Boom

Het koude regenwoud om mij heen ziet eruit als een de paddestoel van een atoom ontploffing in slow motion. In een freeze frame van tijd golven de bomen naar het licht. 

In het noord westen van Tasmania doen ze daar niet aan; tijd. Het is licht of het is donker, nat of droog. Alles verandert altijd en verder niet moeilijk doen. Pragmatisch is geloof ik het woord dat hierbij hoort.

Zie daar Ludo. Tot zijn zeventiende opgegroeid in Nederland maar dat bleek toen toch echt te klein en verhuisd naar Tassie. Dertien ambachten, veel meer ongelukken brachten hem hier. Hier is Sheffield maar in Tasmanië dus. Hij trok door Australië met zijn vrouw en maakte zelf leren riemen die ze verkochten. Nou ja, zijn vrouw toonde interesse in een riem die Ludo zojuist aan de winkelier had laten zien en die vroeg dan snel aan hem wat het moest kosten. Klinkend resultaat van pragmatische; vrouw kocht hun eigen riem maar Ludo verkocht een dozijn riemen aan de nietsvermoedende zelfstandige ondernemer. Als Bonny&Clyde verlieten ze de plek des vertiers.

Ik zit naast hem voor een koffietentje en hij is van wal gestoken voor ik het door heb. Ik ben namelijk nogal afgeleid door zijn hond. Tenminste, ik dacht aanvankelijk dat het een hele grote geschoren poedel was maar dat lag anders. Ludo heeft een Alpaca afgericht en zit ermee op het terras zoals ieder ander met zijn of haar hond zou doen. Voorbijgangers gaan ermee op de foto, aaien mag maar alleen de voorkant en wie je ook bent, je komt er niet vanaf zonder scherp, nederlands getint commentaar. De student uit China krijgt de vraag of haar ouders heel veel geld hebben zodat ze hier kan studeren en de Indiërs die met Pedro de poser op de foto gaan moeten het doen met ‘How’s that for a holy cow folks’.

Ludo is inmiddels 84 jaar jong en heeft het prima naar zijn zin hier. Een mevrouw die voorbij loopt blijkt zijn dochter en de volgende zijn eigen vrouw en hij stelt ze in het voorbijgaan netjes aan ons voor. Je snapt; Ludo is een icoon in Sheffield en misschien wel in heel Tasmanië. Naast de vele prachtige muurschilderingen die er hier zijn is ook hij met Pedro vereeuwigd op de muur tegenover zijn terras.

Men gunt het hem hier. 

Ik zou willen dat ik kon afsluiten met het begin.  Het is licht of het is donker, nat of droog. Alles verandert altijd en verder niet moeilijk doen maar de gereformeerden geëmigreerden gooien roet in het eten: Ludo blijkt vroeger op het terras aan de overkant gezeten te hebben maar de buren maakten bezwaar tegen het beest dat voor overlast zorgde.

Hij doet er niet moeilijk over.

Zo, zegt hij, ben toch altijd nog een beetje in Nederland.

Sint Jan

Je realiseert het je niet zo terwijl je reist maar alles aan en in het lijf vertelt je hoe het ervoor staat wanneer je even pauze houdt. Even pauze is in dit geval een verblijf van een dag of twee in een Bed & Breakfast met als belangrijkste item: een goede airconditioning en ruimte om binnen te kunnen zitten. Na alweer een aantal weken in de Outback gewoon in een klein stadje beland waar je niet hoeft na te denken over wind, felle zon, water, stof en hoe dat te bestrijden of juist niet. Het is deze dagen rond de veertig graden alhier en de ervaring leert dat ik dan ophoud met normaal functioneren. Zeg maar gerust dat ik ophoud met functioneren in het geheel. Ik ben er niet voor gemaakt, die hitte. Vandaar de zeer gewaardeerde schuilplaats in een rustig buitenwijkje van MIldura aan de grens tussen New South Wales en Victoria. Er is hier weer water in rivierenvorm( de Murray en de Darling river komen een stukje noordwaarts samen) en de omgeving is groen. Da’s even wennen na een poos stofhappen maar zeker fijn. Zit je ineens een middag en avond buiten in het gras aan de rivier met tig vogels, vissen en miljoenen sterren. Voordat de hitte toeslaat dan. Men is het hier wel gewend alhoewel het wel extreem en vroeg is dit jaar. Overal is de weerkaart lichtelijk anders ingekleurd dat eerder en het is of natter, warmer of droger, het waait meer en harder of juist niet kortom, geen pijl op te trekken. De Aussies verdwijnen gewoon uit het straatbeeld om zich slechts omhult door rijdend blik te vertonen onderweg naar de shopping mall waar de airco staat te loeien. Zeg maar Nederland in een koude winter met veel regen maar dan andersom qua warmte/koude regeling.

