Klacht

Je denkt op onderzoek te gaan in een land waar de zon in de winter behaaglijk is en het landschap adembenemend. Dat laatste klopt maar verder heb je buiten de regen gerekend. Het regent vaak en vooral veel, zoveel dat wegen bevaarbaar worden en rivieren domme toeristen meesleuren die denken dat de natuur iets is dat je zelf maakt. Je overweegt je beklag te doen over het weer bij geen instantie in het bijzonder tot je erachter komt dat je rond rijdt op een plek waar het de afgelopen acht jaar niet, ik herhaal, de afgelopen acht jaar niet geregend heeft. De mensen die er proberen te overleven dansen nog net niet de hele dag in de hoeveelheid plens die uit de lucht valt maar zitten wel de hele dag met een enorme glimlach onder afdakjes. Ik spreek ze en zonder uitzondering verwelkomen ze het water. Hoopvol want er kan weer iets gaan groeien.

Verderop regent het al langer dan een week of twee en is alle grijs en bruin verandert in fris lichtgroen. Razendsnel alsof de gewassen bedacht hebben zich dubbel zo snel te ontwikkelen, nu het kan. Semi uitgedroogd heeft er een druppel water aangeklopt bij ieder zaadje en is alles ontaardt in een orgie van vijftig tinten groen.

Boven op een hoge berg staat een oud fort. Er omheen uitzicht met rivier en groen dat aan de loop van de Moezel doet denken. Ik ging daar vroeger met mijn vader en moeder heen op vakantie maar daarover ga ik nu niet klagen. Het fort heeft toevlucht geboden aan de koning van Marokko maar kan ook een militair fort geweest zijn, de gids heeft een rijke nogal ongelimiteerde fantasie. Slapen langs de buitenmuur kan, de gids regelt dat er tajine bezorgd wordt en wijst ons op de gevangenis binnen de muren van het fort. Een oneindig diep gegraven hol met hoog in het plafond een paar gaten waardoor je kunt zien of het dag of nacht is. De hoeveelste doet er niet toe want het complex wekt niet de indruk dat er meer dan alleen een ingang was.

Wanneer ik naar buiten loop begint het zachtjes te regenen. Wellicht dat ze de paar druppels die door de gaten boven hen vielen vroeger ook als zegening zagen.

Ik weet het nu echt zeker; ik mag niet klagen.

Blikken

‘Deze smaakt goed, iets te zoutig maar oké.’

Hij draait zich op zijn rug, fatsoeneert zijn lange snorharen en krabt zichzelf over de strakgespannen huid van zijn bolle buik. Zijn favoriete eten, hij kan er geen genoeg van krijgen, drijft er met veel plezier in rond. De zon schijnt, hij voelt wel wat voor een dutje dus wacht hij de juiste deining af en vanuit de top van een hoge golf hupt hij ogenschijnlijk moeiteloos op een uitstekend stuk rots de zon in. Het  water sluit zich achter hem tot de azuurblauwe deken die de zee hier is.

‘Kijk!, een zeeleeuw. Zelfs de gids kijkt ervan op. Ze vindt het net circusartiesten, vragen alle aandacht alleen dan onbetaald. Ik zit in een kayak en peddel door het azuurblauw dat Tasmanië omringd. Ik vrees dat ik er niet de juiste woorden voor kan vinden maar goed. Beter een half woord dat niet genoeg is. Sinds Abel T. zijn heel wat medelanders mij voorgegaan en ook blijven hangen hier. Dat snap ik wel, wie, indien geestelijk gezond, gaat hier weer weg? Om elke bocht alweer een paradijs dat je betoverd met alle kleuren, geuren en geluiden die je kent van de allereerste bounty reclame. Ik droomde erbij weg en belandde weer op aarde door het gegiechel van mijn zussen die zaten te wachten tot Ad Visser en Penny de Jager hun zaterdagavond inkleurden.

Nu dobber ik hier. Onder me scheuren de zeeleeuwen en -honden het kelp uit de saladebar of dobberen volgevreten en tevreden naast me. Ik bekijk de hoge rotsen, scherp aftekenend tegen de wolkenloze lucht en zonlicht. Het woord blauw komt hiervoor kleur tekort. Afgesleten door wind en water steken de stenen pilaren elkaar als verticaal geordende legoblokken  naar de kroon. Dit stuk van de kust heeft een versleten jas aan van 30 duizend jaar en gaat nog wel een paar wasbeurten mee.

