Schrijversbuzz.com

 

buzz3

Daar is hij dan. De schrijversbuzz. Een mobiele plek om de woorden proberen te vangen, woorden die jou bezighouden. Of om de woorden te leren kennen die je gaan bezighouden. Wil je alleen, of in gezelschap van anderen, je bezighouden met proza, poëzie of andere vormen van geletterde uitingen en zoek je hier een unieke gelegenheid en plek voor? De schrijversbuzz is in voor vele vormen van het hanteren van de pen. Laat weten wat je wilt en we bespreken de mogelijkheden!

Zoek je de stilte en tijd om zelf te kunnen schrijven aan je eigen werk? In overleg voorzien we je van unieke plekjes om dit te doen, staan je bij als je dat wilt en zorgen ervoor dat je jouw tijd nuttig kunt besteden.

Wil je uiting geven aan jouw initiatief of de opleiding die je vertegenwoordigt in de picture zetten? De schrijversbuzz staat op festivals, congressen en bijeenkomsten met het doel van die woorden een ‘buzz’ te maken. Bespreek het gewoon, we zijn in voor een uitdaging!

De Schrijversbuzz is een initiatief van Romheen.com

Te vinden via schrijversbuzz.com en bereiken via eromheen@gmail.com

direct naar de schrijversbuzz

 

Humor

schaamte

Poëziecafé Het Park Binnen op 17 mei 2016
Locatie : Cultureel Centrum De Kreek,
Weverstraat 24, Oosterbeek.
Aanvang 20:00 uur tot 22:15 uur.
Entree 3 euro.

Beste belangstellende van het Poëzie Café.
Spetterende Finale!!!

”Humor in de poëzie’’

Op 17 mei is het laatste dichters café van het Park Binnen voor de vakantieperiode.
Als altijd in cultureel centrum De Kreek.
Het thema deze avond is “humor in de poëzie”.
Voor de pauze treedt een keur aan dichters die het afgelopen jaar voorgedragen hebben, met gedichten op die op de lachspieren moeten werken.
Na de pauze treedt het voor deze avond nieuw gevormde poëzietrio ”Dichter bij U” op met gedichten, verhalen en liedjes die elkaar tegenspreken, versterken of niets met elkaar te maken hebben.
Dorpsdichter Bianca Hendriks laat zich horen, dorpstroubadour  Dr.Anders speelt en zingt en dichter Jan Eikelenboom praat alles aan elkaar op basis van humoristische thema’s die zowel actueel als verjaard kunnen zijn.

Ze hebben één ding gemeen: ze willen dichter bij U zijn.

Zwangerschapsduiken

zwangerschapsduiken

Ik leg het je uit, hoe ik het gedaan heb. Het is gemakkelijk als je iets van fietsen weet, en van de werking van velgremmen, maar niet noodzakelijk. Ook basale kennis van natuurkunde kan helpen, iets over de zwaartekracht in het bijzonder. Wederom, niet noodzakelijk, ik leg het je uit.

Ze is zwanger, hoogzwanger. Ik vind haar, keer op keer, terug in een horizontale staat van zijn, zonder bewustzijn, naar haar luide gesnurk te oordelen. De dokter moedigt bewegen aan. Dat doen we al, op de racefiets. Er is echter een probleem; haar buik, onze aanstaande eersteling, past niet meer tussen stuur en zadel. In mij, als aanstaande vader, dient zich handigheid aan, iets dat ik eerder nooit bezat.

‘Ik weet een oplossing, lief.’Ik wil scoren. Ik draai het kromme stuur een halve slag omhoog zodat ze het, inclusief buik, kan bereiken. Trots op mijn eigen inventiviteit doe ik het haar voor, fiets haar tegemoet.

‘En zo, kun je remmen’, roep ik haar toe, terwijl ik voel dat ik op wrede wijze de wetten der natuur overtreden heb. De handgrepen van de remmen heb ik niet verplaatst en ,door mijn eigen gewicht, druk ik ze onbedoeld keihard in. Ik maak een zwangerschapsduik en kus met mijn lippen het asfalt aan haar voeten. Haar bewonderende lach vliegt gierend uit de bocht. De zwaartekracht heeft een deuk in mijn ego geslagen en als ik opsta geeft ze mij kusjes. Ik neem haar niets kwalijk. Niet de liters ijs, die ik ’s avonds voor haar haal. Niet het slapen, elders, door haar gesnurk. Niet de tand door mijn lip en ontvelde handen.
Ik heb gescoord.