Ik wen er wel een beetje aan, die warmte. Vond ik een aantal maanden geleden de dertig graden al een ding, daar stap ik nu moeiteloos overheen om pas een graad of vijf verder lusteloos neer te ploffen. Je past je aan in meerdere opzichten. Zo is mijn garderobe meer gaan lijken op die van de gemiddelde outback bewoner doordat korte broek en t-shirt zijn doordrongen van het stof, zand en zweet die zich niet meer laten wegjagen door wat voor wasmachine dan ook. Na overschrijding van de vuil en/of gaten grens doen ze nog even dienst als poetslap alvorens in de vuilnisbak te verdwijnen. Koop ik weer een nieuw shirtje voor een herhaling van zetten. Je begrijpt; afgezien van een sporadisch gedragen shirt lange mouw, een vest en een lange broek en flipflops heeft de garderobe niet veel om het lijf.

Ook uiterlijk verandert er een en ander. Ik doel hier op de haardracht en bijbehorend onderhoud. Het groeit als vanzelf door maar wat meer onderaan het hoofd dan er bovenop. Door veel stof en gebrek aan borstelen moet er bij tijd en wijlen een klit uitgeknipt maar voor de rest valt het mij niet zo op. Totdat je een keer ergens bent waar een kapper is. In dit geval was het een grote relaxte Maori met bijbehorend imposant lijf en grote handen die hij door mijn haren haalde alsof hij bezig was de hoeveelheid scalp in te schatten die er nodig was om het bosschage bij elkaar te houden. Niets was minder waar. Op mijn opmerking dat het wat korter mocht en dat het gezichtshaar helemaal weg moest keek hij me een soort geschrokken aan. ‘Alles?’, vroeg hij, waarop ik bevestigend knikte. Na nog wat aaien door mijn haar leek hij te berusten in de keuze van de klant en ging aan het werk. Blijkbaar gaf het verwijderen van de inmiddels imposante baard hem vleugels want de rest van de haardracht leed er behoorlijk onder. Het moet ongeveer in mijn twaalfde levensjaar geweest zijn dat ik zo kaalgeknipt ben. En dat was toen nog onder supervisie van mijn vader en met een kapper die een bloempot op je kop zette waaromheen hij de rest weg knipte. Maar goed, na drie keer kijken herkende mijn lief me weer en zoals bij alle haar; het groeit in no time weer aan. Daar werd ik onlangs aan herinnerd toen ik een keer beeld belde met de door mij geliefde bandleden van la Zona die bier dronken na een oefenavond terwijl ik aan de andere kant van de wereld net mijn bed uitgekropen was. Omdat het hier niet gevierd wordt was ik gewoon vergeten dat ik vlak na 5 december belde. De baard was inmiddels nog dikker, groter en langer geworden omdat ook het kapper bezoek alweer lang geleden was. Blij als ik was ze in goede gezondheid te zien en stiekem genietend van een spervuur domme grappen van de drummer was hij het toch die het beklijvende toetje produceerde. Ik ga ervan uit dat het hier om wederzijds genoegen gaat met dit nieuwigheidje. Het gebeurt je tenslotte niet iedere dag dat je mag beeldbellen met Sint Jan.