Er staat geen maat op ben ik bang. Dit eiland is de circustent waarin alle artiesten om aandacht schreeuwen en nog terecht ook. 

Er is een artiest die ik die aandacht graag ontzeg maar helaas behoort dat na 4,5 uur in de kayak niet meer tot de mogelijkheden.

Een blikken reet is als uitdrukking niet meer toereikend. Ik kom blikken tekort.

Maat

In het land van het onbegrensde alles staat op eigenlijk niets een maat. Niet naar mijn maatstaven maar zeker ook niet naar de maten die hier gehanteerd worden. Het is een ding hier, de maat van iets. In een soort universele poging om de rest van dit continent de maat te nemen is er in bijna ieder oord van enige importantie wel van iets het grootste beeld waar je minimaal de regionale maar het liefst de landelijke pers mee wilt halen. Zo zag ik recentelijk een nieuwsbericht op ABC, landelijk dus, over  de grootste vrachtwagen die ergens gebouwd is en staat te pronken bij de gemeentelijke grens. Nu reist nieuws snel maar wij blijkbaar nog sneller want ik was er al een paar dagen eerder voorbijgereden. Ik herinner me dat er weinig woorden aan verspild zijn tijdens het passeren omdat ik er niet veel, zo niet, niets, van vond. Dat bleek een vergissing van kolossale afmetingen als ik het nieuwsitem van ABC mag geloven. De plaats in kwestie is me ontschoten maar de grote rode vrachtwagen dient tenminste in mijn geheugen gegrift te staan tot de dag dat mij de maat genomen wordt. Het zal me worst wezen.  Ik zag inmiddels de grootste garnaal, de grootste walibi, de grootste kikker, de grootste slang, de grootste krokodil, spin, fiets, kameel, mango, enzovoort. Nooit echter zag ik de grootste lul, alhoewel er zich al wel een paar kandidaten hebben aangeboden die weliswaar niet de landelijk pers gehaald hebben, maar toch. Ook de grootste billen of borsten worden dan toch weer niet publiekelijk aan de straat ten toon gesteld als beeld. Ook daarmee zag ik al menig eigenaresse rondzwieren in een winkelcentrum als ware het Sjoukje Dijkstra op de schaats toen ze nog de grootste prijzen won.

Kortom, gekkigheid. Het is een landelijk epidemie waar geen maat op staat. Stel je even voor dat we een dergelijk virus in Nederland opgelopen zouden hebben. Ik bedoel, ik woon in Balk, Friesland. Kun je je iets voorstellen bij de beeltenis die aan de gemeentegrens zou verrijzen? Om van de provinciale grens maar te zwijgen. Anderszins, nu ik erover nadenk. Het zou wel een aangename koerswijziging zijn te midden van wat van deze afstand een gekkenhuis lijkt waarin iedereen iedereen de maat neemt. Bijvoorbeeld, onschuldig van aard en goed voor de groen ambities van de stad: Den Haag. Gewaagder en ik denk goed om de landelijke pers mee te halen kan de beeltenis zijn aan de gemeentegrens van Gorinchem. Voor de rest laat ik het over aan uw eigen fantasie maar sla er vooral de Bosatlas nog even op na.

Iedereen is hier een maat. Mate(‘meet’) zoals ze hier zeggen. Dat maakt ze niet perse onmiddellijk jouw maat maar in ieder geval een maat hetgeen geen slecht begin is voor een praatje waarin ze graag willen uitvinden of je ook hun maat zou kunnen zijn. Meestal is het uitblijven van een vraag met Mate erin een veeg teken en is het niet uitgesloten dat zich geen enkele woordenwisseling gaat ontwikkelen. Bij buitenlanders is er ook nog altijd de grappig bedoelde vraag waar je vandaag komt, gevolgd door het eveneens ijs brekende, “ik dacht al dat ik iets hoorde”. Om vervolgens te vervallen in ellenlange verhalen over tantes, ooms, opa’s en oma’s uit jouw land van herkomst die ooit, lang geleden, de oversteek gemaakt hebben. Je begrijpt; de aandacht is tijdens deze monologen al dusdanig verzwakt dat van een maat in welke vorm dat ook geen sprake meer kan zijn. Mijn inschatting is dat je als mogelijke maat een heel eind komt wanneer je in een kort gesprek duidelijk kunt maken dat je van bier houdt en welk merk je drinkt(het is in dit geval van belang te weten wat de lokale brouwerij is en wat jouw favoriete soort ale is dat ze produceren). Dat je weet wat Footie is en tenminste drie Australische films of bands kunt opnoemen alsof je ze gisteren nog gezien hebt. En wanneer je eenmaal zover bent heb je een mate. 

