Jenseits der Grenze

De vijftien foto’s, die ze van me namen, de Duitsers, liggen gestapeld op tafel. Als mijn geheugen in flarden beeld dat me, op het langzaam vergrijzend celluloid, meeneemt. Witte lokken brengen jouw naam naar boven. Christoff Werschkull. Dein partner von jenseits der grenze.

‘Hallo Jan, Christoff hier, wie get’s?’ Am Apparat een gedreven mens, flamboyant, aimabel en onberekenbaar. Zijn Deutsche gründlichkeit heb ik vaak voor onbehoorlijke bemoeizucht aangezien. Buitenaardse verkooptargets geïnterpreteerd als pogingen tot afpersing. Ik wil je daarover nog iets uitleggen, Christoff, een laatste woord wijden aan mijn misverstaan.

Met de groep verkopers lopen we langs de oevers van de Bodensee. Zwitserland kijkt toe vanaf de overkant. Je bent jarig en hebt, na teveel bier en schnitzel, eindelijk tijd gemaakt om het cadeau in ontvangst te nemen.

‘Na Jungs, kommt zeig es mir endlich!’ De stemming is jolig, jongensachtig en er hangt ongein in de lucht. Brallend over de promenade vervolgt de groep haar weg in de richting van waar ik slechts landerijen vermoed. Meegenomen naar de aangekondigde Überraschung die de boys voor je bedacht hebben. Binnen de groep mannen is het niet uitgesproken, maar de wereld is vannacht van hen. De nachten zijn hier anders, jenseits der Grenze. Er staat een huis, een huis alleen. Boven de voordeur schijnt het flauwe licht van een schommelende buitenlamp, die jou van bewegende schaduw voorziet wanneer je aanbelt. Op een meter of tien kijken we toe. In de deuropening verschijnt een oudere vrouw wiens gestalte contouren krijgt door het gekleurde licht, dat haar van achter beschijnt. Breed lachend kijk je om en steekt je middelvinger naar ons op terwijl je naar binnen loopt. Joelend en fluitend strompelen de dronken mannen rond het huis, als een roedel wolven in afwachting van het weerkeren van hun leider. Op de eerste verdieping gaat een raam open.

‘Verdammt nochmal, kommt rein oder haut ab!’

Als we, een uurtje later, terugwankelen naar een Kneipe die nog open is, kom je naast me lopen en slaat je hand om mijn schouder. De lantaarns langs de straat maken jouw lokken zwart-wit. Je informeert wanneer ik jarig ben, ik lieg erover omdat ik bang ben ook zo’n cadeau te krijgen. Je vraagt me naar de foto’s. Hoeveel er van mij gemaakt zijn.We hebben het er vaker over gehad met telkens hetzelfde resultaat; je werd er furieus over en raadde me aan ze gewoon weg te smijten.

‘Die Autobahn’, zei je altijd, ‘ist da zum fahren, nicht zum spazieren.’

boete-flits

Ik heb ze nooit weggegooid. Ze liggen hier voor me, de foto’s. Geportretteerd tijdens snelheidsovertredingen op de Duitse Autobahn. Ik zie mezelf, duidelijk zichtbaar achter het stuur, terwijl ik het gevoel probeer terug te halen. In de hoogste versnelling raas ik door de tijd dat ik je meemaakte. Sta stil, bij de auto’s die je versleet, je gouden kettingen, de vrouwen die je kaapte, jouw uitspraken, de ongekende levenslust waarmee je mij overviel.

‘Hallo Christoff, Jan hier, dein partner von jenseits der Grenze.’

Jacqueline Maertens(3)

Toen we elkaar later die avond in ‘De Waagh’ tegenkwamen, was hij één en al vriendelijkheid. Ik toonde zo weinig interesse in hem als ik maar kon.
‘Ze is geen concurrentie voor je hoor’, zei hij in het voorbij lopen.
Ik moet niet begrijpend hebben gekeken want hij hield zijn ontblote linker pols omhoog. Ik haatte zijn verzwijgen. In tegenstelling tot bij onze eerste ontmoeting kon ik niet ophouden met de kleren van zijn lijf te scheuren als ik naar hem keek. Ik projecteerde alles, wat er niet geweest was in mijn eerdere relaties, op hem. Dat is me wel vaker overkomen. Ik geloof dat ik net als iedereen ben. Op een roze wolk leer je niets. En als je denk er vanaf gevallen te zijn, zit je er nog middenin. Ik heb de neiging mezelf dat erg kwalijk te nemen, dat langzame leren.
Het is altijd, allemaal mijn eigen schuld. Daar betaal ik soms een hoge prijs voor.
Corné was mijn hoofdprijs. Tegen beter weten in knoopten we onze einders weer aan elkaar.

