aan de beurt. In Nederland dit keer. Met eenzelfde wedstrijdspanning in mijn lijf ben ik het ziekenhuis binnengelopen en heb een blauw te kort operatiejurkje aangetrokken. Het is negen uur in de morgen en ik wordt weggereden door twee verpleegsters naar de operatiekamer. Klim op de operatietafel en wordt als een soort liggende Jezus vastgesnoerd en aangesloten op allerlei systemen. Aan de muur hangt een lichtbak met een röntgenfoto  van mijn heupen . Een vernieuwde van metaal en een versleten van mijn eigen materiaal. De chirurg zet een kruis op het goede been en knikt. “Mooi roze”, is zijn commentaar. Als ik me lig af te vragen wat hij daar precies mee bedoeld slaat de anesthesist toe. Ik ben weg.
“Ha, hier wordt iemand een beetje wakker, hoort u mij?”
“Wilt u misschien een water ijsje? Welke smaak?”
Tussen de twee vragen zit minstens een half uur maar ik ben de anesthesie nog aan het verwerken. Het wordt bosvruchten. Het voelt lekker koel en vochtig.
“Wat is er met je been? En waarom is dat helemaal zo gedaan?” Ik kijk niet begrijpend naar mijn been en weet het antwoord niet. Over de gang zie ik mensen voorbijlopen met roze benen en krukken.
rozebeen
Vanuit de weelderige wereld van morfine voer ik een aan flarden geschoten gesprek met mijn partner die aan mijn bed staat. De nacht na de operatie is er een die ik deel met de nachtzuster. Elk uur komt ze als een vuurvlieg met een zaklamp de kamer binnen om te kijken of het goed met me gaat. In de vroege ochtend begin ik te beseffen dat alles gelukt is. Bevangen door de euforie van opluchting sta ik voorzichtig naast mijn bed en wordt er snel weer in terug gekieperd door een verpleger. Euforie is een gevoel, geen realiteit. Hij veegt het klamme zweet van mijn hoofd en kijkt naar een mededelingenbord aan de muur. Mijn buurman is opa en zijn kleindochter heeft iets liefs voor hem opgeschreven. De verpleger concludeert dat hij het niet eerlijk vindt dat ik zoiets niet heb. Ik protesteer dat ik geen opa hoef te worden.
“Wat dacht je van kunst, kun je het meenemen want ze betalen tegenwoordig miljoenen voor die dingen”. Hij doelt op de kunstaankoop van Nederland en Frankrijk wat zijn voorstellingsvermogen enigszins te boven gaat. “Volkomen inhoudsloos”, is zijn commentaar. Langzaam tekent hij zijn bijdrage op het bord.
“Hier heb je kunst met inhoud. Zal er de waarde bijzetten, dan heb je er nog wat aan als je weer kunt lopen”.

IJkelenburg
.

Poëzie op vrijdag

Haar

Het kletst

Het danst

Het waait

In ogen

Over hoofden

Langs gezichten

Haar

Het glimt soms

in afwezigheid

Het krult

Het lult

Verward,

Vet pluizend

rasta van de zee

Het staat rechtop

Haar

Stekelig

In scheiding

Platgeslagen

Afgezakt als baard

In stijl in staart

Het kleurt

Donker blond

Blauw grijs van verleden

Gitzwart in een spoeling

Dun

terug

van

weggeweest

alsjehaarmaargoedzit