Klacht

Je denkt op onderzoek te gaan in een land waar de zon in de winter behaaglijk is en het landschap adembenemend. Dat laatste klopt maar verder heb je buiten de regen gerekend. Het regent vaak en vooral veel, zoveel dat wegen bevaarbaar worden en rivieren domme toeristen meesleuren die denken dat de natuur iets is dat je zelf maakt. Je overweegt je beklag te doen over het weer bij geen instantie in het bijzonder tot je erachter komt dat je rond rijdt op een plek waar het de afgelopen acht jaar niet, ik herhaal, de afgelopen acht jaar niet geregend heeft. De mensen die er proberen te overleven dansen nog net niet de hele dag in de hoeveelheid plens die uit de lucht valt maar zitten wel de hele dag met een enorme glimlach onder afdakjes. Ik spreek ze en zonder uitzondering verwelkomen ze het water. Hoopvol want er kan weer iets gaan groeien.

Verderop regent het al langer dan een week of twee en is alle grijs en bruin verandert in fris lichtgroen. Razendsnel alsof de gewassen bedacht hebben zich dubbel zo snel te ontwikkelen, nu het kan. Semi uitgedroogd heeft er een druppel water aangeklopt bij ieder zaadje en is alles ontaardt in een orgie van vijftig tinten groen.

Boven op een hoge berg staat een oud fort. Er omheen uitzicht met rivier en groen dat aan de loop van de Moezel doet denken. Ik ging daar vroeger met mijn vader en moeder heen op vakantie maar daarover ga ik nu niet klagen. Het fort heeft toevlucht geboden aan de koning van Marokko maar kan ook een militair fort geweest zijn, de gids heeft een rijke nogal ongelimiteerde fantasie. Slapen langs de buitenmuur kan, de gids regelt dat er tajine bezorgd wordt en wijst ons op de gevangenis binnen de muren van het fort. Een oneindig diep gegraven hol met hoog in het plafond een paar gaten waardoor je kunt zien of het dag of nacht is. De hoeveelste doet er niet toe want het complex wekt niet de indruk dat er meer dan alleen een ingang was.

Wanneer ik naar buiten loop begint het zachtjes te regenen. Wellicht dat ze de paar druppels die door de gaten boven hen vielen vroeger ook als zegening zagen.

Ik weet het nu echt zeker; ik mag niet klagen.

Normaal

Je kunt jezelf over de wereld katapulteren alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Gisteren bevond ik me nog in Australië, in Nederland erkent als de andere kant van de wereld en vandaag loop ik rond in een nog groter land op de aardkloot, Canada. Hoewel, gisteren….de zestien uur durende vlucht van Brisbane naar Vancouver heeft iets geks gedaan met de tijd. Vertrokken op 30 maart om 10.00u in de ochtend en aangekomen om 6.30u in de ochtend op…30 maart. Bij vertrek lek gestoken door zoemend ongedierte bij een graad of 30, bij aankomst is de soort nog ingevroren. Ik laat even een witregel om dit te laten bezinken.

Het is een soort Groundhog day 2.0 denk ik. Zestien uur doe je niks van enige importantie, je kijkt films tot je in slaap valt, je leest tot je in slaap valt, je slaapt tot je weer in slaap valt. Er gaat zestien uur luchtledig voorbij en je raakt de grond weer als de tijd waarop je vertrok nog aan moet breken. Ik heb er simpelweg geen woorden voor. Tijdzones. Wie googelt vindt ongetwijfeld wie dit bedacht heeft en waarom maar dat is nu even van geen belang.

