Trak

Eigenlijk is het een lange rode slingerende streep getrokken door groen, geel, paars en roze. Rood, de kleur van het zand en de aarde die deze route bepaald. Eromheen laag struikgewas met her en der bloemen in bloei in alle kleuren van de regenboog.

Soms is het zand dik en werkt de auto zich er hoorbaar puffend doorheen. Ik denk na over de naam van deze route; het heet hier the butchers trak. Met een k.

Er is best veel te vinden over butchers in Australia. Zo is er een butchers road, een butchers bay, een butchers ground en zo kan ik nog wel even doorgaan. In vrijwel alle gevallen verwijst de naam naar een verleden met een rauw en bloederig randje. Blanke pioniers en settlers die de Aboriginals gebruikten als werkvee en ze vermoorden wanneer er sprake was van verzet. Een andere mogelijkheid gaat over koeien onderweg naar het slachthuis dat soms midden in de outback ligt. We passeerden er een keer een in het noorden van Australia waar de meest levenslustige exemplaren ontsnapt waren en gewoon over de weg liepen. Ze vangen was blijkbaar teveel gevraagd.

Terug naar de trak. Waar de c gebleven is mag Joost weten. Ik kom niet verder dan iets met zuid Afrikaans maar daarvoor vind ik geen enkel bewijs. 160 kilometers aaneengesloten offroad in WA. Kom daar maar eens om in Nederland. Zelfs in Europa nauwelijks te vinden zonder asfalt tussendoor. Tijdens de rit laat ook de dierenwereld zich weer zien; een mega leguaan schrikt zich te pletter, een grote rode kangoeroe besluit op tijd de andere kant op te huppen( meter of vijf per hup), twee Emu’s hebben het nog over ons en wij over hen en veel koeien die wijselijk besluiten nog even te wachten met oversteken. Het heet hier niet voor niets 

the butchers trak. 

Met een k.

Never never

Hij ziet eruit alsof hij zelf een rol heeft vertolkt in de film. Lange grijs-witte haren, bruin gelaat dat tekenen van dehydratie vertoont, mager getaand lichaam met bierbuik, een grote bruine aussie outback hoed op de schedel en pretogen die een humoristische kijk op het leven verraden.

Runt een tourbedrijfje, Never never tours, samen met zijn dochter hier in Kakadu National park, Arnhem land en land van drie clans van de Aboriginals die hier voor onderhoud en behoud van veel rotstekeningen zorgen, zo vertelt hij. “Daar”, gaat hij verder, zei hij:”see that treeline up there? That’s where that croc nearly got the better of me.”

Hij strooit citaten uit de film rond bij ieder veranderend uitzicht en ik beluister het sprakeloos met een heel grote glimlach van herkenning.

Misschien toch even wat achtergrond informatie over bovenstaande ontmoeting.

De film kwam uit in 1986. Ik was toen in het land waar zich het verhaal afspeelt en had geen weet van de cultstatus die het zou bereiken. Ik denk dat ik hem twee jaar later voor het eerst bekeek en weggeblazen werd door het fantastische verhaal, de opgevoerde figuren en de overweldigende natuur vooral. Ik heb de film daarna nog minstens 19 keer gezien en ken vele beelden en gesprekken uit het hoofd. Nog nooit, tot gisteren, ontmoette ik iemand die een vergelijkbare gekte aan de film overgehouden heeft.

“And that”, zegt hij wijzend van west naar oost langs de horizon, “that’s never never”.

Kijkend tegen de ondergaande zon in weet ik niet meer zeker of ik naar onze gids of naar een van de figuren uit Crocodile Dundee luister. Hij ademt de film. Weet waar scenes zijn opgenomen( het café staat hier 1200 km vandaan so that’s a little lie), waar de crocodile uit de film in opgezette staat is gebleven( die scene is in Darwin opgenomen) en ook Charlie, de waterbuffel uit de film die magisch gehypnotiseerd werd door Mick Dundee weet hij te vinden in een roadhouse café waar wij inmiddels ook geweest zijn. Qua fan-schap bewijst hij zijn meesterschap door te vertellen dat Charlie, na een rijk en vol leven, opgezet werd zodat iedereen hem kon zien in dat genoemde roadhouse. Wat weinig mensen weten is dat bij plaatsing in de beoogde zaal bleek dat het plafond te laag was en hij er niet in paste. Charlie is daarop teruggegaan naar de chirurg die een twintigtal centimeters uit zijn onderbenen gezaagd heeft en de boel weer aan elkaar gemaakt. Het is me niet opgevallen toen ik voor het dier stond en poseerde alsof ik hem hypnotiseerde.

