Netjes

Ik geloof dat het ergens in de buurt van een plaats was die Winton heet, in het midzuiden van Queensland, dat het erop begon te lijken dat we voorlopig niet meer alleen zouden zijn in de Outback. De reclameborden langs de stoffige gravelweg maakten duidelijk wie er hier meekeken.

14 billion flies can’t be wrong: Winton.

Vliegen dus. Je passeert zonder het te beseffen een onzichtbare grens in het landschap dat langzaam stoffig rood wordt alsof je een zonsondergang inrijdt. Geen idee wat de criteria zijn voor die 14 biljoen om er vanaf hier ineens te zijn maar dat het een supergoed vestigingsklimaat is lijkt me helder. Op sommige plekken komen ze in een keer, allemaal tegelijk, op mijn hoofd zitten en verdringen zich rond neus, ogen en mond. Elders zijn het meer sluipers die zich langzaam maar zeker over mijn aangezicht ontfermen.

De Aboriginals hier blijven gewoon een tijd stilstaan wanneer ze door zo’n horde vliegen besprongen worden. Ze noemen het de grote schoonmaak en zeggen dat de vliegen daarna vanzelf weer weggaan.

Ik heb niet die ervaring. Enerzijds niet omdat ik niet het geduld heb voor een grote schoonmaak en anderzijds omdat ik inmiddels een oplossing op mijn kop heb in de vorm van een vliegennetje. Grote cowboyhoed, netje erover( merk Wotflies?) en het irritante gekriebel op je gezicht is verdwenen. Er zijn de diehards die niet aan netjes doen maar die zien er dan toch de halve dag uit als bevangen door een soort spasme dat maaibewegingen van de armen veroorzaakt voor het gezicht langs.

De dracht van netjes kent vele variaties en bijverschijnselen weet ik inmiddels. Zo vergeet je soms dat je er een op hebt en probeert een handje chips door het netje heen naar binnen te proppen. Om van de chaotische schuimzooi die het netje van een slok bier maakt maar te zwijgen. Maar toch altijd beter dan met je armen maaien terwijl je vergeten bent dat je een glas bier ter hand had genomen.

Bekijken hoe mensen hier de netjes dragen blijft een absoluut favoriete bezigheid. Van direct op het hoofd tot waaiend en wapperend in de wind op grote zonnehoeden zonder enig effect. Beginners en gevorderden zijn gemakkelijk te onderscheiden. Gister stormde tijdens een wandeling iemand met stip de top tien van gekke netjesdracht binnen. U begrijpt; er bestaat inmiddels een klassement. Hij had het vliegennetje zo strak over zijn hoofd getrokken dat hij eruit zag als een stereotype bankrover met nylonkous. Zijn lippen zo vervormd dat hij ter plekke had door kunnen gaan voor blanke zoeloe en van een oogopslag kon geen sprake meer zijn, simpelweg omdat het net zich gesloten had en elke gelaatsuitdrukking en beweging voorkwam. Ik had een overval door hem wel geaccepteerd maar hij was daarna de pisang omdat ik me doodgelachen had.

De fantasie gaat op de loop hier maar we houden het netjes. Ik mep er nog een paar uit mijn gezicht. U hoort van mij.

Ertoe doen

Het is hier een omstreden onderwerp. Dat wil zeggen, je kunt overal over beginnen maar hier hebben ze het liever echt niet over. Terwijl het ze niet onderscheidt van andere westerse landen. Net als elke westerse, oosterse of wat voor grootmacht dan ook zijn we op zijn zachts uitgedrukt de vriendelijkste niet wanneer het gaat over minderheden. Ik bedoel de mensen die het land waar blanken zijn komen wonen gedurende duizenden jaren al bewoond hebben maar, bij aankomst van de blanken, verdreven en uitgemoord werden omdat ze simpelweg in de weg zaten en niet als mensen beschouwd werden en nog steeds niet worden.

Let wel, dit is geen beschuldigende vinger. De mijne is al net zo schuldig als de jouwe. We hebben allemaal eenzelfde verleden. Wel is er verschil in hoe ermee omgegaan wordt. Hier in het midden van Australia is er, rondom de heilige rots van de Aboriginals veel aandacht voor hun cultuur. Veel land is van hen en je hebt vergunningen nodig om erop te mogen komen of je komt er gewoon niet in.