Voor Corné bestond roze niet. Daar was hij te berekenend voor. Hij woog zijn belangen af en handelde ernaar. Ik was gekomen in plaats van een ander, en ik zag toen nog niet in dat er uiteindelijk in mijn plaats ook weer een ander zou zijn. Dat maakt Corné niet perse slecht. Het maakt mij blind. Het is allemaal mijn eigen schuld. Eigen schuld. Schuld.
Hij was een geweldige lover. Niet alleen door de verschroeiende seks die we deelden maar vooral ook door alles wat er omheen hing. Telefoontjes, sms’jes, bloemen, cadeautjes, tripjes. Niets was hem te gek, en ik zwierde door de stad aan zijn arm alsof er geen morgen meer was.

Af en toe was Vera er. Ze leefde bij haar moeder en kwam alleen als het echt niet anders kon. Corné hield van haar maar maakte nooit genoeg tijd, om dit echt te laten zien. Het leek alsof hij de affectie, voor degenen waar hij van hield, vervormd had in een eindeloze stroom cadeautjes waar niemand op zat te wachten.
De enige keer dat ik hem heb zien treuren, was twee dagen nadat hij op Schiphol zijn ex en Vera had staan uitzwaaien. Ze gingen naar New York om haar carrière als model een nieuwe boost te geven bij een groot modellenbureau, en Vera ging mee. Haar eigen nieuwe toekomst tegemoet.
Corné was een tijdje onvindbaar, en dook na een dag of wat weer op in ‘De Waagh’. Ongeschoren, met een flinke kegel, hing hij aan de bar. In zijn rood omrande ogen zag ik het ongeloof over de gebeurtenissen en proefde de wanhoop op zijn lippen toen ik hem kuste.
‘Zeg er liever maar niks meer over’, sprak hij zachtjes met een rafelig randje in zijn stem.
‘Jij en Johnnie moeten me maar troosten.’ Hij hield zijn lege glas omhoog in de richting van de barkeeper. We hebben er nooit meer over gesproken, afgezien misschien van een opmerking, die me op een of andere manier is bijgebleven.
‘Weet je’, zei hij, terwijl zijn krullen mijn blote buik kriebelden en zijn handen abstracte figuurtjes maakten boven de verkreukelde lakens.
‘Als je kinderen wilt zul je een ander moeten zoeken.’

johnnieWalker

Feiten

Vanwaar ik zit, zijn ze goed te zien, de vrouwen aan de lange tafel. Ze zijn met acht, en twee mannen. Drie mannen eigenlijk, maar de derde is vooral gespreksonderwerp. Heico, zo heet hij,zit niet aan. Ik kan ze goed verstaan, steeds beter naarmate tijd verstrijkt, niet perse omdat ik dichtbij zit. De vrouwen lijken op elkaar. Vier van hen zijn, ingeschat, in leeftijd tussen de veertig en vijfenvijftig, allen een variatie op eenzelfde thema. Hoogblond, zwarte kleding met een vestje, in zachte tinten roze, grijs, zilver of beige. De kleding zit her en der wat strak, vooral ter hoogte van boezems.De andere vrouwen aan tafel zijn jonger en wijken af, qua kleding en uiterlijk. Ik schat in dat het hier om een kerstdiner gaat waarbij de focus gedurende het verloop van de menukaart een beetje verschuift.