 

 

Maat

In het land van het onbegrensde alles staat op eigenlijk niets een maat. Niet naar mijn maatstaven maar zeker ook niet naar de maten die hier gehanteerd worden. Het is een ding hier, de maat van iets. In een soort universele poging om de rest van dit continent de maat te nemen is er in bijna ieder oord van enige importantie wel van iets het grootste beeld waar je minimaal de regionale maar het liefst de landelijke pers mee wilt halen. Zo zag ik recentelijk een nieuwsbericht op ABC, landelijk dus, over  de grootste vrachtwagen die ergens gebouwd is en staat te pronken bij de gemeentelijke grens. Nu reist nieuws snel maar wij blijkbaar nog sneller want ik was er al een paar dagen eerder voorbijgereden. Ik herinner me dat er weinig woorden aan verspild zijn tijdens het passeren omdat ik er niet veel, zo niet, niets, van vond. Dat bleek een vergissing van kolossale afmetingen als ik het nieuwsitem van ABC mag geloven. De plaats in kwestie is me ontschoten maar de grote rode vrachtwagen dient tenminste in mijn geheugen gegrift te staan tot de dag dat mij de maat genomen wordt. Het zal me worst wezen.  Ik zag inmiddels de grootste garnaal, de grootste walibi, de grootste kikker, de grootste slang, de grootste krokodil, spin, fiets, kameel, mango, enzovoort. Nooit echter zag ik de grootste lul, alhoewel er zich al wel een paar kandidaten hebben aangeboden die weliswaar niet de landelijk pers gehaald hebben, maar toch. Ook de grootste billen of borsten worden dan toch weer niet publiekelijk aan de straat ten toon gesteld als beeld. Ook daarmee zag ik al menig eigenaresse rondzwieren in een winkelcentrum als ware het Sjoukje Dijkstra op de schaats toen ze nog de grootste prijzen won.

Kortom, gekkigheid. Het is een landelijk epidemie waar geen maat op staat. Stel je even voor dat we een dergelijk virus in Nederland opgelopen zouden hebben. Ik bedoel, ik woon in Balk, Friesland. Kun je je iets voorstellen bij de beeltenis die aan de gemeentegrens zou verrijzen? Om van de provinciale grens maar te zwijgen. Anderszins, nu ik erover nadenk. Het zou wel een aangename koerswijziging zijn te midden van wat van deze afstand een gekkenhuis lijkt waarin iedereen iedereen de maat neemt. Bijvoorbeeld, onschuldig van aard en goed voor de groen ambities van de stad: Den Haag. Gewaagder en ik denk goed om de landelijke pers mee te halen kan de beeltenis zijn aan de gemeentegrens van Gorinchem. Voor de rest laat ik het over aan uw eigen fantasie maar sla er vooral de Bosatlas nog even op na.

Iedereen is hier een maat. Mate(‘meet’) zoals ze hier zeggen. Dat maakt ze niet perse onmiddellijk jouw maat maar in ieder geval een maat hetgeen geen slecht begin is voor een praatje waarin ze graag willen uitvinden of je ook hun maat zou kunnen zijn. Meestal is het uitblijven van een vraag met Mate erin een veeg teken en is het niet uitgesloten dat zich geen enkele woordenwisseling gaat ontwikkelen. Bij buitenlanders is er ook nog altijd de grappig bedoelde vraag waar je vandaag komt, gevolgd door het eveneens ijs brekende, “ik dacht al dat ik iets hoorde”. Om vervolgens te vervallen in ellenlange verhalen over tantes, ooms, opa’s en oma’s uit jouw land van herkomst die ooit, lang geleden, de oversteek gemaakt hebben. Je begrijpt; de aandacht is tijdens deze monologen al dusdanig verzwakt dat van een maat in welke vorm dat ook geen sprake meer kan zijn. Mijn inschatting is dat je als mogelijke maat een heel eind komt wanneer je in een kort gesprek duidelijk kunt maken dat je van bier houdt en welk merk je drinkt(het is in dit geval van belang te weten wat de lokale brouwerij is en wat jouw favoriete soort ale is dat ze produceren). Dat je weet wat Footie is en tenminste drie Australische films of bands kunt opnoemen alsof je ze gisteren nog gezien hebt. En wanneer je eenmaal zover bent heb je een mate. 

Daar staat geen maat op.

Applaus

Ik tref een muzikant. Dat weet ik dan nog niet maar kom er snel achter. Hij eet zijn bammetje aan een picknick tafel met uitzicht over een betoverende baai bij Broome.

Vanavond is het de avond, zo schetst hij de belangrijkste gebeurtenis sinds jaren voor hem. Hij heeft, na lang oefenen zijn eerste live optreden in de RSL club in Broome en we zijn van harte uitgenodigd. Om kort te gaan, we gaan. Het optreden is, met alle respect, nog niet helemaal uitgekristalliseerd maar de show wordt gestolen door de club.