Terwijl we er naartoe rijden begint de brandstofmeter ondervoedinsverschijnselen te vertonen en besluiten we te tanken bij een kleine nederzetting waar alleen aboriginals wonen. De weg er naartoe heeft meerdere snelheidsdrempels en in de nederzetting mag je tien kilometer per uur rijden. Er bekruipt mij een gevoel dat ik eerder had toen ik in 1985 the Bronx in fietste. In tegenstelling tot nu was dat toen een ghetto.

Er is een benzinepomp ingekapseld in een hoop metaal waar je door het ijzerwerk heen de creditcard in frummelt en tankt. Er is een politiebureau , een winkel en een cafe. Op grote borden staat vermeld dat drinken en rijden een dodelijke combinatie is. Over straat sjokken tenminste tien honden, tien kinderen en tien ouderen. De honden kijken of er iets te halen valt, de kinderen zwaaien, de ouderen houden dat voor gezien.

Op een bord bij de winkel staan de openingstijden vermeld. Van maandag tot zondag behalve wanneer er een begrafenis is. Dan vermeld men op een apart briefje of ze open zijn. Deze hele nederzetting komt op mij als ten dode opgeschreven over. Of de winkel dichtgaat heeft blijkbaar te maken met of je ertoe gedaan hebt. Dat lijkt me hier een hele kunst.

Foto: Ineke de Boer

Koud

Het ligt niet voor de hand, of beter, het is niet het eerste dat je bedenkt wanneer Aussieland ter sprake komt maar toch; ik heb het koud.

De twintig graden die ik hier voorgeschoteld krijg vallen in het niet bij de dertig van de afgelopen periode. Je went eraan, et voila, je hebt het koud bij een temperatuur waarbij in Nederland om rokjesdag geroepen wordt.

Ik ben in Boulia, zuidwest Queensland. De outback zoals dat heet. De weg hierheen bood een absolute overdosis niks. Niks aan luchten, wolken, rood, geel, grijs en bruin aan stofwolken achter de auto. Borden met waarschuwingen voor een veerooster, een onoverzichtelijke helling of een hek. Twee kangoeroes waarvan eentje probeerde tussen de voorwielen door te skipieen, drie emu’s en koeien die hier meer vierkante meters ter beschikking hebben dan wij met zijn allen in kikkerland. Niks dus.

In Boulia zelf is een museum. Er liggen resten van beesten die 95 miljoen jaar geleden de scepter zwaaiden over dit gebied. Er was een enorme binnenzee en nu nog gebruikt men hier de wateren onder de grond. Ik dacht dat het hier gortdroog was maar niets is wat het lijkt. Het museum wordt gerund door een mevrouw van 70 jaar die voor de gelegenheid uitleg geeft over een aantal foto’s aan de muur en ingerichte kamers. Het blijkt haar eigen familie te zijn die hier, net als zijzelf wortel geschoten hebben. Ze is zo vergroeid met het leven in deze streek dat het haar drie keer teveel wordt tijdens haar uitleg. Haar man, haar moeder en haar broers en zussen passeren niet zonder tranen de revue.

Ze vertelt over zandstormen waardoor ze elke dag hun bed moesten uitkloppen, schapen die met duizend tegelijk dood gingen, kostschoolbezoek vanaf haar achtste in Townsville wat de dichtstbijzijnde stad is op 1000km. Ligt gewoon ook in Queensland. Verder woonde ze haar hele leven op de boerderijen hier in de buurt. Ze kwam nooit ergens. Dertig kilometer gravelweg zorgde ervoor dat ze alleen eind december met zijn allen naar deze stad gingen om naar de kerstboom te kijken.

Als je luistert naar de mensen hier gebeurt er natuurlijk van alles. En al lijkt het niks, van sommige verhalen krijg ik het koud.

Het is zover

Zover weg van alles dat het lijkt of het er alleen exotisch is. Tropische stranden, rivieren vol krokodillen, woestijnen vol termieten heuvels groter dan mijzelf, rustplaatsen langs de highway met het grootste fruit uit de omgeving.

Dat alles ver weg is klopt wel. Behalve de realiteit van veel mensen die ik zie. We staan op een camping bij Mackay omdat er wat geklust moet worden. Het voertuig heeft wat kuren. Er gaat zo vaak een snerpend alarm af waar we ons kapot van schrikken dat we even langs een terzake kundige garage moeten. Het blijkt een foutief ingesteld hoogte alarm. Niks aan het handje.

