Bankman

Paulus Heylwolt had zichzelf altijd gezien als ondernemer, in hart en nieren. Hij was er na een aantal jaren ploeteren, vallen en weer opstaan, achter gekomen dat dit eigenlijk alleen maar de wens van zijn vader’s gedachte was geweest. Na de opleiding aan de Hogeschool Nyenrode in Breukelen waar hij zijn dispuutvrienden Corné, Carlo en Eljos leerde kennen, was hij, net als hen, ondernemertje gaan spelen maar teruggekeerd op zijn schreden. Opzoek gegaan naar een manier om de risico’s te vermijden en toch aan de benodigde financiën te komen. Dit had hem bij de bank gebracht. Het was zijn grote passie geworden. Hij genoot ervan. Elke dag. Ingebed in de zekerheden van meer dan goede arbeidsvoorwaarden, de bedrijven voorzien van financiering, om zo te kunnen beheersen en sturen. Terwijl hij met stevige tred voortliep voelde hij de rust enigszins weerkeren in zijn lijf. Hij kon zich mateloos opwinden over de domheid van mensen als het ging om de perceptie van het bankwezen. Zelfs tot binnen zijn vriendenkring hadden de ideeën over machtsmisbruik en corruptie echt wortel geschoten. Heylwolt vond dit een aperte misvatting en, indien hiertoe uitgedaagd, stak hij zijn mening niet onder stoelen of banken.

Bij de open haard van de business club gezeten had hem dat zojuist nog een hoog oplopend conflict met een aantal aanwezigen opgeleverd. De meeste daarvan waren ondernemers, met Corné van der Reyt , zoals gebruikelijk, als hun woordvoerder in het debat.
‘Paulus, luister, het is glashelder wat jouw klanten van jouw bank vinden. Iedereen luistert, kijkt mee en praat erover. En ik kan je vertellen; het stinkt! Ik zeg het je, zoals ik het laatst van een groot kunstenaar hoorde: Geef een man een pistool en hij kan een bank beroven. Geef een man een bank en hij kan de hele wereld beroven!’
Een Engels aandoend, instemmend ‘hear hear’ had zijn ergernis gewekt.
‘Gezien alle bedrijfsfraude van de laatste tijd ben ik blij dat ik aan de bankenkant zit. Ondernemers verkopen veel teveel gebakken lucht’.
Het was zijn uitdagende opmerking geweest die het tot dan toe kabbelende gesprek op scherp gezet had. Paulus Heylwolt hield van scherpe en snedige discussies. Het was de kortste weg naar zijn gelijk.
bankmandiscussie

zijn meisje

Met een zelfverzekerde tred kwam hij binnen. Zijn korte diepzwarte krullen dansend op het boord van een nonchalant dichtgeknoopt crème wit overhemd.
‘Waar kijk je naar?’
Mijn vriendin had het gebrek aan focus op haar verhaal in de gaten, en draaide zich een beetje om.
‘Mmm-mmm, goeie kop!’
Hij bleek Corné van der Reijt te heten, en was het epicentrum van een groepje studentikoze blaaskaken van middelbare leeftijd, die elkaar de loef afstaken met opschepperige verhalen en vernederende kwinkslagen. Ik schatte hem halverwege de veertig en hing net als dat groepje, zij het op enige afstand, aan zijn lippen als hij het woord nam. Hij gebruikte zijn handen als hij sprak. Hij had mooie grote handen. Verzorgde nagels. Een kleine tatoeage op zijn linker pols. Later, toen ik hem dacht te kennen, zei ik altijd tegen hem dat hij van die lekkere klauwen had. Ik klemde dan mijn kaken op elkaar en siste tussen mijn tanden tegen mijn eigen, selfmade, single man van de wereld. Dat was hij, selfmade en onberekenbaar.

Telefonerend, druk met zijn handen wapperend, reed hij zijn matzwarte BMW door Oud Zuid. Ik weet niet meer precies waar we waren toen hij ineens de auto parkeerde.
‘Ik moet je nog iets vertellen,’ sprak hij voor zich uit toen hij de verbinding verbroken had. Langzaam stroopte hij zijn linkermouw op en toonde me de vier letters van zijn tattoo.
‘Ze is mijn moeder niet’.
‘Ze is jouw moeder niet?’ vroeg ik verbaasd.
‘Wie zijn moeder is ze dan?’
‘Ze is niemand’s moeder, ze is negen jaar.’
‘Negen jaar?’
‘Ja, ze is mijn dochter, Vera, ik ga haar zo even van school halen.’