Het blijkt een veteranenclub gevuld met veel bier drinkende en vette hap etende halve en hele oorlogsslachtoffers inclusief rolstoelen die op barhoogte afgesteld zijn. Nou ja, gevuld is teveel gezegd; er is een lange tafel waaraan een man of tien naar elkaar zit te schreeuwen en twee van de andere dertig tafeltjes zijn bezet door een fotograaf en door ons. In de hoek, vlak bij de deur, de muzikant. Tot zover.

Een oudere man met een gitaar op het podium in de outback. Hij is aboriginal maar dat doet er niet toe. Hij bezingt zijn liefde voor zijn vriendin die tussen een aantal vriendinnen luistert naar zijn teksten. Ze giechelen wat af, onwennig als ze zijn aan de onverhulde liefdesbetuigingen die de man de ether inzingt. Hij vertelt en houdt telkens even zijn mond wanneer het ritme van zijn gitaar haar eigen gang gaat. Ik herken dat.

Hij blijkt uitgenodigd door de hoofdact van de avond. Ze staat tegen een tropische achtergrond haar ding te doen. Bezingt leven en liefde alsof ze ervoor geboren is. Wonderschone stem, prachtige covers en eigen werk. Zo iemand waarvan je niet snapt dat ze niet het lef uit de liedteksten op zichzelf toepast. Ga weg naar de stad !, wil ik roepen. Je verdient een carrière! Misschien is ze juist hier wel happy. Wat weet ik nou.

Een straatartiest in Fremantle blijkt ooit opgetreden te hebben op Oerol te Terschelling. Als ik zijn act bekijk snap ik dat wel. Deze wereldburger kent de mensheid, snapt zijn publiek en speelt onverholen met de mensen die hij eruit pikt. Uitdagend, verontschuldigend en tegelijkertijd superieur veegt hij met iedereen de vloer aan. De toespraak over hoe hij aan zijn geld komt duurt te lang maar is helder; alleen mijn publiek zorgt ervoor dat ik kan leven, geen overheid die mij bijstaat. Een kolfje naar Australische hand.

Vanaf het balkon van het pand aan de andere kant van de straat komen wat muntjes richting hoed naar beneden. Of het bier zo goedkoop is daarboven is zijn reactie die beantwoord wordt met een langzaam naar beneden zwevend briefje van twintig dollar. De artiest blijft ook na de voorstelling messcherp: you missed the hat, try again!

Ik vind het leven een grote voorstelling: je hoeft geen artiest te zijn om applaus te oogsten. Zo kom ik een opaal winkel binnengelopen in Coober Pedy om wat te struinen en de man achter de toonbank lacht me vermoeid toe dat alles te koop is. Eigenlijk echt alles inclusief zijn huis, zijn hele zaak en zijn auto. En als ik hem nou echt een plezier zou willen doen, neem dan ‘the misses’ ook maar mee. Kan hij terug naar Kroatië. 

Niet alle artiesten krijgen applaus hoezeer ze het ook verdienen.

Never never

Hij ziet eruit alsof hij zelf een rol heeft vertolkt in de film. Lange grijs-witte haren, bruin gelaat dat tekenen van dehydratie vertoont, mager getaand lichaam met bierbuik, een grote bruine aussie outback hoed op de schedel en pretogen die een humoristische kijk op het leven verraden.

Runt een tourbedrijfje, Never never tours, samen met zijn dochter hier in Kakadu National park, Arnhem land en land van drie clans van de Aboriginals die hier voor onderhoud en behoud van veel rotstekeningen zorgen, zo vertelt hij. “Daar”, gaat hij verder, zei hij:”see that treeline up there? That’s where that croc nearly got the better of me.”

Hij strooit citaten uit de film rond bij ieder veranderend uitzicht en ik beluister het sprakeloos met een heel grote glimlach van herkenning.

Misschien toch even wat achtergrond informatie over bovenstaande ontmoeting.