Daar staat geen maat op.

Vragen

‘Er werd mij op school geleerd dat de donkere mens, de aboriginal, op de wereld is gezet om de blanken te ondersteunen en te helpen’.  Een goed voorbeeld van het superioriteitsgevoel waarmee het Engelse onderwijs in de jaren vijftig/zestig doordrenkt was.

Ik schat haar een jaar of vijf ouder dan mezelf maar dat kan ook zijn omdat ik er niet zo goed aan kan wennen er net zo uit te zien als oudere mensen. 

Ze had een vriendin die Aboriginal was maar dat wist ze niet, of ze was zich er niet van bewust, tot haar 15e of zoiets. Ze weet veel over de oorspronkelijke bewoners van dit continent. Hoe ze trouwen en voorkomen dat er inteelt ontstaat. Hoe je zwangerschap  voorkomt door de juiste blaadjes te eten en hoeveel. Hoe ze voor elkaar moeten zorgen wanneer ze bij een andere stam zijn. 

Aboriginals reizen van het ene volk naar het andere. Ik kwam twee maanden geleden een stel tegen bij Eighty mile beach, overigens maar 14 mile of zo ( de rest is afgezet) maar dat terzijde, die vertelden dat ze echt, nee echt op vakantie waren. ‘We willen de wereld zien zoals hij echt is’. 

Ik snapte dat toen niet maar weet inmiddels dankzij de juf van nu dat ze niet meer telkens ergens op bezoek gingen bij een andere stam maar gewoon naar een camping. Daar zagen ze de wereld zoals ie was. Achteraf sla ik mezelf voor de kop dat ik niet de vraag gesteld heb wat ze dan zagen en wat ze ervan vonden. Maar goed.

De juf is nog niet klaar. Ze zegt dat de twee zoons had en nu een zoon en een dochter. Dat roept vragen op die wel gesteld worden. 

Een zoon blijkt getrouwd te zijn geweest met een vrouw van aboriginal afkomst. Ze heeft de vrouw in kwestie geadopteerd als dochter maar zoonlief verloren door een stomme familie ruzie. Hij wil haar niet meer zien maar de dochter is nieuw familielid geworden. 

Die ‘dochter’ had hem overigens wel voor de keuze gesteld: of je zorgt voor vrouw en kind, of je zorgt voor dat werkschuwe tuig dat alle boodschappen telkens meeneemt.

Mijn inzicht in hoe dat nou werkt bij de aboriginals is ontegenzeglijk toegenomen na de lessen van deze juf. Of ik hier de goeie vragen gesteld heb is wellicht nog een klap voor mijn kop waard.

Lang gras

“We zitten momenteel helemaal zonder”, is het antwoord op haar vraag of ze misschien een beetje water kan krijgen. Ik zit in een kleine uitspanning bij een benzinestation een bakje koffie te drinken in afwachting van de servicebeurt die ons vervoersmiddel ondergaat. Buiten voor de deur, op straat, is een aboriginal familie gaan zitten rondom een bakje friet met burger dat een van hen net gekocht heeft. Een ander uit het gezelschap, een jonge vrouw, is naar binnen gelopen om haar telefoon op te laden en water te vragen. Dat is dus op.

We kunnen je niet wegsturen maar welkom ben je hier niet is de duidelijke boodschap. Weg gaan ze ook niet, ze zijn het geenszins van plan, de aboriginals rondom en in Darwin. Ze worden hier ‘the long grass people’ genoemd en zijn de blanken een doorn in het oog. Ik heb er een boekje over gekocht dat ik nog moet lezen maar een kopje koffie bij een benzinestation maakt de achterflap ervan volledig overbodig. 

Als schaduwmensen bewegen ze zich door het straatbeeld. Wanneer je erop let zie je bijna geen contact tussen blank en zwart, alsof ze in dezelfde straat door twee verschillende werelden lopen. Verzamelen zich rondom de hotels met een drankvergunning en zodra die open gaan veranderd het straatbeeld. De aan alcohol verslaafde aboriginals verdwijnen uit beeld om er na sluitingstijd schreeuwend en bezopen weer uit te komen.

