Gelijk

schaamte

‘Wat is de wereld toch klein en wat en toeval dat ik je uitgerekend hier tegenkom!’
Vanuit zijn niemandsland kijkt hij me glunderend aan met zijn brede glimlach en heldere ogen.
Ik heb hem uitgenodigd maar dat is hij vergeten.
‘Riet, Riet, kijk eens wie hier ook is, wat is de wereld toch klein!’
Zijn vrouw kijkt me verontschuldigend aan en legt haar hand op mijn arm.
‘Hij weet het niet meer, ik ben alweer een week met hem thuis maar hij vraagt nog steeds waar zijn koffer is en wanneer we gaan. Waarheen? Hij heeft geen idee.’

Ze ontmoetten elkaar een leven geleden en deelden dat wat lief heet en ook dat wat voor leed door moet gaan. Pas nu, aan de andere kant van het spectrum, komen ze elkaar tegen. De zorg voor hem valt haar zwaar. Ze zijn mijn buren en aangeschoven bij een try out van mijn voorstelling. Achter hen zitten mijn schoonouders, hun situatie lijkt een kloon van de mensen die voor hen zitten. Hij is inmiddels ook meer dan twee derde van zijn leven vergeten en het juk dat op haar schouders rust is soms verpletterend. In een gesprek tussen de twee mannen is de een 64 en weet de ander zijn leeftijd helemaal niet meer. Een tip helpt, beide weten ze hun geboortedatum nog; 1928.
De dementie van beide mannen maakt het tastbaar; dat we onderweg zijn naar een einde. ‘Allemaal!’, zou Adelheid Roosen met een theatraal gebaar zeggen. Deze mannen leven nog, weliswaar in een steeds kleiner wordende wereld die hen keer op keer verrast, maar ze leven nog. Niet dat ze er enorm aan vast houden, ze hoeven gewoon niet zoveel meer dus ook niet dood. Om hen heen neemt de wereld een vorm aan waarin ze de velden of wegen niet meer herkennen. De een zoekt constant zijn geld dat in een film op repeat maar blijft verdwijnen. De ander stapt relaxt thuis het trapgat in omdat hij in een ver verleden gelijkvloers gewoond heeft. Hoe breekbaar ook, slechts een blauwe buil op zijn voorhoofd is zijn deel. De kaarten zijn geschud en dat blijven ze.
We spelen een nummer dat gaat over stilstaan bij het idee dat we ergens heengaan. Terwijl ik de woorden uitspreek vormen zich andere gedachten. In mijn blikveld zit de een zich nog zichtbaar te verkneukelen over het feit dat we elkaar hier toevallig tegengekomen zijn terwijl de ander een dutje doet. Een venijnige saxofoonsolo maakt hem wakker en ik weet het.

Ik weet dat als je alles vergeet er niets meer is om bij stil te staan.
Ik weet dat je verloren bent als achter elke deur die open gaat de wereld zich om je heen sluit in plaats van je omarmt.
Ik weet dat er geen houvast meer is als elke stap, elk woord en elke gedachte die je hebt toevallig is. De letters van het scrabble spel waarmee je eerst het leven kon verwoorden liggen permanent omgekeerd voor je neus. Er schiet je geen maakbare volgorde meer te binnen. De wereld is niet groot.

Het is het gelijk van mijn buurman.

Week van de poëzie

pleister-op-de-wonde

Als poëzie
iets zeggen mag
als pleisters
op de wonden
die ondanks
haar letters
jou niet
verbinden konden

Als poëzie
iets zeggen mag
met ongeschreven woorden
die tussen
al haar regels
zich niet
lieten vermoorden

Als poëzie
iets zeggen mag
iets schreeuwen mag
iets huilen mag
iets lachen mag

Als poëzie
iets fluistert
hoop ik
dat iemand
luistert

Krijtstreep

Deze nacht kent geen horizon. Zee en lucht smelten samen aan de donkere einder. Slechts een dikke witte krijtstreep in het zwarte water markeert de vooruitgang. Achterop dit varend flatgebouw, turend naar haar kielzog, schiet mij het verhaal te binnen. Brommer op zee. Een verstekeling beleeft een nautisch avontuur aan de hand van meester Biesheuvel. Het zou me verbazen als er hier een was, een verstekeling. De buzz is binnenstebuiten gekeerd voordat ik haar de opengesperde kaken van deze boot opstuurde. De jonge marechaussee kon, behalve mijn honden, geen levend wezen ontdekken en wenste me een fijne overtocht.