De film kwam uit in 1986. Ik was toen in het land waar zich het verhaal afspeelt en had geen weet van de cultstatus die het zou bereiken. Ik denk dat ik hem twee jaar later voor het eerst bekeek en weggeblazen werd door het fantastische verhaal, de opgevoerde figuren en de overweldigende natuur vooral. Ik heb de film daarna nog minstens 19 keer gezien en ken vele beelden en gesprekken uit het hoofd. Nog nooit, tot gisteren, ontmoette ik iemand die een vergelijkbare gekte aan de film overgehouden heeft.

“And that”, zegt hij wijzend van west naar oost langs de horizon, “that’s never never”.

Kijkend tegen de ondergaande zon in weet ik niet meer zeker of ik naar onze gids of naar een van de figuren uit Crocodile Dundee luister. Hij ademt de film. Weet waar scenes zijn opgenomen( het café staat hier 1200 km vandaan so that’s a little lie), waar de crocodile uit de film in opgezette staat is gebleven( die scene is in Darwin opgenomen) en ook Charlie, de waterbuffel uit de film die magisch gehypnotiseerd werd door Mick Dundee weet hij te vinden in een roadhouse café waar wij inmiddels ook geweest zijn. Qua fan-schap bewijst hij zijn meesterschap door te vertellen dat Charlie, na een rijk en vol leven, opgezet werd zodat iedereen hem kon zien in dat genoemde roadhouse. Wat weinig mensen weten is dat bij plaatsing in de beoogde zaal bleek dat het plafond te laag was en hij er niet in paste. Charlie is daarop teruggegaan naar de chirurg die een twintigtal centimeters uit zijn onderbenen gezaagd heeft en de boel weer aan elkaar gemaakt. Het is me niet opgevallen toen ik voor het dier stond en poseerde alsof ik hem hypnotiseerde.

Geheel in stijl lacht onze gids zijn licht bruinend gebit bloot als hij dit verhaal vertelt. Ik heb de neiging om terug te rijden naar het roadhouse maar weet, net als deze Dundee adept; de waarheid is van weinig belang. Het is het verhaal dat er toe doet.

Zien

Wat je ziet, correctie; wat ik zie, is niet direct iets waarvan ik de betekenis kan duiden. Ik bedoel; ik ben in West Australia en the Northern Territory en zie dingen die niet meteen volledig begrepen bij mij binnenkomen. Ik moet er af en toe een tijdje op kauwen om de smaak te kunnen duiden. 

Zo leerde ik vanmiddag iets over hobbels van een mevrouw bij de wasserette. NT is geen staat zoals andere gebieden in dit land en valt onder de centrale overheid vanuit Canberra. Dus, zei ze met een licht tevreden toon in haar stem, wanneer jij je afvraagt waarom de wegen hier in verhouding zo goed zijn dan is dat het. De centrale overheid geeft geld aan de regio’s voor wegenonderhoud en die voeren dat uit. Andere staten krijgen geld en kunnen ermee doen wat ze zelf willen. Dat geven ze dus niet uit aan het verbeteren van wegen zoals je waarschijnlijk wel gemerkt hebt. Terugdenkend aan legio hobbel ervaringen beaam ik wat ze zegt. Sommige wegen zijn echt het sluitstuk van de begroting en het begin van een begroting waarop menig nieuw auto onderdeel staat voor de mensen die erop rijden.

Over rijden gesproken, veel Australiërs ontvluchten het nu koude zuiden en gaan noordwaarts met terreinwagen en enorme offroad caravan erachter. Die dingen zijn drie keer zo duur als onze truck, die al niet goedkoop is en zijn voorzien van een interieur waar Jan de Bouvrie voor zou tekenen. Volgens een andere reiziger zijn die dingen na Covid de ware plaag. Half Aussieland heeft er een gekocht en daardoor zijn alle prijzen voor eten en kamperen verdubbeld. Je leert nog eens wat bij een biertje. De gesprekken die ik voer hebben vaak eenzelfde stramien: Waar kom je vandaan, waar ga je naartoe, waar ben je geweest en wat is je verdere plan. Het woord Nederland tovert vaak geëmigreerde grootouders tevoorschijn die na WO2 hierheen gegaan zijn voor een beter leven. De nazaten zijn zonder uitzondering zeer tevreden over die stap. De verre familie overzee is verwaterd, verdampt bijna en ze zijn zelf echte Aussies geworden. 