Dat zou ik niet willen beweren over de mensen op de camping. Ik gok dat hier zeker twee derde van de bewoners geen huis meer heeft en in een caravan woont die achter een auto hangt waarvan ik me afvraag of er genoeg brandstof in zit. Het geheel ziet er zonder uitzondering armoedig uit. Ik las hier eerder artikelen over en kom het geschrevene in de praktijk tegen. En dan heb ik het alleen nog maar over het blanke deel van de bevolking.

De gemeenschappelijke keuken heeft een dak( fijn want het regent nogal eens) en een televisie. Gisteren niemand te zien maar vandaag duiken er twee fans op van de Bronco’s. Die spelen Footie of Australian football zo je wilt en zij vragen meer dan beleeft of ze mogen kijken. Natuurlijk mogen ze kijken, ik bedoel, go your goddelijke gang man. Ze verontschuldigen zich vele malen, zuipen de man tig bier op tijdens de wedstrijd en zijn blij want hun team wint.

Ik bedenk dat dit precies is wat ik hier exotisch aan vind. Het is iets wat ik niet meer gewend ben in het land waar ik vandaan kom. Ondanks alles; alle ruimte voor een ander.

Vis

Je kunt hier vissen maar dat lijkt toch een soort van absoluut niet de bedoeling. De kleur en soort in veelvoud beschouwend flipper ik over het grote, wacht, the great barrier reef. Vertalen kent zo zijn beperkingen.

Zelfs een kleurenblind persoon zou zich hier uit zijn kwallen werende pak wurmen onder het uitroepen van bewonderende kreten. De kleuren zie je niet alleen, je voelt ze, je ruikt ze. Alles onder water ademt kleur.

In Nederland, een paar dagen geleden nog maar, zag ik een reportage over het grote rif hier. Alles is dood, huilde een professor in de leer. Niet meer te redden. Vrijwilligers deden wat ze konden maar er restte slechts een wit in vijftig tinten van ontreddering.

Morsdood.

In die reportage dus.

Nu ligt dat rif uitgesmeten over 900 kilometer dus er zal vast wat afstand gezeten hebben tussen mij en die professor.

Maar toch, ik ben in Aussieland voor een jaar en er moet me iets van het hart over de berichtgeving in Nederland, nou ja, aangaande dit rif dan.

Ik drijf hier rond, heb de waarheid niet in pacht maar dit is wat ik bedacht heb na wat geklets zo her en der.

Het rif, als in HET rif , bestaat niet.

Het is zo groot dat er veel verschillende mededelingen over te doen zijn. Op sommige plekken huilen professoren terecht tranen en tuiten hun lippen, op andere plekken juichen bezoekers, beheerders en professoren om een bruisend en levendig koraalrif. O ja, en lokale ondernemers ook.

In Nederland kun je vissen naar de waarheid.

Wat je vangt is dan aan jou.

Foto: Justin Timmer

Rondje Romheen

Onder deze titel kun je de komende twaalf maanden een aantal teksten, gedichten, schrijfsels lezen die onderweg ontstaan. Onderweg in een jaar Australia waar ik in een truck(je) doorheen reis met Ineke. Het laat zich dus niet voorspellen, dat jaar, de schrijfsels, de belevenissen. Het enige dat vaststaat is dat ze er zullen zijn, dat ze uit alle hoeken en gaten tevoorschijn komen, hoe dan ook.

Dus, riemen vast, flipflops aan, insmeren en hoeden en petten op en no worries mate!

Hobbels

Het is bijna zover. We gaan op reis voor een jaar naar Australia. Hiervoor is een specifiek soort rijvaardigheid vereist want de wielen onder ons behoren tot een truck die zwaarder weegt dan het normale rijbewijs hier in Nederland toestaat. Daar wordt dus een nieuw rijbewijs voor aangevraagd met bijbehorend riedeltje examens in theorie en praktijk met voorafgaand een arts die mij gezond verklaard. Die arbo arts vindt dat de brillenboer goed aan mij verdient heeft want ik kan alle letters ook zonder bril nog lezen. Het theorie examen vereist een periode van twee weken studeren op allerlei technische vrachtwagenzaken die geen mens kan onthouden(ik wel want ik slaag). Het praktijkexamen is reeds na vier lessen want ik rij al in een busje en denk dat ik het wel kan. Dat klopt met de aantekening dat de spiegels wel wat meer gebruikt mogen worden. Ik ben geen ster in achteruit kijken geloof ik.