Ik herinner me nog dat ik verbijsterd naar hem keek terwijl hij zijn manchetknoop dichtdeed en de auto startte. Weet niet meer wat ik gezegd heb. Ik ben uitgestapt en heb zijn dochter niet gezien, die dag.

veratattoo

Niets dan goeds

“Hij hheeft ze voor een pprikkie kunnen kkopen…”
Geïrriteerd en vol ongeloof staart Carlo de spreker aan. Het begint hem langzaam te dagen dat hij niet de enige is geweest die weleens een verkeerd dealtje met zijn dode studievriend Corné gesloten heeft. De notaris die hier tegenover hem glimlachend met een biertje in de hand staat te stotteren lijkt te weten waarover hij spreekt.
“Hoe bedoel je, voor een p-p-prikkie?”
“Nou, zoals ik het zeg. Die huizen stonden allemaal onder water en via de curator kwam hem dat toevallig ter ore. De bewoners wisten zich geen raad meer en wilden alle vier van hun schulden af. Ik belde even met Paulus, je weet wel , Heywolt en de bank accepteerde een bod van iets meer dan de helft op de openstaande hypotheekwaarde. Onze dealmaker Corné, over de doden niets dan goeds, was het heertje in deze kwestie. Hier, de eigendomspapieren.”
“Dus ik moet godverdomme accepteren dat meneer zaliger mij postuum nog een oor aannaait van een half miljoen!?”
Enkele mensen in het zachtjes keuvelende gezelschap draaiden zich om zodat ze konden zien wie de serene stilte rond het haardvuur in Grand Café ‘de Waagh’ verstoorde.
proeflokaal_01
“In Groningen!”, tierde Carlo verder, “Mijnheer de briljante adviseur heeft mijn geld geïnvesteerd in vier huizen in de binnenstad van godvergeten Groningen! Dat zie ik nooit meer terug! Heb je er misschien ook meteen een telefoonnummer van de NAM bij? Dan kan ik bellen of ze misschien ook een fonds voor idiote investeerders hebben!”
Maak je niet zo druk Carlo”, sprak de notaris die zich zichtbaar ongemakkelijk voelde. “Alle bewoners zijn er inmiddels uit en je kunt er mee doen wat je wilt. Ik heb gehoord dat de verhuur voor studentenhuisvesting in die stad best een zakcentje kan opbrengen. Ik heb nog wel een vriendje die daar zijn makelaarspraktijk heeft. Hij kent die markt een beetje. Zal ik hem eens bellen voor je?”.
Voordat Carlo kon reageren werden ze onderbroken door het geluid van brekend glaswerk.

In de andere hoek van de gelagzaal zag hij hoe Corné’s vader geëmotioneerd tegen zijn zus stond te praten. Drank klonk door in zijn stem.
“Ik maak dat zelf wel uit! Het is verdraaid je eigen broer Tanja, je bloedeigen broer, dat kun je toch niet met een mantel bedekken? Hij heeft je jaren gewoon be-so-de-mietert! Je moeder vond ook altijd dat ik daar niets van mocht zeggen maar het is genoeg geweest. Hoor je me? Genoeg!”
Woest gebarend stapte hij richting de toog en brieste aldaar aangekomen om bier. Het “Nee, mijn glas is stuk”, ebde weg tussen het opkomende geroezemoes in de ruimte waar een sfeer van ongemak leek te ontstaan. Carlo wist waar de vader van zijn overleden studievriend het over had. Zelfs hij vond dat deze stunt van Corné geen schoonheidsprijs verdiende. Als beëdigt en toegewijd accountant had hij een fikse boete opgelegd gekregen voor het systematisch afromen van de rekeningen van enkele van zijn klanten door meer uren in rekening te brengen dan hij in werkelijkheid voor ze werkte. Inclusief het bedrijf van zijn zus.