Die drinken dus behoorlijk wanneer er een feestje is alhoewel daar eigenlijk geen feest voor nodig is. Het drinken zelf wordt hier als feest ervaren geloof ik. Ongeacht de restricties op alcohol die er soms gelden. Die zijn goed voor de zwarte handel die welig tiert in letterlijk drooggelegde gebieden. Vlees wordt gegeten per kilo. Of het nu van kip, varken, rund, kangoeroe of krokodil komt. Via de barbecue worden er enorme lappen van weggewerkt in de outback. Ik neem aan dat het er in de steden wat anders en gematigd aan toe gaat maar weten doe ik het niet. Dit is hier de standaard zo lijkt het.

Van eigen grond is ook zo’n ding dat op elke verpakking in de winkel staat. De aardappels waar de chips van gemaakt is groeiden groot en sterk in Aussie grond net als de sla, appels, mango’s, mayo, soyasaus, boontjes, enzovoort. Alles komt hier vandaan en dus is het goed en het beste. Culinair gezien levert dit een hoop vette hap op op plaatsen die je niet perse met lekker eten in verband brengt, de roadhouses. Maar goed, wat je eet, mits nog herkenbaar na een uurtje frituurtje, komt wel uit Australia.

Zoals gezegd, ik kan niet alles direct doorgronden. Maar goed dat ik hier nog langer ben. Wellicht begint mij ooit te dagen wat voor deze mensen hier gesneden koek is. Aussie made.

Dagen als deze

Achteraf denk je soms dat je het had kunnen weten, zien aankomen op zijn minst. Niets is minder waar. Het is gewoon wat het is geweest.

West Australia, waar we nu zijn, is recordhouder loze ruimte van alle staten hier. Veel ruimte en niets loos.

Vanuit een meer dan prachtig kampeerplekje in de buurt van Meekatharra start de dag fris met zon en koffie. Tot zover niks aan de hand.

Er is na een honderdtal kilometers rijden een zijweg met iets te zien die niet te vinden is.

Er is na nog een honderdtal kilometers een oude boerderij die wel te vinden is maar geen bezienswaardigheid blijkt te zijn.

Er is na het derde honderdtal kilometers een kampeerplek die zo weggerukt lijkt uit een b-film met een hoop oude roestige olievaten, autowrakken, dubbelloops jachtgeweren en een bloederige slotscène.

We rijden vijfhonderd kilometer over de Great Northern highway en echt beter wordt het niet. Wind tegen, de roadtrains zorgen ervoor dat je net niet van de weg aflazert en omdat er niets te zien valt qua landschap vallen de lijken van doodgereden koeien en kangoeroes ineens extra op.

Om mij heen een afgegraven Australia dat zijn schatten uit de bodem op grote schaal en in hoog tempo naar het buitenland exporteert. Deprimerend is het enige woord dat weliswaar tekort schiet maar in de buurt komt.

Het rijden is voor deze dag genoeg in een plaats die Newman heet. Bij binnenkomst een bordje met een eervolle vermelding voor schoonste stad in West Australia. Niets is wat het lijkt. De kampeerplek is een terrein waar men hier grootste bijeenkomsten en feesten organiseert. Volledig geasfalteerd met rondom enorme hekken en schijnwerpers. Als ik kort moet gaan; een rangeerterrein waar in de nacht kilometers lange treinen vol ijzererts, tientallen meters lange vrachtwagens vol ijzererts en alle mensen die met deze werkzaamheden hun geld verdienen mij behoorlijk uit de slaap houden.

Dat zie je dus niet aankomen. De een heeft een slechte dag omdat er niks te zien is. De ander heeft een slechte nacht omdat er veel te veel te horen is.

Er schiet mij een lied van Van Morrison te binnen; my mamma told me there’d be days like this.

Jezus redt(het niet)

Jezus redt

‘Ik deel met u
mijn woorden
van de eeuwigheid.
Ik deel mijn wijn,
al besef zelfs ik
dat er in deze tijden
wat water bij zal moeten.
Ik deel met u
mijn vis.
Ik deel met u
mijn brood
met teksten
voor de eeuwigheid
Daar kunt u
nog wat van leren.
elke les
die heeft haar
eigen tijd.’