menukaart-kerstdiner

De derde man,één van de vrouwen schetst zijn achtergrond. Heico is een probleemcollega die, zo te horen, niet voor niets verstek heeft laten gaan. Hij zit thuis in de ziektewet en dat is, getuige de levendige schets van de vrouw, niet voor het eerst. Haar beknelde, meebewegende borsten zetten haar woorden kracht bij.
De mannen aan de tafel nemen hun taak serieus, en schenken nog eens bij. Beide in stemmig donkerblauw gekleed, knikken ze op tijd, zeggen op tijd ‘O,ja?’, lachen desgewenst vriendelijk, en betrekken afdwalers en wegdromers charmant weer bij het gesprek, dat inmiddels de gehele tafel bestrijkt. Dit onder de bezielende leiding van de blonde vrouw die de inleiding verzorgde, maar haar plaats op het spreekgestoelte in het midden van de tafel, niet meer af lijkt te willen staan. Zij en Heico hebben de degens al eens eerder gekruist. Tot aan de rechtbank toe heeft hij haar het leven zuur gemaakt, met zijn niet reële eisen, vulgaire grappen en vage klachten. De tafelgenoten buigen zich na haar oratie in kleine groepjes uiteen en bespreken de onmogelijkheden van functioneringsgesprekken, coaches op de werkvloer, Arbo omstandigheden en seks met de baas. Dit laatste onderwerp hoor ik niet later meer terug in de plenaire vergadering. Als de werkgroepjes de feiten op een rijtje hebben neemt de voorzitster wederom het woord.
‘Hij heeft me gezegd dat hij wel weer terug wil komen, wip op de dertigste even langs, was zijn mededeling. Stuurde me een mailtje, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.’
De vergadering wordt onrustiger en rumoerig, de gastheren schenken nog eens in.
“En dan ook zo’, ze hapt even naar adem, ‘zo geniepig, zo gluiperig, vlak voor de deadline!
Met een samengebalde vuist knijpt ze haar servet tot moes en veegt iets uit haar mondhoek.
‘De vorige keer heeft hij me dat ook al geflikt. Het is een ellenlang traject geweest, tot de rechter aan toe. Daar kun je ook niet meer op vertrouwen, is mijn ervaring. Flapdrol’.
De mannen schenken grinnikend nog eens bij.
‘En dat zijn dus gewoon de feiten he?’, zegt de voorzitster, terwijl ze de tafel rondkijkt. De vergadering knikt terug.
Ik wacht het verdere verloop van het kerst bacchanaal niet af en loop langs de lange tafel naar de uitgang. In het voorbijlopen zie ik dat een van de nieuwkomers een kerstgeschenk naast haar stoel op de grond heeft gezet. Een wijndoosje met een kaartje van hun bedrijf eraan.
‘Pro feit’ staat erop.
Ik geef Heico slechts de schijn van kans.

Jacqueline Maertens(2)

Hij vertelde me, veel later, dat hij tijdens gesprekken met mij altijd verdronk, in mijn grote bruine ogen. Dat hij zijn eten niet meer proefde, als hij met me at. Hij vond mij om op te eten.
Hij vleide en verleide me. Wist wat ik wilde horen. Ik wilde niets liever dan al zijn aandacht. Al zijn aandacht. Zijn aandacht.
Een kleine tattoo dook af en toe op, onder zijn linker mouw vandaan. Ik kon niet ontcijferen wat er stond, vier letters aan de binnenkant van zijn pols. Ze waren slechts kort onderwerp van gesprek. Dat kwam eigenlijk vooral door de intensiteit van de ontmoeting, die aanleiding was om een relatie met elkaar te beginnen. Dat eerste etentje dus. We aten Thais en gingen volledig in elkaar op. Ook later op de avond.
‘areV’ las ik op z’n kop, hij zei dat het zijn moeder was. Ik zuchtte van verrukking en vergat het verder. Ik denk dat ik toen niet in staat ben geweest om anders te handelen of te beredeneren wat er gebeurde.
Heb me overgegeven aan de roze storm die verliefdheid met zich meebrengt, en die voortraasde, tot ik erachter kwam wie Vera was. Ik meen me te herinneren dat ik, toen hij in de loop van de ochtend na die avond van de Thai weg was gegaan, nagedacht heb over de combinatie met hem. Iets in mij waarschuwde me. Ik geloof dat ik dacht dat het over jezelf niet verliezen ging, maar de tintelingen in mijn lijf overstemden die gedachte in ruime mate.