We hebben een kans laten liggen. In plaats van tientallen workshops te volgen die je allemaal hetzelfde vertellen; ‘laat het los, je moet vooruit, je kunt de tijd niet terugdraaien’, hadden we ook kunnen besluiten om een vlucht als deze wereldwijd gratis te maken om de geïnteresseerden de kans te bieden om dat wat mis ging nog eens over te doen met als resultaat wellicht een betere versie. De gemiddelde vliegreis is tegenwoordig een stuk goedkoper dan een therapeut of een paar workshops met een hoog hip gehalte dus in de ziektekostenverzekering met die hap. In de geestelijke prak wanneer je bij de incheckbalie probeert te glimlachen tegen de stewardessen en monter en on speaking terms  met de wereld, je partner, je baas of wie je dan ook maar meeneemt op die vliegreis, bij aankomst. 

Het lijkt erop dat veel van de huidige leiders en leidsters in de wereld het exorbitante gedrag van een paar van hun collega’s normaal zijn gaan vinden. De economische belangen zijn zo groot dat de menselijkheid en zeker de medemenselijkheid voor het aanschuiven aan de vergadertafel het raam uit gekegeld zijn. Een hele grote pot ver pissen die door niemand gewonnen kan worden maar slecht verliezers kent. En dan heb ik het niet over de mensen aan die vergadertafel.

Je voelt ‘m aankomen; de alles omvattende vliegreis. Wat nou als we al die gekozen mensen waarvan men vindt dat ze ons kunnen vertegenwoordigen in een gevleugelde vergaderruimte stoppen en het ding, klotsend van de kerosine tegen de tijd in laten vliegen. Net zolang tot de wereldleiders(m/v), wanneer ze uitstappen, doorhebben dat ze een tweede kans hebben. Een tweede kans waarbij ze wel op tijd tegen debiele collega’s kunnen zeggen dat ze normaal moeten doen en gaan staan voor de principes die ze hebben en waarvoor wij ze gekozen hebben. Misschien moet er tijdens de vlucht wel een nooddeur open om een en ander recht te zetten. Geen idee of we dit met het planten van een hele zooi bomen weer recht kunnen breien. Ik zou er persoonlijk de opgelopen milieuschade wel voor overhebben.

 

Eiland

Ik ben op een eiland beland. Tasmanië. Twee keer zo groot als Nederland met iets meer dan een half miljoen inwoners. In de winter. In de zomer zijn het er een stuk meer maar dan nog is de ruimte om je heen enorm. Het relativeert de gedachte dat iets heel groot moet zijn om er ruimte in te kunnen vinden. Je kunt ook happy zijn met de paar vierkante meter die je je huis noemt. Dat heeft dan weer te maken met het feit dat je er meestal alleen maar in slaapt. Maar goed, terug naar dat eiland.

Alhoewel je zou denken dat het antwoord op de vraag: ‘Wat is het grootste eiland ter wereld?’, simpelweg Australië is, het klopt niet want dat is een continent. Oplopend in grootte was ik op Rottnest island hetgeen mooi was, maatje Texel maar vooral een toeristische attractie. Op Kangaroo Island wat al wat meer de grootte van een provincie in Nederland benaderde en waar de naamdragers opvallend in de minderheid waren ten opzichte van de, ik zeg DE knuffel van hier, Koala’s. Nodeloos te vermelden dat het ook hier spectaculair prachtig was.

Dit eiland, Tassie noemen ze het hier staat op plek 26 van de grootste eilanden lijst wereldwijd. Truck op de veerboot en na 11uur varen zijn de 450 kilometers water die het tot eiland maken overbrugd. De bediening van bars op de verschillende dekken kreeg een soort Shining achtige trekjes. Bij die op dek 9 bestelde ik een pinot Grigio van de lijst met naam, jaartal en toenaam. evenzo een Shiraz. Op het achterdek van verdieping 10 scheen de ondergaande zon en werd gedronken en genoten. Daar bleek ook een bar, de zon scheen nog lekker, de wijn smaakte dito dus ging ik opzoek naar een herhaalrecept. Daar aangekomen stond dezelfde juffrouw van de negende verdieping te glimlachen. ‘You want a refill’, stelde ze grijnzend vast. ‘I’ll get you your Pinot and Shiraz. Ze benoemde naam en geboortejaar van de te nuttigen vloeistof alsof ze het opgeschreven had. Op de vraag of ze dat bij alle bestellingen had antwoordde ze ontkennend. Maar, voegde ze eraan toe, het is zinloos om mij jouw naam te vertellen. Die ben ik in drie seconden weer vergeten’.