Op de bushcamping waar we staan, net buiten Darwin treffen we Gordon, van origine Zuid Afrikaan. Als jongeling naar Engeland verhuisd en later naar Australia geëmigreerd. Hij omschrijft zijn wens om weg te gaan uit het land van apartheid als noodzakelijk voor zijn geestelijk welzijn en dat van de wereld. De haat en onderdrukking stonden alle vrijheid en vrolijkheid in de weg. Hier, in zijn beloofde land met eindeloze horizon is die vrijheid voelbaar en helemaal geweldig. Komend uit het land van duivels aanbeden apartheid en de Klerk kan ik me die gedachte nog wel voorstellen ook. Alles kan altijd nog groter, kleiner, beter of slechter. Ik denk dat er in de wereld nog heel wat te verbeteren valt wanneer het op gelijkheid aankomt. En dat Gordon niet eens zo heel ver hoeft te kijken om dat te zien. Rondom het bushcamp staat het in overvloed; heel lang gras.

Zien

Wat je ziet, correctie; wat ik zie, is niet direct iets waarvan ik de betekenis kan duiden. Ik bedoel; ik ben in West Australia en the Northern Territory en zie dingen die niet meteen volledig begrepen bij mij binnenkomen. Ik moet er af en toe een tijdje op kauwen om de smaak te kunnen duiden. 

Zo leerde ik vanmiddag iets over hobbels van een mevrouw bij de wasserette. NT is geen staat zoals andere gebieden in dit land en valt onder de centrale overheid vanuit Canberra. Dus, zei ze met een licht tevreden toon in haar stem, wanneer jij je afvraagt waarom de wegen hier in verhouding zo goed zijn dan is dat het. De centrale overheid geeft geld aan de regio’s voor wegenonderhoud en die voeren dat uit. Andere staten krijgen geld en kunnen ermee doen wat ze zelf willen. Dat geven ze dus niet uit aan het verbeteren van wegen zoals je waarschijnlijk wel gemerkt hebt. Terugdenkend aan legio hobbel ervaringen beaam ik wat ze zegt. Sommige wegen zijn echt het sluitstuk van de begroting en het begin van een begroting waarop menig nieuw auto onderdeel staat voor de mensen die erop rijden.

Over rijden gesproken, veel Australiërs ontvluchten het nu koude zuiden en gaan noordwaarts met terreinwagen en enorme offroad caravan erachter. Die dingen zijn drie keer zo duur als onze truck, die al niet goedkoop is en zijn voorzien van een interieur waar Jan de Bouvrie voor zou tekenen. Volgens een andere reiziger zijn die dingen na Covid de ware plaag. Half Aussieland heeft er een gekocht en daardoor zijn alle prijzen voor eten en kamperen verdubbeld. Je leert nog eens wat bij een biertje. De gesprekken die ik voer hebben vaak eenzelfde stramien: Waar kom je vandaan, waar ga je naartoe, waar ben je geweest en wat is je verdere plan. Het woord Nederland tovert vaak geëmigreerde grootouders tevoorschijn die na WO2 hierheen gegaan zijn voor een beter leven. De nazaten zijn zonder uitzondering zeer tevreden over die stap. De verre familie overzee is verwaterd, verdampt bijna en ze zijn zelf echte Aussies geworden. 

Die drinken dus behoorlijk wanneer er een feestje is alhoewel daar eigenlijk geen feest voor nodig is. Het drinken zelf wordt hier als feest ervaren geloof ik. Ongeacht de restricties op alcohol die er soms gelden. Die zijn goed voor de zwarte handel die welig tiert in letterlijk drooggelegde gebieden. Vlees wordt gegeten per kilo. Of het nu van kip, varken, rund, kangoeroe of krokodil komt. Via de barbecue worden er enorme lappen van weggewerkt in de outback. Ik neem aan dat het er in de steden wat anders en gematigd aan toe gaat maar weten doe ik het niet. Dit is hier de standaard zo lijkt het.