Geheel in stijl lacht onze gids zijn licht bruinend gebit bloot als hij dit verhaal vertelt. Ik heb de neiging om terug te rijden naar het roadhouse maar weet, net als deze Dundee adept; de waarheid is van weinig belang. Het is het verhaal dat er toe doet.

Lang gras

“We zitten momenteel helemaal zonder”, is het antwoord op haar vraag of ze misschien een beetje water kan krijgen. Ik zit in een kleine uitspanning bij een benzinestation een bakje koffie te drinken in afwachting van de servicebeurt die ons vervoersmiddel ondergaat. Buiten voor de deur, op straat, is een aboriginal familie gaan zitten rondom een bakje friet met burger dat een van hen net gekocht heeft. Een ander uit het gezelschap, een jonge vrouw, is naar binnen gelopen om haar telefoon op te laden en water te vragen. Dat is dus op.

We kunnen je niet wegsturen maar welkom ben je hier niet is de duidelijke boodschap. Weg gaan ze ook niet, ze zijn het geenszins van plan, de aboriginals rondom en in Darwin. Ze worden hier ‘the long grass people’ genoemd en zijn de blanken een doorn in het oog. Ik heb er een boekje over gekocht dat ik nog moet lezen maar een kopje koffie bij een benzinestation maakt de achterflap ervan volledig overbodig. 

Als schaduwmensen bewegen ze zich door het straatbeeld. Wanneer je erop let zie je bijna geen contact tussen blank en zwart, alsof ze in dezelfde straat door twee verschillende werelden lopen. Verzamelen zich rondom de hotels met een drankvergunning en zodra die open gaan veranderd het straatbeeld. De aan alcohol verslaafde aboriginals verdwijnen uit beeld om er na sluitingstijd schreeuwend en bezopen weer uit te komen.

Op de bushcamping waar we staan, net buiten Darwin treffen we Gordon, van origine Zuid Afrikaan. Als jongeling naar Engeland verhuisd en later naar Australia geëmigreerd. Hij omschrijft zijn wens om weg te gaan uit het land van apartheid als noodzakelijk voor zijn geestelijk welzijn en dat van de wereld. De haat en onderdrukking stonden alle vrijheid en vrolijkheid in de weg. Hier, in zijn beloofde land met eindeloze horizon is die vrijheid voelbaar en helemaal geweldig. Komend uit het land van duivels aanbeden apartheid en de Klerk kan ik me die gedachte nog wel voorstellen ook. Alles kan altijd nog groter, kleiner, beter of slechter. Ik denk dat er in de wereld nog heel wat te verbeteren valt wanneer het op gelijkheid aankomt. En dat Gordon niet eens zo heel ver hoeft te kijken om dat te zien. Rondom het bushcamp staat het in overvloed; heel lang gras.

Zien

Wat je ziet, correctie; wat ik zie, is niet direct iets waarvan ik de betekenis kan duiden. Ik bedoel; ik ben in West Australia en the Northern Territory en zie dingen die niet meteen volledig begrepen bij mij binnenkomen. Ik moet er af en toe een tijdje op kauwen om de smaak te kunnen duiden. 

Zo leerde ik vanmiddag iets over hobbels van een mevrouw bij de wasserette. NT is geen staat zoals andere gebieden in dit land en valt onder de centrale overheid vanuit Canberra. Dus, zei ze met een licht tevreden toon in haar stem, wanneer jij je afvraagt waarom de wegen hier in verhouding zo goed zijn dan is dat het. De centrale overheid geeft geld aan de regio’s voor wegenonderhoud en die voeren dat uit. Andere staten krijgen geld en kunnen ermee doen wat ze zelf willen. Dat geven ze dus niet uit aan het verbeteren van wegen zoals je waarschijnlijk wel gemerkt hebt. Terugdenkend aan legio hobbel ervaringen beaam ik wat ze zegt. Sommige wegen zijn echt het sluitstuk van de begroting en het begin van een begroting waarop menig nieuw auto onderdeel staat voor de mensen die erop rijden.