Voorstelling

Het scherm op de achtergrond toont een hand, een hand met een potlood. Tergend langzaam veranderen de abstracte lijntjes, in de contouren van een gezicht. Het is de hand van een jongen met het syndroom van Down. Zijn moeder staat voor het scherm en vertelt. Over zijn geboorte en opgroeien. Over de reacties van haar dierbaren en verplegend personeel. Over haar eigen reactie en die van haar man.

‘Het kind achter de ogen’, is een voorstelling van de Israëlische schrijfster Nava Semel,  in 1988 voor het eerst opgevoerd. Nu, in de reprise, in het kader van wereld Down dag, wederom op de planken gebracht. Ik bekijk het in de Zocherlounge te Haarlem, een klein, intiem podium dat een naam begint te ontwikkelen in het tonen van ‘dingen die ertoe doen’, zoals de eigenaren het zelf verwoorden.(klik hier voor de link).Gedateerd, is mijn eerste gedachte, bij het verkennen van de inhoud. Maar ik vergis me. In de zaal zitten mensen, ouders van kinderen met het Down syndroom, die de geschetste omstandigheden als zeer actueel betitelen. Met name de getoonde reacties van verplegend personeel en artsen blijken herkenbaar. Het gesprek achteraf toont, dat er in onze huidige maatschappij, steeds minder geld beschikbaar is voor de specialistische verzorging die deze kinderen en volwassenen nodig hebben. Onze overheid gaat nog een stukje verder en volgt de Denen en IJslanders in hun beleid, namelijk, het voorspellen chromosoomafwijkingen voor de geboorte. Er ligt een wetsvoorstel op tafel waarbij de Nipt test gebruikt gaat worden. De Nipt test is een eenvoudig bloedonderzoek; een prikje in je vingertop en je weet binnen 3 minuten of het ongeboren kind een chromosomen afwijking heeft. Ouders voelen dit als een ontkenning van levensrecht van hun kinderen. In de race, een betaalbaar gezondheidssysteem te ontwikkelen, gaat de overheid voor hen veel te ver. De voorstelling geeft mij een indruk van de omstandigheden waarin deze mensen zich bevinden. Van de liefde voor hun kind en vooral van de onvoorwaardelijke liefde en levensvreugde van hun kind.

Ik word overvallen door een gevoel van eenheidsworst; de machine in en er als gehakt weer uit. Lang leve de maatschappij zonder uitzonderingen. Allemaal samengepakt in een kleurloze middenlaag zonder al te grote afwijkingen. In dat kader zouden we, zeker gezien de maatschappelijke kosten die ze met zich mee brengen, een test moeten ontwikkelen die een voorspellende waarde heeft op het gebied van financiële expertise en morele ontwikkeling. Zodoende kunnen we wellicht voorkomen dat aanstaande bankdirecteuren het levenslicht zien. Een kostenbesparende variant waar de overheid mee uit de voeten kan, me dunkt (Joris Luyendijk, eat your heart out).

Een vader verwoord zijn woede door te stellen dat de overheid het ‘hem het maar uit laat zoeken’. Waarom doet hij dat eigenlijk niet? Het uitzoeken. Zijn deze ouders, net als velen van ons overigens, dusdanig gepamperd door overheidssubsidies,dat ze denken zich een recht verworven te hebben? Ze gedragen zich als verwende kinderen die vasthouden aan wat er altijd geweest is en kunnen niet vrij nadenken over hoe het anders kan. Ik kan, zeer generaliserend, de zorgwereld nog niet echt betrappen op ondernemersgeest en vernieuwingsdrang. Desalniettemin zijn er al veel voorbeelden van een andere insteek bij deze uitdaging. Er wordt vernieuwd en zelfstandig nagedacht over de uitdagingen, die de zuinige overheid met zich mee brengt, voor hulpbehoevende doelgroepen, waarvan de kinderen met Down er één zijn.

kindmetdown

De hand op het scherm heeft de tekening bijna af. Het gezicht heeft kleur gekregen. De jongen met het Downsyndroom een stem. Een stem die gehoord mag worden maar ook een stem die zichzelf opnieuw uit moet vinden. Omdat ‘het kind achter de ogen’ een aanwinst is, een verbreding van ons kleurenpalet, waardoor de vraag een uitdaging wordt. Ik maak me er een voorstelling van.

Voor ons allemaal.