Het document wordt aangevraagd en via het gemeentehuis afgehaald. Tot zover vlag en wimpel. Bij de ANWB kan ik een internationaal rijbewijs ophalen hetgeen voor Aussieland verplicht is. De behulpzame mevrouw in de winkel vult het document voor me in en stempelt erop los. Bij overhandiging zie ik dat ze categorie C niet afgestempelt heeft. De reactie op mijn commentaar doet me even zwijgen. ‘Ik mag dat niet doen want dan mag u in een vrachtwagen rijden en u heeft C1(tot 7500kg)”. Ze kan mijn geëxamineerde zweet dus niet kwijt op dat document, dat voor één jaar geldig is. Dat kan alleen op een internationaal rijbewijs dat voor drie jaar geldig is. “Doe me die dan maar”, is mijn gedurfde commentaar. Daarmee vang ik ook bot want dat document is nu juist in Aussieland niet geldig.

Hoe ik ook aandring, er komt geen stempeltje in het vakje achter de C. Ik dwing haar te bellen met alle superieuren die ze maar kan bereiken zonder het gewenste resultaat. “Het is het ministerie dat dit regelt en wij zijn slechts de uitvoerder, misschien kunt u met hen contact opnemen?” Wat ik ook doe, het document blijft in de Engelse vertaling vermelden dat ik goed ben voor rijden op vier wielen tot een gewicht van 3500 kilogram. De ongewenste conclusie lijkt te zijn dat ik mijn C1 rijbewijs gehaald heb maar daarover niet kan opscheppen tegenover oom agent die me Down Under langs de kant van de weg zet. Sterker nog; het lijkt er ook op dat de truck verzekeren een lastig verhaal wordt omdat ik geen geldig internationaal rijbewijs kan bemachtigen.

Indachtig de eindeloze vlaktes die het te berijden continent heeft kijk ik verder dan mijn neus lang is en kom op het spoor van een door de overheid goedgekeurd vertaalbureau dat haar geld verdient met deze afgrond tussen de Nederlandse instanties; ze vertalen het rijbewijs naar het Engels middels een officieel goedgekeurd document. Over drie tot vijf dagen heb ik het in huis, ruim op tijd voor vertrek. Kost een paar tientjes maar dan heb je ook wat. Ik denk dat het lesgeld is.

Dacht toch echt de hobbels pas aan de andere kant van de wereld tegen te komen.

Rare vogels

een project voor vogelaars

blijkt internationaal

bergen informatie te verstouwen

heel veel spullen mee te sjouwen

speurend kanoeten in de gaten houden

ze vertellen overal

over de kanoet en zijn verhaal


wanneer de kanoet het koud krijgt

pakt ie zijn biezen, ziet de zon

en gaat haar achterna

langs zand gestraalde stranden van

Denemarken, Holland, Frankrijk

komt ie, mits niet opgevreten of bevroren

aan in Zuid Spanje of in Afrika

het projectteam sleept haar zooi mee

geeft extra gas van daar naar hier

door de lucht is de kanoet altijd nog sneller

dan een busje met twintig vrijwilligers,

twintig koffers, twintig camera’s, twintig verrekijkers en een hele berg

wc papier

overal vertellen ze op scholen

bevlogen over de kanoet

hoe die vliegt, waar die slaapt,

dat ie over stranden hipt,

waar zijn koters grootgebracht

en hoe die dat dan doet

massa’s kinderen krijgen dit te horen

omdat het van de juffrouw moet


ergens in het verre zuiden

aan de randen van het zand

aan de randen van het water

sjokt de kanoet over het strand

al jaren is daar niemand meer verrast

de kanoet is een graag geziene gast


wordt het hem te heet

en wil hij daar weer weg

dan is er altijd een kanoet die weet

welke kant is de bedoeling

voor de nodige verkoeling

zodat de omgekeerde route

weer wordt afgelegd

probeerde eigenlijk iets anders

te verklaren

iets waar ik de zin van mis

vervang kanoet maar eens door mensen

vermoed alleen dat weinig

van die exemplaren

in hun grote witte camper

weten dat een kanoet veel vrijer is

Vergeten groenten

Het grillige landschap weerspreekt de mathematica van geplaatste hekjes.
Wind gaat zijn eigen gang. De zon brandt bij tijd en wijlen gouden randjes aan de wolken als ze haar het schijnen beletten. Ondergaand beklimt ze de bomen en zet hun toppen in brand.
Ik zit aan de rand van een rivier. Ze stroomt, water duwt water in haar eeuwige perpetuum mobile als een, in breedte variërende, scheiding van landschappen. Het doet me denken aan autoritten die ik, de neus tegen het raam gedrukt, met mijn vader maakte. De lijnen die ik volgde in het voortrazende vergezicht meanderden op, neer, heen en weer. Slingerend, als het lange losse lint aan mijn vlieger, gegrepen door de wind.