Van eigen grond is ook zo’n ding dat op elke verpakking in de winkel staat. De aardappels waar de chips van gemaakt is groeiden groot en sterk in Aussie grond net als de sla, appels, mango’s, mayo, soyasaus, boontjes, enzovoort. Alles komt hier vandaan en dus is het goed en het beste. Culinair gezien levert dit een hoop vette hap op op plaatsen die je niet perse met lekker eten in verband brengt, de roadhouses. Maar goed, wat je eet, mits nog herkenbaar na een uurtje frituurtje, komt wel uit Australia.

Zoals gezegd, ik kan niet alles direct doorgronden. Maar goed dat ik hier nog langer ben. Wellicht begint mij ooit te dagen wat voor deze mensen hier gesneden koek is. Aussie made.

Vis

Je kunt hier vissen maar dat lijkt toch een soort van absoluut niet de bedoeling. De kleur en soort in veelvoud beschouwend flipper ik over het grote, wacht, the great barrier reef. Vertalen kent zo zijn beperkingen.

Zelfs een kleurenblind persoon zou zich hier uit zijn kwallen werende pak wurmen onder het uitroepen van bewonderende kreten. De kleuren zie je niet alleen, je voelt ze, je ruikt ze. Alles onder water ademt kleur.

In Nederland, een paar dagen geleden nog maar, zag ik een reportage over het grote rif hier. Alles is dood, huilde een professor in de leer. Niet meer te redden. Vrijwilligers deden wat ze konden maar er restte slechts een wit in vijftig tinten van ontreddering.

Morsdood.

In die reportage dus.

Nu ligt dat rif uitgesmeten over 900 kilometer dus er zal vast wat afstand gezeten hebben tussen mij en die professor.

Maar toch, ik ben in Aussieland voor een jaar en er moet me iets van het hart over de berichtgeving in Nederland, nou ja, aangaande dit rif dan.

Ik drijf hier rond, heb de waarheid niet in pacht maar dit is wat ik bedacht heb na wat geklets zo her en der.

Het rif, als in HET rif , bestaat niet.

Het is zo groot dat er veel verschillende mededelingen over te doen zijn. Op sommige plekken huilen professoren terecht tranen en tuiten hun lippen, op andere plekken juichen bezoekers, beheerders en professoren om een bruisend en levendig koraalrif. O ja, en lokale ondernemers ook.

In Nederland kun je vissen naar de waarheid.

Wat je vangt is dan aan jou.

Foto: Justin Timmer

de handschoen(3)

Was deze vrouw serieus van plan hem te gaan vertellen waar hij zich zorgen over maakte? Niet bij machte de gedachte aan een weddenschap naast zich neer te leggen, streek hij het suède van de handschoenen langzaam langs de rug van zijn hand.
‘Akkoord,’ sprak hij kordaat, ‘wat is uw inzet?’
‘Ik vind ze erg mooi,’ zei ze zachtjes, wijzend op zijn handschoenen.
‘Dat zou dan niet uw inzet moeten zijn maar de mijne,’ een lichte irritatie klonk door in zijn stem. ‘U kunt niet bepalen wat mijn inzet is, dat moet ik zelf doen’.
Hij had moeite zijn opkomende ergernis te bedwingen, vanwege het amateurisme waarmee hij werd geconfronteerd. Zonder haar antwoord af te wachten ging hij verder.
‘Mevrouw, gelooft u mij gerust, ik weet waar ik het over heb als ik spreek over de etiquette van een goede weddenschap.’
De jonge vrouw was opgestaan en schoof een stoeltje op,in zijn richting.
‘Hoe weet u dat dan zo goed?’
‘Als jonkheer op Landgoed ‘Terbreughe’ ben ik al sinds jaar en dag ceremoniemeester bij de door de freule georganiseerde charité’s waarbij het wedden, loven en bieden een geaccepteerde manier zijn om de uitverkoren goede doelen van enige funding te voorzien.’
Hij realiseerde zich dat hij zijn vrouw altijd de freule noemde, als het over de activiteiten op het kasteel ging. Verbaasd keek de jonge vrouw hem aan.
‘U woont op dat kasteel? Wow, dan heeft u ongetwijfeld een enerverend bestaan! Ik heb er laatst nog een artikel over zitten lezen. Hadden ze niet iets in beslag genomen of zo?’
De bittere herinnering viel hem rauw op zijn dak.
‘Ik zal aan uw verzoek voldoen,’ sprak hij opzettelijk langzaam en duidelijk articulerend. ‘Mijn inzet zullen deze handschoenen zijn. Wat is de uwe?’
‘Die column van Van ‘t Hek loog er niet om,’ ging de vrouw onverstoorbaar verder. ‘Alweer een kasteelroman verwezen naar het rijk der fabelen’ zei hij erover, als ik het goed onthouden heb’.