Klik hier voor meer informatie

Jenseits der Grenze

De vijftien foto’s, die ze van me namen, de Duitsers, liggen gestapeld op tafel. Als mijn geheugen in flarden beeld dat me, op het langzaam vergrijzend celluloid, meeneemt. Witte lokken brengen jouw naam naar boven. Christoff Werschkull. Dein partner von jenseits der grenze.

‘Hallo Jan, Christoff hier, wie get’s?’ Am Apparat een gedreven mens, flamboyant, aimabel en onberekenbaar. Zijn Deutsche gründlichkeit heb ik vaak voor onbehoorlijke bemoeizucht aangezien. Buitenaardse verkooptargets geïnterpreteerd als pogingen tot afpersing. Ik wil je daarover nog iets uitleggen, Christoff, een laatste woord wijden aan mijn misverstaan.

Met de groep verkopers lopen we langs de oevers van de Bodensee. Zwitserland kijkt toe vanaf de overkant. Je bent jarig en hebt, na teveel bier en schnitzel, eindelijk tijd gemaakt om het cadeau in ontvangst te nemen.

‘Na Jungs, kommt zeig es mir endlich!’ De stemming is jolig, jongensachtig en er hangt ongein in de lucht. Brallend over de promenade vervolgt de groep haar weg in de richting van waar ik slechts landerijen vermoed. Meegenomen naar de aangekondigde Überraschung die de boys voor je bedacht hebben. Binnen de groep mannen is het niet uitgesproken, maar de wereld is vannacht van hen. De nachten zijn hier anders, jenseits der Grenze. Er staat een huis, een huis alleen. Boven de voordeur schijnt het flauwe licht van een schommelende buitenlamp, die jou van bewegende schaduw voorziet wanneer je aanbelt. Op een meter of tien kijken we toe. In de deuropening verschijnt een oudere vrouw wiens gestalte contouren krijgt door het gekleurde licht, dat haar van achter beschijnt. Breed lachend kijk je om en steekt je middelvinger naar ons op terwijl je naar binnen loopt. Joelend en fluitend strompelen de dronken mannen rond het huis, als een roedel wolven in afwachting van het weerkeren van hun leider. Op de eerste verdieping gaat een raam open.

‘Verdammt nochmal, kommt rein oder haut ab!’

Als we, een uurtje later, terugwankelen naar een Kneipe die nog open is, kom je naast me lopen en slaat je hand om mijn schouder. De lantaarns langs de straat maken jouw lokken zwart-wit. Je informeert wanneer ik jarig ben, ik lieg erover omdat ik bang ben ook zo’n cadeau te krijgen. Je vraagt me naar de foto’s. Hoeveel er van mij gemaakt zijn.We hebben het er vaker over gehad met telkens hetzelfde resultaat; je werd er furieus over en raadde me aan ze gewoon weg te smijten.

‘Die Autobahn’, zei je altijd, ‘ist da zum fahren, nicht zum spazieren.’

boete-flits

Ik heb ze nooit weggegooid. Ze liggen hier voor me, de foto’s. Geportretteerd tijdens snelheidsovertredingen op de Duitse Autobahn. Ik zie mezelf, duidelijk zichtbaar achter het stuur, terwijl ik het gevoel probeer terug te halen. In de hoogste versnelling raas ik door de tijd dat ik je meemaakte. Sta stil, bij de auto’s die je versleet, je gouden kettingen, de vrouwen die je kaapte, jouw uitspraken, de ongekende levenslust waarmee je mij overviel.

‘Hallo Christoff, Jan hier, dein partner von jenseits der Grenze.’

Jacqueline Maertens(3)

Toen we elkaar later die avond in ‘De Waagh’ tegenkwamen, was hij één en al vriendelijkheid. Ik toonde zo weinig interesse in hem als ik maar kon.
‘Ze is geen concurrentie voor je hoor’, zei hij in het voorbij lopen.
Ik moet niet begrijpend hebben gekeken want hij hield zijn ontblote linker pols omhoog. Ik haatte zijn verzwijgen. In tegenstelling tot bij onze eerste ontmoeting kon ik niet ophouden met de kleren van zijn lijf te scheuren als ik naar hem keek. Ik projecteerde alles, wat er niet geweest was in mijn eerdere relaties, op hem. Dat is me wel vaker overkomen. Ik geloof dat ik net als iedereen ben. Op een roze wolk leer je niets. En als je denk er vanaf gevallen te zijn, zit je er nog middenin. Ik heb de neiging mezelf dat erg kwalijk te nemen, dat langzame leren.
Het is altijd, allemaal mijn eigen schuld. Daar betaal ik soms een hoge prijs voor.
Corné was mijn hoofdprijs. Tegen beter weten in knoopten we onze einders weer aan elkaar.