Op eilanden, zo weet ik, gebeuren gekke dingen. Hier ook. Het verhaal van een massamoord in 1979 maakt onderdeel uit van een rondleiding in Hobart waar men de naam van de moordenaar niet noemt omdat ze hem die eer niet gunnen. Een boot, zeker zo’n grote als deze is eigenlijk ook een soort varend eiland op zee. Het is zes uur in de ochtend wanneer we aankomen. Ik heb behoefte aan sterke koffie en bestel een bakkie bij de uitgang. Ze kijkt me glimlachend aan. Ik ben blij dat ik van boord mag.

Koud

Het ligt niet voor de hand, of beter, het is niet het eerste dat je bedenkt wanneer Aussieland ter sprake komt maar toch; ik heb het koud.

De twintig graden die ik hier voorgeschoteld krijg vallen in het niet bij de dertig van de afgelopen periode. Je went eraan, et voila, je hebt het koud bij een temperatuur waarbij in Nederland om rokjesdag geroepen wordt.

Ik ben in Boulia, zuidwest Queensland. De outback zoals dat heet. De weg hierheen bood een absolute overdosis niks. Niks aan luchten, wolken, rood, geel, grijs en bruin aan stofwolken achter de auto. Borden met waarschuwingen voor een veerooster, een onoverzichtelijke helling of een hek. Twee kangoeroes waarvan eentje probeerde tussen de voorwielen door te skipieen, drie emu’s en koeien die hier meer vierkante meters ter beschikking hebben dan wij met zijn allen in kikkerland. Niks dus.

In Boulia zelf is een museum. Er liggen resten van beesten die 95 miljoen jaar geleden de scepter zwaaiden over dit gebied. Er was een enorme binnenzee en nu nog gebruikt men hier de wateren onder de grond. Ik dacht dat het hier gortdroog was maar niets is wat het lijkt. Het museum wordt gerund door een mevrouw van 70 jaar die voor de gelegenheid uitleg geeft over een aantal foto’s aan de muur en ingerichte kamers. Het blijkt haar eigen familie te zijn die hier, net als zijzelf wortel geschoten hebben. Ze is zo vergroeid met het leven in deze streek dat het haar drie keer teveel wordt tijdens haar uitleg. Haar man, haar moeder en haar broers en zussen passeren niet zonder tranen de revue.

Ze vertelt over zandstormen waardoor ze elke dag hun bed moesten uitkloppen, schapen die met duizend tegelijk dood gingen, kostschoolbezoek vanaf haar achtste in Townsville wat de dichtstbijzijnde stad is op 1000km. Ligt gewoon ook in Queensland. Verder woonde ze haar hele leven op de boerderijen hier in de buurt. Ze kwam nooit ergens. Dertig kilometer gravelweg zorgde ervoor dat ze alleen eind december met zijn allen naar deze stad gingen om naar de kerstboom te kijken.

Als je luistert naar de mensen hier gebeurt er natuurlijk van alles. En al lijkt het niks, van sommige verhalen krijg ik het koud.