brommeropzee

The sundeck heet het hier. Er zijn niet veel zonaanbidders hetgeen gezien het tijdstip niet verwonderlijk is. Roken is toegestaan en sommige van mijn mede-verstekelingen trotseren, net als ik, een fris briesje om de adviezen van het ministerie van volksgezondheid in de wind te slaan. Het aantal Duitse verstekelingen aan boord brengt me in de verleiding dit vlot tot das Boot om te dopen. The UK bereidt zich voor op een nieuwe invasie. Een van hen wil twee sigaretten van mij kopen. Ik sla zijn aanbod af en geef ze hem. Na een vuurtje inhaleert hij dankbaar zijn vermindert vermogen tot vruchtbaarheid.

In de reflectie van het raam waar ik doorheen probeer te turen zie ik, te midden van waar ik het zwarte water weet, de beelden van een televisie die achterop het sundeck aanstaat. Als een verstekeling in mijn geestesoog reist een vrouw met me mee die, telkens als haar tegenspeler iets tegen haar zegt, de ogen neerslaat. Het lijkt alsof ze hem niet horen wil. Haar gezichtsuitdrukkingen verraden ongenoegen. Ik wil haar doorgronden maar de muziek op het verduisterd zonnige dek overstemd haar geluid. Ze is mijn verstekeling die niet gehoord wordt. Ik zou de ober kunnen vragen haar een stem te geven maar ik doe het niet. Ze heeft zich de woede van haar medespelers op de hals gehaald. Ik heb geen idee waarom, de muziek die ik hoor biedt geen uitsluitsel. De ober schrobt de bar. Een krijtstreep sleept zich voort achter het schip. In de verte, aan de donkere einder, ontwaar ik een man op een brommer.

Onder Jannen

Waarom heten al die mannen Jan?
Ik heet Jan, mijn vader heette Jan, mijn opa heette Jan. Zo ging dat in mijn kringen. Ik ben de laatste Jan in mijn geslacht. Meisjes namen het over en er was niemand die klaagde. Ik behoor tot een uitstervend lijntje Jannen.
Big deal, wie doet dat nou niet? Uitsterven.
Alles is eindig.
Ik besteedde er geen aandacht aan.

Fietste tegen een berg op en fotografeerde een spandoek.
Jan, stond erop.
“Jan was here”, stond ook op de weg en ik leerde een andere Jan kennen.
Ik voelde me onder Jannen.
Echte Jannen.
spandoekJan
Ik kijk een beetje om me heen.
Er ligt een enveloppe op de mat.
Er zit een uitnodiging in.
Voor het lidmaatschap van een club.
Ik mag, als ik wil, als ik durf, lid worden van een club.
Aspirant lid, de Jantjes heten de eerstejaars.
Pas daarna het grote werk, de Jannen.
In de begeleidende brief staat dat de ballotage commissie aanvankelijk wat huiverig was om de uitnodiging te versturen omdat het helder was dat ik er niet aan toe was, dat lidmaatschap. Nu ik de vraag gesteld heb waarom al die mannen Jan heten is de postkamer geactiveerd en ligt het aanbod op de mat.
Aspirant lid.
Ik denk erover na, twijfel, huiver.
Ik ken ze slechts van horen zeggen.

Deze club Jannen deinst nergens voor terug.
Ze leven het leven dat ze willen, ze voelen de pijn, ze lachen hard, ze bruisen soms wild.
Ze beschermen hun dierbaren op onorthodoxe wijze en als ze een ding gemeen hebben dan is het wel dat ze hun hart volgen en niets anders. Ze denken na over wat er is, niet over wat er was of wat er komt.
Ze schrijven.
Het is een schrijfclub.
Ik moet mijn eigen pen meenemen, mijn eigen papier, moet mijn eigen teksten maken.
Wat ik schrijf mag ik zelf bepalen.
Of het een boek wordt of slechts gebundelde letters is aan mij.

Ik kijk wat verder om mij heen.
Dacht dat die brief alleen voor mij was.
Of in ieder geval dat alleen echte Jannen hem konden krijgen.
Wat een absurde gedachte.
Ik leer dat de commissie alle namen kent maar gewoonweg niet iedereen uitnodigt.
Ik heb de Jannen gezien die me uitnodigden.
Maar ze waren er alleen voor de ontvangst.
Daarna moet ik het zelf doen.
Ik twijfel.
Dat is niet erg.
Jannen durven dat.