Over rijden gesproken, veel Australiërs ontvluchten het nu koude zuiden en gaan noordwaarts met terreinwagen en enorme offroad caravan erachter. Die dingen zijn drie keer zo duur als onze truck, die al niet goedkoop is en zijn voorzien van een interieur waar Jan de Bouvrie voor zou tekenen. Volgens een andere reiziger zijn die dingen na Covid de ware plaag. Half Aussieland heeft er een gekocht en daardoor zijn alle prijzen voor eten en kamperen verdubbeld. Je leert nog eens wat bij een biertje. De gesprekken die ik voer hebben vaak eenzelfde stramien: Waar kom je vandaan, waar ga je naartoe, waar ben je geweest en wat is je verdere plan. Het woord Nederland tovert vaak geëmigreerde grootouders tevoorschijn die na WO2 hierheen gegaan zijn voor een beter leven. De nazaten zijn zonder uitzondering zeer tevreden over die stap. De verre familie overzee is verwaterd, verdampt bijna en ze zijn zelf echte Aussies geworden. 

Die drinken dus behoorlijk wanneer er een feestje is alhoewel daar eigenlijk geen feest voor nodig is. Het drinken zelf wordt hier als feest ervaren geloof ik. Ongeacht de restricties op alcohol die er soms gelden. Die zijn goed voor de zwarte handel die welig tiert in letterlijk drooggelegde gebieden. Vlees wordt gegeten per kilo. Of het nu van kip, varken, rund, kangoeroe of krokodil komt. Via de barbecue worden er enorme lappen van weggewerkt in de outback. Ik neem aan dat het er in de steden wat anders en gematigd aan toe gaat maar weten doe ik het niet. Dit is hier de standaard zo lijkt het.

Van eigen grond is ook zo’n ding dat op elke verpakking in de winkel staat. De aardappels waar de chips van gemaakt is groeiden groot en sterk in Aussie grond net als de sla, appels, mango’s, mayo, soyasaus, boontjes, enzovoort. Alles komt hier vandaan en dus is het goed en het beste. Culinair gezien levert dit een hoop vette hap op op plaatsen die je niet perse met lekker eten in verband brengt, de roadhouses. Maar goed, wat je eet, mits nog herkenbaar na een uurtje frituurtje, komt wel uit Australia.

Zoals gezegd, ik kan niet alles direct doorgronden. Maar goed dat ik hier nog langer ben. Wellicht begint mij ooit te dagen wat voor deze mensen hier gesneden koek is. Aussie made.

Vitamine Zee

Zodra de westkust van Australia ter sprake komt roept iedere Aussie dat daar he-le-maal niks is. Nou vind ik dat er in het grootste deel van Australia waar ik tot nu toe was helemaal niks is maar ze menen dat dus echt. Niks. Beetje graven in de wederzijdse belevingswereld leert me dat dezelfde hoeveelheid kleine gehuchten en bezienswaardigheden maar met meer, heel veel meer, afstand ertussen ervaren wordt als he-le-maal niks. Er moet gezegd; dat van die afstand klopt. Dodelijk saai hetzelfde, uitgesmeerd over honderden kilometers gravel, asfalt en nauwelijks wisselende begroeiing. Denk de Terschellinger duinen alleen dan tussen West Terschelling en Hoek van Holland met her en der een doorsteek naar de kust waar je in een natuurgebied kunt kamperen. Je snapt; het terrein is ongeveer zo groot als half Terschelling en met alleen het strand voor de deur leg je lachend een kringetje om een van onze eilanden. Ik blijf me verbazen over begrippen als afstand, ruimte, groot/klein, vol en leeg maar zal er voor nu even over ophouden.