Plat

Het is hier plat man

Je kan ver kijken man

Heel veel water man

Er zijn hier dijken man

Hier ben je rijker man

Altijd alles willen

is een bril die constant beslaat

We vegen ons met zijn allen

naar een ontevreden staat

van armoe en ellende

nooit komt er iets meer goed

Terwijl een beetje minder willen

een wonder voor je doet

Het is hier plat man

Je kan ver kijken man

Heel veel water man

Er zijn hier dijken man

Hier ben je rijker man

Op afstand van de wereld

Zie je wat je voelt

Niet dat het goed of slecht is

gewoon iets met jouw gemoed

Een voet voor de ander

Vallend in vooruit

Of anders blijven stilstaan

Dat ziet er anders uit

Het is hier plat man

Je kan ver kijken man

Heel veel water man

Er zijn hier dijken man

Hier ben je rijker man

Rookgordijn

Ik vraag om een pakje Marlboro rood en ze drukt op een knopje waardoor een mechanisme in beweging wordt gebracht en zij over de toonbank leunt om iets uit een donker gleufje te pakken. Ze begreep al dat ik niet weet hoe dat werkt. Bij het zien van mijn bestelling concludeer ik onterecht dat ze kleurenblind is. Voor mij, naast de tomaten en speklapjes die ik koop, ligt een zwart pakje. Gitzwart.
Ik pak het op en lees dat zij zich niet vergist heeft. Marlboro rood staat er in kleine letters op geschreven.

Ik rook er niet minder om. De nieuwe kleur doe ik eer aan met een heimelijk, innerlijk genoegen wanneer ik, sturend over de wegen richting België’s afgedreven eiland, Wallonië, bedenk dat het hier anders is.
Anders dan bij ons. Hier, op het platteland rond Watou, Poperinge en Ieper. Er staan hier meer grafzerken dan dat er mensen wonen. Weggezakt in dikke zware natte klei houdt men hier, omwille van het voortbestaan, de eerste wereldoorlog in ere. Ook hun eigen voortbestaan is ermee gemoeid, zij het uit bescheiden commerciële overwegingen. Gruwelijke beelden en verhalen van toen verbleken echter in het licht van kerst. Niet de kerst van nu, ik regen elke dag kleddernat en de binnenkant van mijn bus begint behoorlijk op de buitenkant te lijken, maar de kerst van toen. Vanuit de loopgraven riepen ze elkaar toe en staakten het vuren om samen kerst te vieren. Dansende en rokende soldaten rondom zelfgestookte vuurtjes. Een onwerkelijk beeld. Alsof ze ontdekt hebben dat om een oorlog te beëindigen, je alleen maar op hoeft te houden met schieten.
Het is echter net als stoppen met roken; ze hielden het niet lang vol. Na de kerstnacht trokken ze zich weer terug in de loopgraven om elkaar te bestoken met bommen en granaten. Geen sigaret werd meer gedeeld.

industrieel_landschap_wallonie

Onderweg raakt de KPN in paniek. Dan weer heet ze mij welkom in België, dan besluit ze weer dat ik in Frankrijk ben. Er is hier geen grens, de blubber plakt aan beide kanten even hard. De grens ligt verderop wanneer ik de borden langs de weg van taal zie wisselen, de huizen zonder asbest daken en de wegen minder als een gatenkaas. Het eiland waarover ik rijd is losgeslagen door verdeeldheid die er heerst aan de hand van taal en trots.
Ochtendmist trekt langzaam op en flarden rook uit grote schoorstenen ontdoen mijn uitzicht van de zon die elders schijnt. Het is niet moeilijk hier een gitzwart gedicht over te schrijven. Iets over vechten voor de vrijheid terwijl die alleen maar dichterbij kan komen wanneer je vrienden maakt. Je houdt ‘m ten goede.
Mijn lippen sluiten zich om een sigaret uit het zwarte pakje.
Ik denk aan iets roods.