Voor Corné bestond roze niet. Daar was hij te berekenend voor. Hij woog zijn belangen af en handelde ernaar. Ik was gekomen in plaats van een ander, en ik zag toen nog niet in dat er uiteindelijk in mijn plaats ook weer een ander zou zijn. Dat maakt Corné niet perse slecht. Het maakt mij blind. Het is allemaal mijn eigen schuld. Eigen schuld. Schuld.
Hij was een geweldige lover. Niet alleen door de verschroeiende seks die we deelden maar vooral ook door alles wat er omheen hing. Telefoontjes, sms’jes, bloemen, cadeautjes, tripjes. Niets was hem te gek, en ik zwierde door de stad aan zijn arm alsof er geen morgen meer was.

Af en toe was Vera er. Ze leefde bij haar moeder en kwam alleen als het echt niet anders kon. Corné hield van haar maar maakte nooit genoeg tijd, om dit echt te laten zien. Het leek alsof hij de affectie, voor degenen waar hij van hield, vervormd had in een eindeloze stroom cadeautjes waar niemand op zat te wachten.
De enige keer dat ik hem heb zien treuren, was twee dagen nadat hij op Schiphol zijn ex en Vera had staan uitzwaaien. Ze gingen naar New York om haar carrière als model een nieuwe boost te geven bij een groot modellenbureau, en Vera ging mee. Haar eigen nieuwe toekomst tegemoet.
Corné was een tijdje onvindbaar, en dook na een dag of wat weer op in ‘De Waagh’. Ongeschoren, met een flinke kegel, hing hij aan de bar. In zijn rood omrande ogen zag ik het ongeloof over de gebeurtenissen en proefde de wanhoop op zijn lippen toen ik hem kuste.
‘Zeg er liever maar niks meer over’, sprak hij zachtjes met een rafelig randje in zijn stem.
‘Jij en Johnnie moeten me maar troosten.’ Hij hield zijn lege glas omhoog in de richting van de barkeeper. We hebben er nooit meer over gesproken, afgezien misschien van een opmerking, die me op een of andere manier is bijgebleven.
‘Weet je’, zei hij, terwijl zijn krullen mijn blote buik kriebelden en zijn handen abstracte figuurtjes maakten boven de verkreukelde lakens.
‘Als je kinderen wilt zul je een ander moeten zoeken.’

johnnieWalker

Feiten

Vanwaar ik zit, zijn ze goed te zien, de vrouwen aan de lange tafel. Ze zijn met acht, en twee mannen. Drie mannen eigenlijk, maar de derde is vooral gespreksonderwerp. Heico, zo heet hij,zit niet aan. Ik kan ze goed verstaan, steeds beter naarmate tijd verstrijkt, niet perse omdat ik dichtbij zit. De vrouwen lijken op elkaar. Vier van hen zijn, ingeschat, in leeftijd tussen de veertig en vijfenvijftig, allen een variatie op eenzelfde thema. Hoogblond, zwarte kleding met een vestje, in zachte tinten roze, grijs, zilver of beige. De kleding zit her en der wat strak, vooral ter hoogte van boezems.De andere vrouwen aan tafel zijn jonger en wijken af, qua kleding en uiterlijk. Ik schat in dat het hier om een kerstdiner gaat waarbij de focus gedurende het verloop van de menukaart een beetje verschuift.