Telefonerend, druk met zijn handen wapperend en zwaaiend, reed hij zijn matzwarte BMW door Oud Zuid. Ik zweefde mee in de stoel naast hem.
Had ik al gezegd dat hij praatte met zijn handen als het onderwerp van gesprek een beetje geheimzinnig werd? Ik weet niet meer precies waar we reden toen hij ineens de auto parkeerde.
‘Ik moet je nog iets vertellen’, sprak hij voor zich uit toen hij de verbinding verbroken had. Langzaam stroopte hij zijn linkermouw op en toonde me de vier letters.
‘Ze is mijn moeder niet.’
‘Ze is jouw moeder niet?’vroeg ik verbaasd.
‘Wie zijn moeder is ze dan?’
‘Ze is niemand zijn moeder, ze is negen jaar.’
‘Negen jaar?’
‘Ja, ze is mijn dochter.’
Ik herinner me nog dat ik naar hem keek terwijl hij zijn manchetknoop dichtdeed en de auto weer startte. Ik weet niet meer wat ik gezegd heb. Of ik iets gezegd heb. Gezegd heb. Ik weet nog dat ik uit de auto wilde stappen, maar Corné was al gaan rijden en leek niet meer op mij te letten. Alsof hij zojuist een formaliteit had afgehandeld. Ik tuimelde tijdens die korte rit van een roze wolk, terug op aarde alhoewel ik niet meer weet hoelang de rit werkelijk duurde. Twee of twintig straten verder stopte hij voor het gebouw van een lagere school, en tikte met zijn vingers ritmisch op het stuur, met de muziek mee. Daar ben ik uitgestapt. Ik heb zijn dochter die dag niet gezien.

iphoneJan 144

Jacqueline Maertens

(je leest een introductie van de laatste hoofdpersoon, zie ‘voorpublicatie’ voor de anderen)

Overrompeld. Ik was niet verdacht op de wervelwind die plotseling mijn kant op blies toen hij onaangekondigd kwam opdagen aan het grand café ‘de Waagh’. Vanuit mijn ooghoek ving ik een glimp op van zijn entree, en aangetrokken door zijn luide schaterlach kon ik mijn zintuigen niet meer van hem afhouden. Met een zelfverzekerde tred kwam hij binnen. Zijn korte diep zwarte krullen dansend op het boord van een nonchalant dichtgeknoopt crème wit overhemd.
‘Waar kijk je naar?’
Mijn vriendin had het gebrek aan focus op haar verhaal in de gaten, en draaide zich een beetje om zodat ze kon zien wie de onderbreking op zijn geweten had.
‘Mmm-mmm, goeie kop!’, zei ze glimlachend.

Dat het een eerste ontmoeting betrof waarover ik zojuist vertelde, is misschien wat overdreven. Ik heb hem toen helemaal niet gesproken, dus in die zin was er van een ontmoeting geen sprake. Heb ik iets over weggeblazen gezegd? Dat klopte namelijk wel. Ik heb, onder het nuttigen van enkele Bacardi cola’s, ongegeneerd mijn ogen uitgekeken. Visueel gefeest tijdens het schouwspel, dat zich voor mij afspeelde. Mijn rechter hersenhelft maakte overuren.
Hij bleek Corné van der Reijt te heten en was het epicentrum van een groepje studentikoze blaaskaken van middelbare leeftijd, die elkaar de loef afstaken met opschepperige verhalen en vernederende kwinkslagen. Ik schatte hem halverwege de veertig en hing net als dat groepje, zij het op enige afstand, aan zijn lippen als hij het woord kreeg. Het woord nam is eigenlijk een betere omschrijving. Het leek alsof de mensen om hem heen slechts iets zeiden als intermezzo van zijn, gereserveerde, spreektijd.
Hij gebruikte zijn handen als hij sprak. Luid gesticulerend als hij een wetenswaardig geheim in de oren van het gezelschap om hem heen fluisterde. Hij had mooie grote handen. Verzorgde nagels. Later zei ik altijd tegen hem dat hij van die lekkere klauwen had.
Ik klemde dan mijn kaken op elkaar en siste tussen mijn tanden. Hij hield ervan als ik aan hem zat, en lovende woorden over zijn lijf fluisterde.
Ik besefte pas veel later, toen we een relatie hadden, dat hij me betovert heeft. Gewoon door er te zijn. Of, misschien beter gezegd, dat ik me heb laten betoveren. Daar in die kroeg. Hij viel pardoes midden in mijn wens, als vader van de gedachte. Ik wilde hem helemaal, en helemaal voor mijzelf. Ik weet niet meer zeker of we oogcontact gehad hebben die eerste keer. Ik wil geloven van wel. Mijn vriendin had hem met haar ogen al een paar keer uit de kleren geholpen, en hem aangeklampt in het voorbijgaan.
‘Ik heb hem alleen maar iets over jou en jouw auto verteld’, zei ze met een glimlach, ‘maak je borst maar nat want hij is niet getrouwd, heeft geen kids en is echt sexy as hell’.
Het kaartje,dat ik later die avond onder de ruitenwisser van mijn felrode mini cabrio vond, was van hem. Natuurlijk was het van hem. Met dank aan mijn vriendin. Hij had me tijdens het uitvoeren van de act tussen de zijnen wel degelijk gade geslagen. Desinteresse geveinsd. Er stond iets achterop.
‘Ben benieuwd of je ook rode wijn lust bij een etentje.’