Zand van goud

Er komt een man naar me toe.
‘Hoe gaat het met je?’
‘Met mij gaat het goed en met jou?’
‘Met mij gaat het ook goed, ik wens dat het jouw familie en vrienden ook goed gaat.’
‘Ik wens jou toe ook dat het je familie en vrienden goed gaat.’
‘Wil je thee?’
‘Natuurlijk, graag. Aardig van je.’
‘Kom, we drinken thee, insjallah.’
DSC_0081
De kreukels van zijn zwarte tulband vallen in de plooi met zijn gezicht. Uit zijn ogen puilt vriendschap en nieuwsgierigheid. Hij neemt me mee naar zijn tent en ik doe mijn schoenen uit. Een nomade familie duikt op uit de wedervragen die ik hem stel als hij mij bevraagd over mijn thuis. Hij beheert een Kashbah die dienst doet als museum. Het hangt er vol met oude gebruiksvoorwerpen van vroeger zegt hij maar ik zie ze met enige regelmaat nog op de droge akkers gebruikt worden. Het is winter in de woestijn. Rondom de Palmerya wordt de grond met rust gelaten. Het water uit de bron wordt mondjesmaat verdeeld door middel van een kopje met een gat erin dat in een volle bak met water drijft. Als het kopje volgelopen is, is er een uur voorbij en wisselt de bewatering van kanaal zodat iedereen zijn deel ontvangt. Eerlijker dan een horloge, zegt hij.
Zijn vader hangt op een foto aan de muur. Met de haren woest waaiend staat een door de wind gegroefd man tussen twee anderen naar zijn toekomst te staren. Een tafereel uit de vijftiger jaren dat verwezen is naar het museum. De man die me thee schenkt ziet er eender uit. De tijd verstrijkt hier per kopje. Hij is blij dat ik er ben, zegt hij. Zo kan hij leren over de wereld buiten de zijne. Ik vertel hem over het museum waar ik gewerkt heb en hij begrijpt vooral de dingen die over landbouw gaan. We herkennen elkaars instrumenten. Er is meer dat we in elkaar herkennen maar dat brengen we niet onder woorden. Zeventig kilometer verderop de woestijn in woont zijn familie die hij eens in de twee weken een weekend ziet. Dan runt zijn neef voor een weekend de Kashbah en kan hij heen en weer. Soms kan hij geen lift vinden en duurt de tocht langer, zo lang dat het bij samen eten blijft voor hij terug moet.
Hij geeft me van alles teveel. Teveel thee, teveel suiker erin, teveel vragen, teveel lachen, teveel van hem. Zo zijn wij, zegt hij. We geven onszelf weg zonder onszelf te verliezen en jij mag zelf uitmaken wat je er voor teruggeeft. Dat is een ding, besef ik, iets van jezelf geven zonder er iets voor terug te willen. We hebben hier allemaal de tijd, de liefde en elkaar, glimlacht hij me toe. Gisteren is er niet meer en morgen kennen we nog niet. We hebben alleen vandaag.
‘Vandaag drink ik thee met jou.’
Bij het afscheid omhelzen en kussen we elkaar. De gewoonte maakt woorden overbodig maar we zeggen het toch.
‘Ik wens dat het jou, je vrienden en familie voor altijd goed gaat.’
‘Ik wens jou ook dat het jou, jouw familie en vrienden voor altijd goed gaat.’
‘Insjallah.’
Als ik door het zand in de woestijn verder loop bedenk ik dat morgen nog niet bestaat. Vandaag bestaat uit een groot hart. Een groot hart van goud.

Veluwe

Vrije natuur

wind waait er
bomen ruizen
zon beschijnt de net
gedouchte aarde

Mensen
van een ander continent
bekijken ons grootste
kleine park
en glimlachen

Ik drink koffie
voor mijn deur
beluister timmermannen die
een huis van dak voorzien
waarvan ik eerst vermoedde
dat het leger schieten oefende

Onderweg
door de natuur

staat een straaljager
bij een museumschuur

ingehaald door
konvooien groen

boven mijn hoofd
draait een chinook
een vrije kuur

rondjes, rondjes, rondjes
in de natuur

Lucht.