menukaart-kerstdiner

De derde man,één van de vrouwen schetst zijn achtergrond. Heico is een probleemcollega die, zo te horen, niet voor niets verstek heeft laten gaan. Hij zit thuis in de ziektewet en dat is, getuige de levendige schets van de vrouw, niet voor het eerst. Haar beknelde, meebewegende borsten zetten haar woorden kracht bij.
De mannen aan de tafel nemen hun taak serieus, en schenken nog eens bij. Beide in stemmig donkerblauw gekleed, knikken ze op tijd, zeggen op tijd ‘O,ja?’, lachen desgewenst vriendelijk, en betrekken afdwalers en wegdromers charmant weer bij het gesprek, dat inmiddels de gehele tafel bestrijkt. Dit onder de bezielende leiding van de blonde vrouw die de inleiding verzorgde, maar haar plaats op het spreekgestoelte in het midden van de tafel, niet meer af lijkt te willen staan. Zij en Heico hebben de degens al eens eerder gekruist. Tot aan de rechtbank toe heeft hij haar het leven zuur gemaakt, met zijn niet reële eisen, vulgaire grappen en vage klachten. De tafelgenoten buigen zich na haar oratie in kleine groepjes uiteen en bespreken de onmogelijkheden van functioneringsgesprekken, coaches op de werkvloer, Arbo omstandigheden en seks met de baas. Dit laatste onderwerp hoor ik niet later meer terug in de plenaire vergadering. Als de werkgroepjes de feiten op een rijtje hebben neemt de voorzitster wederom het woord.
‘Hij heeft me gezegd dat hij wel weer terug wil komen, wip op de dertigste even langs, was zijn mededeling. Stuurde me een mailtje, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.’
De vergadering wordt onrustiger en rumoerig, de gastheren schenken nog eens in.
“En dan ook zo’, ze hapt even naar adem, ‘zo geniepig, zo gluiperig, vlak voor de deadline!
Met een samengebalde vuist knijpt ze haar servet tot moes en veegt iets uit haar mondhoek.
‘De vorige keer heeft hij me dat ook al geflikt. Het is een ellenlang traject geweest, tot de rechter aan toe. Daar kun je ook niet meer op vertrouwen, is mijn ervaring. Flapdrol’.
De mannen schenken grinnikend nog eens bij.
‘En dat zijn dus gewoon de feiten he?’, zegt de voorzitster, terwijl ze de tafel rondkijkt. De vergadering knikt terug.
Ik wacht het verdere verloop van het kerst bacchanaal niet af en loop langs de lange tafel naar de uitgang. In het voorbijlopen zie ik dat een van de nieuwkomers een kerstgeschenk naast haar stoel op de grond heeft gezet. Een wijndoosje met een kaartje van hun bedrijf eraan.
‘Pro feit’ staat erop.
Ik geef Heico slechts de schijn van kans.

Jacqueline Maertens(2)

Hij vertelde me, veel later, dat hij tijdens gesprekken met mij altijd verdronk, in mijn grote bruine ogen. Dat hij zijn eten niet meer proefde, als hij met me at. Hij vond mij om op te eten.
Hij vleide en verleide me. Wist wat ik wilde horen. Ik wilde niets liever dan al zijn aandacht. Al zijn aandacht. Zijn aandacht.
Een kleine tattoo dook af en toe op, onder zijn linker mouw vandaan. Ik kon niet ontcijferen wat er stond, vier letters aan de binnenkant van zijn pols. Ze waren slechts kort onderwerp van gesprek. Dat kwam eigenlijk vooral door de intensiteit van de ontmoeting, die aanleiding was om een relatie met elkaar te beginnen. Dat eerste etentje dus. We aten Thais en gingen volledig in elkaar op. Ook later op de avond.
‘areV’ las ik op z’n kop, hij zei dat het zijn moeder was. Ik zuchtte van verrukking en vergat het verder. Ik denk dat ik toen niet in staat ben geweest om anders te handelen of te beredeneren wat er gebeurde.
Heb me overgegeven aan de roze storm die verliefdheid met zich meebrengt, en die voortraasde, tot ik erachter kwam wie Vera was. Ik meen me te herinneren dat ik, toen hij in de loop van de ochtend na die avond van de Thai weg was gegaan, nagedacht heb over de combinatie met hem. Iets in mij waarschuwde me. Ik geloof dat ik dacht dat het over jezelf niet verliezen ging, maar de tintelingen in mijn lijf overstemden die gedachte in ruime mate.

Telefonerend, druk met zijn handen wapperend en zwaaiend, reed hij zijn matzwarte BMW door Oud Zuid. Ik zweefde mee in de stoel naast hem.
Had ik al gezegd dat hij praatte met zijn handen als het onderwerp van gesprek een beetje geheimzinnig werd? Ik weet niet meer precies waar we reden toen hij ineens de auto parkeerde.
‘Ik moet je nog iets vertellen’, sprak hij voor zich uit toen hij de verbinding verbroken had. Langzaam stroopte hij zijn linkermouw op en toonde me de vier letters.
‘Ze is mijn moeder niet.’
‘Ze is jouw moeder niet?’vroeg ik verbaasd.
‘Wie zijn moeder is ze dan?’
‘Ze is niemand zijn moeder, ze is negen jaar.’
‘Negen jaar?’
‘Ja, ze is mijn dochter.’
Ik herinner me nog dat ik naar hem keek terwijl hij zijn manchetknoop dichtdeed en de auto weer startte. Ik weet niet meer wat ik gezegd heb. Of ik iets gezegd heb. Gezegd heb. Ik weet nog dat ik uit de auto wilde stappen, maar Corné was al gaan rijden en leek niet meer op mij te letten. Alsof hij zojuist een formaliteit had afgehandeld. Ik tuimelde tijdens die korte rit van een roze wolk, terug op aarde alhoewel ik niet meer weet hoelang de rit werkelijk duurde. Twee of twintig straten verder stopte hij voor het gebouw van een lagere school, en tikte met zijn vingers ritmisch op het stuur, met de muziek mee. Daar ben ik uitgestapt. Ik heb zijn dochter die dag niet gezien.