landgoedTerbreughe

Terbrueghe stond geïrriteerd op en liep langzaam bij de vrouw vandaan. Niet alleen die column maar eigenlijk alles wat erover geschreven was, had er niet om gelogen. Het was de directe aanleiding geweest voor zijn bezoek hier en van het ultimatum dat zijn vrouw hem gesteld had. Afgezien nog van de negen dagen die hij noodgedwongen bij de FIOD gespendeerd had. Nog steeds tastte hij in het duister over de ware toedracht van de ontdekking, die zijn betrokkenheid bij deze zaak had blootgelegd. Corné, zijn zakelijk adviseur in deze, en hij hadden de zaken goed doorgesproken en behalve de notaris, voor de officiële vastlegging, was niemand ervan op de hoogte geweest. Na de inval had hij Corné niet meer gesproken.
Toen hij er voor het eerst over begonnen was had Terbreughe zijn adviseur niet geloofd.
‘Subsidie op landschappelijk verantwoord grondbeheer? Wat is dat nou toch voor onzin’.

De handschoen(2)

‘Je gaat gewoon Jacques, je gaat!’. Ze had tegen hem staan schreeuwen toen hij een ultieme poging deed om onder deze afspraak uit te komen. ‘Het is genoeg geweest, ik kan er niet meer tegen. Je had er allang geleden iets aan moeten doen!’

Vanuit haar standpunt bekeken kon hij het zich eigenlijk wel voorstellen. Zijn levenswijze hing haar de keel uit. Maar zeker was hij daar niet van. Ze had hem er ook van overtuigt dat hij er voor zichzelf heen moest, en hij was gegaan. Nu, na al die jaren van status quo, die door hem als bijzonder prettig waren ervaren. Aanvankelijk had ze zijn uitjes helemaal geen probleem gevonden. Ze was opgegaan in haar eigen leven met de kinderen en familie. Hij stelde zich voor dat ze zijn afwezigheid op zekere momenten wel kon waarderen. De bijeenkomsten op het kasteel hadden al haar aandacht gevraagd en hij leefde zijn eigen leven, op afstand van wat haar bezighield. Daar was verandering in gekomen toen de kinderen uit huis gingen, en zij zich meer met hem was gaan bemoeien. Hij kon nog maar sporadisch genieten van wat hij zijn avondje Casino Royale noemde. Weg van de realiteit en het publieke leven als jonkheer op kasteellandgoed ‘Terbreughe’, waar hij zo’n grondige hekel aan had gekregen.
Hij overwoog om het de therapeut straks voor te leggen, dat hij zijn hele leven al probeerde om iemand anders te zijn. Afstand te nemen van die gouden lepel, die hij verafschuwde, en zijn leven zelf ter hand te nemen, in plaats van de ongeschreven familiewetten en vaders harde hand klakkeloos te volgen. Maar hij vreesde de te pijnlijke conclusies die hierover ,na veertig jaar proberen, te trekken waren.
Hij voelde zich een zwakkeling.

casino royale

‘Ik durf te wedden dat u zich vreselijke zorgen zit te maken.’ De jonge vrouw was opgestaan en kwam naar hem toe gelopen.
‘Zorgen?’
‘Ja, zorgen,’ zei ze beslist, terwijl ze met haar ene hand op de rug van haar andere hand tikte.
‘U zit de hele tijd met uw handschoenen op uw hand te slaan’.
‘O, het spijt me als ik u daarmee geërgerd heb, dat was niet mijn bedoeling’.
‘Nee hoor, het kwam me juist wel bekend voor’.
De jonkheer kneep zijn ogen samen.
‘Dus u denk te weten wat er zich in mijn hoofd afspeelt? Dat doet vermoeden dat u aan de verkeerde kant van de deur zit’, zei hij, wijzend op het bordje ‘spreekkamer’.
Alsof de jonge vrouw zijn behoefte aan afstand voelde was ze twee stoelen bij hem vandaan komen zitten. Ze glimlachte en keek hem uitdagend aan.
‘Nou,’ vroeg ze nogmaals, ‘wedden?’