“Godverdomme!”
Stampvoetend  staat de chauffeur te vloeken voor de deur van het eenzame huis. In zijn handen blazend schildert hij lijzig witte sporen op het doek van de donkere avond. De motor van zijn geparkeerde blauw gele vrachtwagen bromt onheilspellend op de achtergrond.
Hij wil naar huis. Zijn dag zit er bijna op.
De vlakte om hem heen ziet er weinig uitnodigend uit. De gevlekte kale berkenbomen steken stamloos uit de sneeuw. Alsof iemand er een aantal afgezaagde takken rechtop in heeft gezet om het wijde niets van decoratie te voorzien. Ondanks de temperatuur in de winter is hij blij dat hij de drukte van Stockholm achter zich gelaten heeft. Deze baan in de eenzaamheid van Noord Zweden bevalt hem stukken beter. Hij is eraan gehecht geraakt. Daar, in de hectische stad, nam hij zijn werk mee naar huis. Als bewaker verdronk hij in zijn eigen nachtelijke hersenspinsels. Hij werd er angstig en achterdochtig van. In samenspraak met de korpsleiding had hij zich laten omscholen en was verhuisd.

“Kom op, kom op”, mompelt  hij voor zich uit terwijl hij voor een tweede keer op de bel drukt. “Waarom doen jullie niet gewoon open?”
Het zwakke schijnsel van licht door een venster doet hem besluiten te gaan kijken. Zijn laarzen breken krakend het oppervlak van de bevroren sneeuw. Hij zakt een stukje weg in elke stap. Langzaam beweegt hij zijn gezicht voor het raam en probeert iets te zien door de dikke vitrage van vastgevroren sneeuw en ijskristallen. In het zwakke schijnsel van een lamp ontwaart hij achterin het huis de contouren van twee mensen die aan tafel zitten. Licht voorovergebogen leunen ze naar elkaar toe. Ze lijken in gesprek . Hij klopt op het raam maar er volgt geen reactie. Ze hebben hem blijkbaar niet gehoord.
Krakend over het hard witte dekbed om het huis stelt hij vast dat alle luiken hermetisch afgesloten zijn. Voor een derde keer belt hij aan en luistert naar de wegebbende echo van de deurbel in de gang. Dan loopt hij terug. Rondom zijn vrachtwagen hebben de walmende uitlaatgassen een wit grillig zwevend laken uitgespreid. In zijn warme cabine steekt hij een sigaret op en schud zijn hoofd. Alsof hij de plots opkomende gedachten probeert uit te bannen. In zijn binnenspiegel bekijkt hij zijn gezicht. De opgloeiende sigaret brengt kleur in zijn bleke gelaat. Hij heeft geen zin om morgen dit ritje nog eens te moeten maken.

Net als hij is uitgestapt om een laatste poging te ondernemen hoort hij iets dat zijn aandacht trekt. Langzaam nadert een vaalgele Volvo  de plek waar de chauffeur zijn truck geparkeerd heeft. Een man stapt uit. Hij draagt een dikke bontjas.
“Ik heb al aangebeld en op het raam geklopt maar ze reageren niet”, zegt de chauffeur terwijl hij naar het huis wijst.
“Die gaan niet opendoen hoor. Ik heb ze gister opgeblazen”.
Niet begrijpend kijkt de chauffeur de bontman aan. Achter hem verkleurd de lucht. Alsof een maniakale toneelmeester de gordijnen naar willekeur opent en sluit. De man draait zich om en bekijkt aandachtig de voorbijschietende tinten aan de sterrenhemel.

noorderlicht
“Zo zie je het niet vaak, wat is het toch een schitterend fenomeen”.
“Ze hebben meubels van Ikea besteld”.
De man ontbloot zijn tanden. In slow motion gaan zijn mondhoeken omhoog.
“Dat was ik zelf hoor”zegt hij grinnikend ,”Zij zijn een trucje. Stuk goedkoper dan bewaking en net zo preventief. Opblaaspoppen. Ze verrekken het alleen om te helpen sjouwen. Kom op kerel, gooi de boel maar los. Ik zal de voordeur voor je opendoen”.