iphoneJan 144

Jacqueline Maertens

(je leest een introductie van de laatste hoofdpersoon, zie ‘voorpublicatie’ voor de anderen)

Overrompeld. Ik was niet verdacht op de wervelwind die plotseling mijn kant op blies toen hij onaangekondigd kwam opdagen aan het grand café ‘de Waagh’. Vanuit mijn ooghoek ving ik een glimp op van zijn entree, en aangetrokken door zijn luide schaterlach kon ik mijn zintuigen niet meer van hem afhouden. Met een zelfverzekerde tred kwam hij binnen. Zijn korte diep zwarte krullen dansend op het boord van een nonchalant dichtgeknoopt crème wit overhemd.
‘Waar kijk je naar?’
Mijn vriendin had het gebrek aan focus op haar verhaal in de gaten, en draaide zich een beetje om zodat ze kon zien wie de onderbreking op zijn geweten had.
‘Mmm-mmm, goeie kop!’, zei ze glimlachend.

Dat het een eerste ontmoeting betrof waarover ik zojuist vertelde, is misschien wat overdreven. Ik heb hem toen helemaal niet gesproken, dus in die zin was er van een ontmoeting geen sprake. Heb ik iets over weggeblazen gezegd? Dat klopte namelijk wel. Ik heb, onder het nuttigen van enkele Bacardi cola’s, ongegeneerd mijn ogen uitgekeken. Visueel gefeest tijdens het schouwspel, dat zich voor mij afspeelde. Mijn rechter hersenhelft maakte overuren.
Hij bleek Corné van der Reijt te heten en was het epicentrum van een groepje studentikoze blaaskaken van middelbare leeftijd, die elkaar de loef afstaken met opschepperige verhalen en vernederende kwinkslagen. Ik schatte hem halverwege de veertig en hing net als dat groepje, zij het op enige afstand, aan zijn lippen als hij het woord kreeg. Het woord nam is eigenlijk een betere omschrijving. Het leek alsof de mensen om hem heen slechts iets zeiden als intermezzo van zijn, gereserveerde, spreektijd.
Hij gebruikte zijn handen als hij sprak. Luid gesticulerend als hij een wetenswaardig geheim in de oren van het gezelschap om hem heen fluisterde. Hij had mooie grote handen. Verzorgde nagels. Later zei ik altijd tegen hem dat hij van die lekkere klauwen had.
Ik klemde dan mijn kaken op elkaar en siste tussen mijn tanden. Hij hield ervan als ik aan hem zat, en lovende woorden over zijn lijf fluisterde.
Ik besefte pas veel later, toen we een relatie hadden, dat hij me betovert heeft. Gewoon door er te zijn. Of, misschien beter gezegd, dat ik me heb laten betoveren. Daar in die kroeg. Hij viel pardoes midden in mijn wens, als vader van de gedachte. Ik wilde hem helemaal, en helemaal voor mijzelf. Ik weet niet meer zeker of we oogcontact gehad hebben die eerste keer. Ik wil geloven van wel. Mijn vriendin had hem met haar ogen al een paar keer uit de kleren geholpen, en hem aangeklampt in het voorbijgaan.
‘Ik heb hem alleen maar iets over jou en jouw auto verteld’, zei ze met een glimlach, ‘maak je borst maar nat want hij is niet getrouwd, heeft geen kids en is echt sexy as hell’.
Het kaartje,dat ik later die avond onder de ruitenwisser van mijn felrode mini cabrio vond, was van hem. Natuurlijk was het van hem. Met dank aan mijn vriendin. Hij had me tijdens het uitvoeren van de act tussen de zijnen wel degelijk gade geslagen. Desinteresse geveinsd. Er stond iets achterop.
‘Ben benieuwd of je ook rode wijn lust bij een etentje.’

mini cabrio