mini cabrio

Groningerland

Naar aanleiding van een weekend poëzie schrijven in Kloosterburen, op het Groningerland, een korte impressie.

 

waarneming

 

achter de dijk

wekken de verzonken huizen

de indruk van boven water

molenwieken slaan

zich slagen door de lucht

verlaten land bestippeld met schapen

dikke zwarte grond kopt omhoog

tussen zaaigoed, flinterdunne belofte van groen

oorverdovend waait de wind een stilte

naar mij toe

Westernieland met de Weem

een wilg, een weg, een bord, een richting

een streep door mijn blikveld

houdt zorgvuldig de wolken

bij het gras vandaan

de zon schijnt wolken aan flarden

soms verdapperen er zich een stel

en gooien een deken

met een gouden randje

over haar heen.

kleinehuisjes

 

Hotel ‘het klooster’

 

Kreukeldekens maken indruk op mijn been

Druppels rondom randen van het raamkozijn

Wind duwt en trekt willoze gordijnen

Zwarte sokken in een bruine vloerbedekkingzee

De wasbak van vroeger uit Vreeland

Mijn spullen als een buitenaards gelande boodschap

De gang  naar het verleden

 

 

mozaïek

 

glasscherven van geluk

spatten nauwgezet uiteen

als de tijd opeens

het denken wreed ontwricht

zoeken wij

scherf na scherf

geduld

voor evenwicht

de handschoen(slot)

Abrupt stond hij op van zijn stoel.
‘Uw diensten,voor een paar suède handschoenen?’
De jonge vrouw draaide zich naar hem toe en keek hem glimlachend aan.
‘Ja, en de etiquette van een goede weddenschap schrijft voor dat u elk bod dat gedaan wordt moet aanvaarden. Zeker wanneer dit een heer van stand als uzelf betreft.’
‘Akkoord’, sprak hij aarzelend,’Als u het zo wilt’.
‘Mooi, dat is dan afgesproken’. Ze liep naar de deur waar ‘spreekkamer’ op stond. Toen ze er vlakbij was, draaide ze zich half om en keek hem aan.
‘Is het nou waar? Van die subsidie?’
De jonkheer bedacht dat deze vrouw enkele kwaliteiten bezat die hij doorgaans alleen bij de freule ervoer. Hij kon ineens geen reden meer verzinnen om haar een antwoord te onthouden.
‘Nee mevrouw, het is niet waar’, zei hij, terwijl hij langzaam van zijn ene voet op de andere bewoog. ‘Er is sprake geweest van ernstige vormfouten in de behandeling van de aanvraag, die over het hoofd gezien zijn door de controlerende instanties in Brussel. Volgens vastgelegd protocol wordt dan eerst de verkregen subsidie teruggevorderd, nog voordat er uitgebreid onderzoek verricht is. Aangezien er niets terug te vorderen viel, is er in dit geval beslag gelegd. Het is een beetje de omgekeerde wereld, waardoor meneer Van ‘t Hek gelijk denkt ons naar het rijk der fabelen te kunnen verwijzen. Het tegendeel is hier echter aan de hand. Het is nu aan ons om onze onschuld te bewijzen”.
‘En?’
‘En wat?’
‘Kunt u uw onschuld bewijzen?’
Langzaam liet Terbrueghe zich in een stoel zakken.
‘Dat is een verdraaid lastig verhaal mevrouw, de vergissingen van ambtenaren in Brussel zijn moeilijk aan te tonen. Daar hebben ze eindeloze commissies van beroep voor in het leven geroepen. We mogen al blij zijn als we er uiteindelijk zonder boetes vanaf komen. Onze advocaten hebben het er momenteel druk mee.’ Flauwtjes glimlachend tikte hij met zijn handschoenen op de rug van zijn hand.