Tanja stond wat verloren tussen de vrienden en kennissen van Corné. Ze kende bijna niemand afgezien van de freule met wie ze stond te praten. Van haar voornemen om middels zijn vrienden haar broer een beetje beter te leren kennen kwam weinig terecht. Zoals ze zich in de afgelopen jaren verwijderd had gevoeld van haar broer, zo ervoer ze het gezelschap nu ook. Vervreemdend en afstandelijk. Ze wist niet zeker of ze hem miste.
“Mijn lieve kind”, sprak de freule op moederlijke toon, “het zal wel een moeilijke tijd voor je worden, zo plotseling zonder je broer”.
Tanja keek de freule aan met een vertederde blik in de ogen.
“Ik moest je nog iets geven”, zei ze terwijl ze een enveloppe uit haar tas haalde.
“Heb dit al een poos geleden gevonden en loop er al tijden mee rond. Gewoon vergeten hoor. Corné had het laten liggen toen hij bij ons overnachtte”.
Tanja pakte de enveloppe aan en opende hem langzaam.
“Ik heb het ook gelezen”, zei de freule bedachtzaam, hij kon prachtig schrijven. Je broer hield veel van je, wist je dat?”
Tanja knikte afwezig. Ze vouwde het A4-tje open en begon te lezen.

Heimlich

“De Waldorf salade alstublieft”. 
Langzaam vouwde Corné de kaart dicht en dacht na over hoe hij dit aan zou gaan pakken. Had zichzelf al zien vertrekken terwijl hij glimlachend binnenkwam en iedereen de klamme hand schudde. Keuvelend knoopte hij het bovenste knoopje van zijn boord los. Corné had liever aan de bar van zijn stamcafé afgesproken maar dat had niemand een goed idee gevonden. Zij verkozen deze beslotenheid om openlijk hun grieven te kunnen uiten. Hij kende de mensen die aangeschoven waren aan de grote ronde tafel in het midden van de ruimte. Het waren zijn vrienden.

Corné dacht na over cognac bij de koffie. Hopelijk hadden ze dat ene merk. Hij kon er niet opkomen. Verlangde naar prikkeling van zijn gehemelte, de felle gloed in zijn keel en de warme omarming van alcohol door zijn lichaam. Hij wilde dat deze meeting over was. De deal was misgegaan maar schuld delen stond niet in hun woordenboek. Ze deelden liever de winst.
1350973748_waldorf_salade
De voorgerechten werden geserveerd en met een flauwe glimlach om zijn mond nam Corné achteloos een hap van zijn salade. Je zou het maar bedacht hebben. Een echte klassieker uit eind 1800. Vernoemd naar dit Waldorf Astoria als hij zich niet vergiste. In gedachten zag hij de kok experimenteren met de smaakcombinaties. Trail and error. Hij was jaloers op hun succes. De licht scherpe smaak van selderij snelde vluchtig langs zijn papillen, op de voet gevolgd door zoete appel en rozijn. Hij mistte de frisheid van citroen en spoelde de muffe nasmaak van walnoten weg met een ferme slok bitter Leffe Blond. Verslikte zich en hoestte een deel van de hap over tafel.  Iedereen keek verwonderd naar hem. Corné deed geen moeite zich te verontschuldigen. Een overweldigende galsmaak golfde door zijn mond. De geluiden om hem heen werden overwoekerd door een plots intredende duizeling. Oorverdovend suizen. Beseffend dat er iets mis was kromp hij ineen met een vacuüm in zijn borstkas. Kon niet meer stoppen met hoesten. Oncontroleerbaar kokhalzend morste hij bier over zijn stijf gestreken witte overhemd.

Niemand bewoog.

Corné viel voorover tegen de tafel en gleed, het tafelkleed met zich meesleurend, langzaam naar beneden. Diep, rochelend hoesten omkleed door het geluid van kletterende messen, vorken en brekend servies.
“Chivas Regal”, dacht hij terwijl hij de stoelpoot vastgreep en omklemde. Wanhopig met gierende uithalen probeerde hij zuurstof naar binnen te zuigen. In blinde paniek sloeg hij wild om zich heen. Sneed zich aan gebroken glas. Zijn bebloede handen lieten rode sporen na. Abstracte lijnen over de vierkante patronen van het licht beige linoleum.
“Kent niemand hier Heimlich?”, dacht hij vertwijfeld.
Hij verloor het bewustzijn.