Achter me zijn volkstuintjes, het budgettaire antwoord op de hedendaagse inkomensverschillen. Van mensen die vergeten groenten verbouwen. Of van mensen die zaaien maar hun groenten vergeten, aan de bruintinten in sommige perkjes te zien. Een vrouw van in de veertig met een fiets aan haar hand loopt mijn kant op. Ze komt uit de groentenafdeling in het landschap en haar fietstassen puilen uit van de opbrengst. Sla, snijbiet, schorseneer, het dienstmeidenverdriet, bietjes, meirapen. De bos peterselie in het mandje aan haar stuur ruikt sterk. Onder de snelbinders een grote bos sperziebonen, met struik en al gerooid.
‘De oogst valt niet tegen’, zeg ik, wijzend op haar karrenvracht gezondheid.
Ze glimlacht van achter haar grote zonnebril.
‘Klopt, je moet er wel wat voor doen, maar dan heb je ook wat. Ik sjouw me soms helemaal suf naar die tuintjes om ze thuis maar wat gezondheid te kunnen voeden hè.’

Ze neemt me mee naar mijn jeugd, waarvan ik dacht dat die tot het verleden behoorde. Dat blijkt alleen om mijn verleden te gaan want het is haar realiteit. De groenten uit mijn vaders moestuin kwamen in golven. Tsunami’s van sla, tomaten, witlof, bloemkool, snijbiet en boerenkool. We aten ze in periodes van drie weken achter elkaar en wat we niet opaten werd in wekpotten gestopt, vacuüm gekookt en met een datum erop in de kelder opgeslagen. Zo konden we in de winter, tussen de zure, rode en boerenkool door, ook een keer boontjes eten. Een luxe. Ik mocht met een spelt de pot ,die open plofte met een diepe zucht, ontgrendelen.

Ik proef de bittere nasmaak van tot snot gekookte witlof.
‘Is het niet veel werk?’
Ik weet niets anders te zeggen.
‘Dat valt reuze mee als je het slim aanpakt’.
‘Mijn vader had vroeger ook een moestuin, ik moest altijd een uur onkruid wieden als ik uit school kwam. Vooral de kruidentuin was een ramp, vergiste me altijd tussen kruid en onkruid.
Ze lacht.
‘Ik heb daar ook zo mijn mensen voor, net als jouw vader. Dat wieden vind ik maar een vermoeiende bezigheid.’
‘Dat heeft u goed bekeken, ik heb er een soort moestuinfobie aan overgehouden.’
De vrouw kijkt om zich heen, buigt zich over haar stuur naar mij toe en spreekt zacht.
‘Het is niet anders in deze tijd, soms moet je inventief zijn om de monden thuis te voeden. Dag!’
Ik knik en kijk haar na terwijl ze de volgeladen fiets over het paadje langs de rivier voortduwt. Haar contouren worden omarmd door het tegenlicht van de ondergaande zon.
Water duwt water.

Als ik terugloop langs de volkstuintjes is er een kleine samenscholing van mensen. Ze leunen op harken, schoffels en scheppen. De verontwaardiging is groot.
‘Wat moet je eraan doen, in je tuin blijven slapen? Ze nemen gewoon alles mee, hier kijk dan, de sperziebonen weg. Met struik en al!’
Ik loop er stilzwijgend langs en probeer de woorden van de vrouw terug te halen.
Voel me een beetje Robin Hood.

volkstuintje

Plat

Het is hier plat man

Je kan ver kijken man

Heel veel water man

Er zijn hier dijken man

Hier ben je rijker man

Altijd alles willen

is een bril die constant beslaat

We vegen ons met zijn allen

naar een ontevreden staat

van armoe en ellende

nooit komt er iets meer goed

Terwijl een beetje minder willen

een wonder voor je doet

Het is hier plat man

Je kan ver kijken man

Heel veel water man

Er zijn hier dijken man

Hier ben je rijker man

Op afstand van de wereld

Zie je wat je voelt

Niet dat het goed of slecht is

gewoon iets met jouw gemoed

Een voet voor de ander

Vallend in vooruit

Of anders blijven stilstaan

Dat ziet er anders uit

Het is hier plat man

Je kan ver kijken man

Heel veel water man

Er zijn hier dijken man

Hier ben je rijker man