De deur van de spreekkamer zwaaide open en een breedgeschouderde man in een donkerblauwe overall verscheen in de deuropening. De jonkheer zag hoe de jonge vrouw verwachtingsvol naar de man keek.
Met een oude smoezelige lap veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.
‘Zo mevrouwtje, dat probleem is verholpen. U bent verlost van de tropische temperaturen, en de verwarming werkt weer naar behoren. Als u hier even de werkorder ondertekent, dan ziet u de factuur wel via de mail verschijnen van de week.’
Hij wapperde met een papiertje dat ze uit zijn hand pakte en meenam de spreekkamer in.
Terwijl hij geduldig wachtte zette de man zijn gereedschapskist op een van de stoelen, en nam de jonkheer van top tot teen op.
‘Die gaat u hier niet nodig hebben’, zei hij wijzend op zijn handschoenen. ‘Of is zij er misschien eentje die je niet zonder kunt aanpakken?’
De jonge vrouw verscheen weer in de wachtruimte en gaf de man het briefje. Gniffelend om zijn eigen gevatheid pakte hij zijn spullen bij elkaar en liep naar buiten.
De groezelige lap hing een stukje uit de achterzak van zijn overall.
‘Hartelijk bedankt voor de snelle service,’ riep ze hem na en richtte haar blik op de jonkheer.
‘En?’ sprak ze glimlachend, ‘wilt u nog van mijn diensten gebruikmaken?’

schaamte

de handschoen(4)

Corné was vasthoudend geweest en had de jonkheer gedwongen zijn voorstel tot in detail te beluisteren. Het kwam erop neer dat iedere grondbeheerder met meer dan 200 hectare, een aanvraag mocht indienen voor ondersteunende funding bij het Europese fonds voor landschapsbeheer. In die pot zat zo’n slordige 1,4 miljard euro, en Corné schatte in dat een goed onderbouwde aanvraag, en wat gesprekjes in Brussel, een bijdrage van ten minste 1000 euro per hectare kon opleveren. Pas toen ze een week later samen bij de notaris zaten, om deze zaak eens grondig door te spreken, begon Jonkheer Terbrueghe in te zien dat het Europees burgerschap zo zijn voordelen kon hebben. De notaris had er ‘voor de vorm’, zoals hij glimlachend zei, nog wel even bij vermeld dat het in het voorstel dat ter tafel lag, niet helemaal helder was of de te subsidiëren grond wel of niet verpacht was, maar die sectie uit het plan kon, volgens Corné, nog wel herschreven worden. In essentie kwam het erop neer dat Europa wilde bijdragen aan het behoud van haar cultureel landschappelijk erfgoed. Terbrueghe vond het uitstekend klinken.

De jonkheer ging zitten op een van de lege stoelen in de wachtruimte en zuchtte diep. Hij had op geen enkele clementie van de heren van de FIOD hoeven rekenen, toen ze aan kwamen zetten met een leeg geplukte rekening op naam van de Stichting Derden Gelden Landgoed Terbreughe. Hij had geen idee waar de overgebleven twee miljoen euro gebleven waren, erop gestort  vanuit een Europees fonds, maar evenmin had hij de behoefte gevoeld om uit te leggen hoe zijn schulden bij het casino recentelijk afbetaald waren. Niet dat dit ertoe deed. De boete, hem opgelegd wegens het frauduleus innen en besteden van een Europese subsidie, was ruim hoger geweest dan zijn speelschulden. Er was beslag gelegd op zijn bezittingen en daar zou voorlopig geen verandering in komen. Het liefste zou hij Corné van der Reijt een klap in zijn gezicht verkopen, maar die was onvindbaar. Terbrueghe verwachtte geen bijdrage meer van hem, alhoewel er conform de afspraak, onder heren gemaakt, nog wel een paar ton openstond.