‘Wij delen u, mijn beste man en daar kunt u dan wat van leren,
Een bon uit.
U mag hier niet parkeren.’

(foto: Martin Stor)

Zand van goud

Er komt een man naar me toe.
‘Hoe gaat het met je?’
‘Met mij gaat het goed en met jou?’
‘Met mij gaat het ook goed, ik wens dat het jouw familie en vrienden ook goed gaat.’
‘Ik wens jou toe ook dat het je familie en vrienden goed gaat.’
‘Wil je thee?’
‘Natuurlijk, graag. Aardig van je.’
‘Kom, we drinken thee, insjallah.’
DSC_0081
De kreukels van zijn zwarte tulband vallen in de plooi met zijn gezicht. Uit zijn ogen puilt vriendschap en nieuwsgierigheid. Hij neemt me mee naar zijn tent en ik doe mijn schoenen uit. Een nomade familie duikt op uit de wedervragen die ik hem stel als hij mij bevraagd over mijn thuis. Hij beheert een Kashbah die dienst doet als museum. Het hangt er vol met oude gebruiksvoorwerpen van vroeger zegt hij maar ik zie ze met enige regelmaat nog op de droge akkers gebruikt worden. Het is winter in de woestijn. Rondom de Palmerya wordt de grond met rust gelaten. Het water uit de bron wordt mondjesmaat verdeeld door middel van een kopje met een gat erin dat in een volle bak met water drijft. Als het kopje volgelopen is, is er een uur voorbij en wisselt de bewatering van kanaal zodat iedereen zijn deel ontvangt. Eerlijker dan een horloge, zegt hij.
Zijn vader hangt op een foto aan de muur. Met de haren woest waaiend staat een door de wind gegroefd man tussen twee anderen naar zijn toekomst te staren. Een tafereel uit de vijftiger jaren dat verwezen is naar het museum. De man die me thee schenkt ziet er eender uit. De tijd verstrijkt hier per kopje. Hij is blij dat ik er ben, zegt hij. Zo kan hij leren over de wereld buiten de zijne. Ik vertel hem over het museum waar ik gewerkt heb en hij begrijpt vooral de dingen die over landbouw gaan. We herkennen elkaars instrumenten. Er is meer dat we in elkaar herkennen maar dat brengen we niet onder woorden. Zeventig kilometer verderop de woestijn in woont zijn familie die hij eens in de twee weken een weekend ziet. Dan runt zijn neef voor een weekend de Kashbah en kan hij heen en weer. Soms kan hij geen lift vinden en duurt de tocht langer, zo lang dat het bij samen eten blijft voor hij terug moet.
Hij geeft me van alles teveel. Teveel thee, teveel suiker erin, teveel vragen, teveel lachen, teveel van hem. Zo zijn wij, zegt hij. We geven onszelf weg zonder onszelf te verliezen en jij mag zelf uitmaken wat je er voor teruggeeft. Dat is een ding, besef ik, iets van jezelf geven zonder er iets voor terug te willen. We hebben hier allemaal de tijd, de liefde en elkaar, glimlacht hij me toe. Gisteren is er niet meer en morgen kennen we nog niet. We hebben alleen vandaag.
‘Vandaag drink ik thee met jou.’
Bij het afscheid omhelzen en kussen we elkaar. De gewoonte maakt woorden overbodig maar we zeggen het toch.
‘Ik wens dat het jou, je vrienden en familie voor altijd goed gaat.’
‘Ik wens jou ook dat het jou, jouw familie en vrienden voor altijd goed gaat.’
‘Insjallah.’
Als ik door het zand in de woestijn verder loop bedenk ik dat morgen nog niet bestaat. Vandaag bestaat uit een groot hart. Een groot hart van goud.

Tuinfeest maXmo 10 jaar

maxmo10jaar1Ter gelegenheid van het tien jarig bestaan van het bedrijf maXmo mochten we, Romheen met la Zona, een akoestisch optreden verzorgen in het voorprogramma van niemand minder dan Lucas Hamming die optrad in het kader van Serious Request. 3FM belde nog even voor een kleine check! Mooi feest, lekkere barbecue en goeie muziek! Klik hier voor beeld en geluid.

maxmo10jaar

Check de Agenda voor volgende optredens van Romheen met La Zona. We raken op stoom!