fraude2

‘U heeft toch onterecht subsidie aangevraagd of is dat ook een fabeltje?’ De jonge vrouw keek hem onderzoekend aan waarbij ze haar hoofd  een beetje scheef hield. Terbreughe moest zich inhouden om geen tirade tegen haar af te steken. Waar dacht ze verdikkeme dat ze het recht vandaan haalde, hem lastig te vallen met haar opdringerige nieuwsgierigheid?  Hij keek haar aan en herhaalde zijn vraag.
‘Mijn inzet zullen de handschoenen zijn. Wat is de uwe?’
Ze was op de stoel achter hem gaan zitten waardoor ze met de rugleuningen tegen elkaar aankwamen.
‘Wat zou u een redelijke inzet vinden?’ vroeg ze, voor zich uit pratend.
‘U bent tenslotte de expert van ons twee als het om de etiquette van een goede weddenschap gaat’.
‘Ik accepteer elk neergelegd bod mevrouw, de etiquette schrijft dit voor. Tevens bent u verplicht een gelijkwaardig tegenbod op tafel te leggen.’
Hij voelde hoe de jonge vrouw een beetje achterover leunde waardoor haar blonde krullen gedeeltelijk over zijn schouder vielen. Hij deed zijn hoofd in zijn nek en snoof haar parfum op.
‘Ik’, sprak ze met zwoele stem, ‘bied u mijn diensten aan’.

de handschoen(3)

Was deze vrouw serieus van plan hem te gaan vertellen waar hij zich zorgen over maakte? Niet bij machte de gedachte aan een weddenschap naast zich neer te leggen, streek hij het suède van de handschoenen langzaam langs de rug van zijn hand.
‘Akkoord,’ sprak hij kordaat, ‘wat is uw inzet?’
‘Ik vind ze erg mooi,’ zei ze zachtjes, wijzend op zijn handschoenen.
‘Dat zou dan niet uw inzet moeten zijn maar de mijne,’ een lichte irritatie klonk door in zijn stem. ‘U kunt niet bepalen wat mijn inzet is, dat moet ik zelf doen’.
Hij had moeite zijn opkomende ergernis te bedwingen, vanwege het amateurisme waarmee hij werd geconfronteerd. Zonder haar antwoord af te wachten ging hij verder.
‘Mevrouw, gelooft u mij gerust, ik weet waar ik het over heb als ik spreek over de etiquette van een goede weddenschap.’
De jonge vrouw was opgestaan en schoof een stoeltje op,in zijn richting.
‘Hoe weet u dat dan zo goed?’
‘Als jonkheer op Landgoed ‘Terbreughe’ ben ik al sinds jaar en dag ceremoniemeester bij de door de freule georganiseerde charité’s waarbij het wedden, loven en bieden een geaccepteerde manier zijn om de uitverkoren goede doelen van enige funding te voorzien.’
Hij realiseerde zich dat hij zijn vrouw altijd de freule noemde, als het over de activiteiten op het kasteel ging. Verbaasd keek de jonge vrouw hem aan.
‘U woont op dat kasteel? Wow, dan heeft u ongetwijfeld een enerverend bestaan! Ik heb er laatst nog een artikel over zitten lezen. Hadden ze niet iets in beslag genomen of zo?’
De bittere herinnering viel hem rauw op zijn dak.
‘Ik zal aan uw verzoek voldoen,’ sprak hij opzettelijk langzaam en duidelijk articulerend. ‘Mijn inzet zullen deze handschoenen zijn. Wat is de uwe?’
‘Die column van Van ‘t Hek loog er niet om,’ ging de vrouw onverstoorbaar verder. ‘Alweer een kasteelroman verwezen naar het rijk der fabelen’ zei hij erover, als ik het goed onthouden heb’.

landgoedTerbreughe

Terbrueghe stond geïrriteerd op en liep langzaam bij de vrouw vandaan. Niet alleen die column maar eigenlijk alles wat erover geschreven was, had er niet om gelogen. Het was de directe aanleiding geweest voor zijn bezoek hier en van het ultimatum dat zijn vrouw hem gesteld had. Afgezien nog van de negen dagen die hij noodgedwongen bij de FIOD gespendeerd had. Nog steeds tastte hij in het duister over de ware toedracht van de ontdekking, die zijn betrokkenheid bij deze zaak had blootgelegd. Corné, zijn zakelijk adviseur in deze, en hij hadden de zaken goed doorgesproken en behalve de notaris, voor de officiële vastlegging, was niemand ervan op de hoogte geweest. Na de inval had hij Corné niet meer gesproken.
Toen hij er voor het eerst over begonnen was had Terbreughe zijn adviseur niet geloofd.
‘Subsidie op landschappelijk verantwoord grondbeheer? Wat is dat nou toch voor onzin’.