Naast ons, dwz op een afstand waar op een willekeurig Nederlands eiland de volgende camping begint staan een man en vrouw die hier zijn omdat ze een andere leefstijl wilden. Zij is begeleidster van verslaafden en depressieve medeburgers en hij is coach in bedrijfsleven waar mensen zich op persoonlijk vlak dienen te ontwikkelen. Beide doelgroepen laten zich online bedienen dus is ver weg of dichtbij geen punt van discussie. Hij wil zo snel mogelijk een netwerk opbouwen dat ook zonder hem kan en dan hier met zijn voeten in het zand blijven zitten. Zij laat zich nog niet uit over de toekomst.

Beiden wandelen regelmatig met de hond, Izzie, een speels mengsel van herder en ridgeback die soms de indruk geeft dat hij zich iets aantrekt van de gasten die hem eten geven. Voor de rest wil hij alleen maar rennen, zwemmen en blaffen. Mijn inschatting is dat zijn bazen, net als de halve camping hier dat juist kwijt willen. Weggerukt uit een van Australia’s grote steden willen ze ophouden met rennen, geen blaffende bazen meer horen en alleen maar zwemmen.

In een gebied met he-le-maal niks blijkt er dan van iets toch zoveel dat er voor iedereen genoeg is. Ik geniet er ook van mee.

Vitamine zee.

Dagen als deze

Achteraf denk je soms dat je het had kunnen weten, zien aankomen op zijn minst. Niets is minder waar. Het is gewoon wat het is geweest.

West Australia, waar we nu zijn, is recordhouder loze ruimte van alle staten hier. Veel ruimte en niets loos.

Vanuit een meer dan prachtig kampeerplekje in de buurt van Meekatharra start de dag fris met zon en koffie. Tot zover niks aan de hand.

Er is na een honderdtal kilometers rijden een zijweg met iets te zien die niet te vinden is.

Er is na nog een honderdtal kilometers een oude boerderij die wel te vinden is maar geen bezienswaardigheid blijkt te zijn.

Er is na het derde honderdtal kilometers een kampeerplek die zo weggerukt lijkt uit een b-film met een hoop oude roestige olievaten, autowrakken, dubbelloops jachtgeweren en een bloederige slotscène.

We rijden vijfhonderd kilometer over de Great Northern highway en echt beter wordt het niet. Wind tegen, de roadtrains zorgen ervoor dat je net niet van de weg aflazert en omdat er niets te zien valt qua landschap vallen de lijken van doodgereden koeien en kangoeroes ineens extra op.

Om mij heen een afgegraven Australia dat zijn schatten uit de bodem op grote schaal en in hoog tempo naar het buitenland exporteert. Deprimerend is het enige woord dat weliswaar tekort schiet maar in de buurt komt.

Het rijden is voor deze dag genoeg in een plaats die Newman heet. Bij binnenkomst een bordje met een eervolle vermelding voor schoonste stad in West Australia. Niets is wat het lijkt. De kampeerplek is een terrein waar men hier grootste bijeenkomsten en feesten organiseert. Volledig geasfalteerd met rondom enorme hekken en schijnwerpers. Als ik kort moet gaan; een rangeerterrein waar in de nacht kilometers lange treinen vol ijzererts, tientallen meters lange vrachtwagens vol ijzererts en alle mensen die met deze werkzaamheden hun geld verdienen mij behoorlijk uit de slaap houden.

Dat zie je dus niet aankomen. De een heeft een slechte dag omdat er niks te zien is. De ander heeft een slechte nacht omdat er veel te veel te horen is.

Er schiet mij een lied van Van Morrison te binnen; my mamma told me there’d be days like this.

Onderscheidend

Ik ben in een roadhouse, een soort van restaurant, camping en benzinestation ineen ,ergens in het zuiden van de Northern Territory in Australia. De plaatsaanduiding doet er niet heel veel toe want die roadhouses zijn overal ongeveer hetzelfde. Tenminste, op het eerste gezicht dan. Men gaat nogal ver in pogingen zichzelf te onderscheiden. Dat roadhouse waar ik net over begon is bijvoorbeeld roze. Zo heet het dan ook; pink roadhouse. Begonnen als grap van twee hippies die hun oude volvo roze schilderden maar inmiddels wereldberoemd op dit continent. De hele tent is roze met een enorme berg prullaria als reclamemateriaal. Je raad het, ook roze met als klap op de vuurpijl twee roze kano’s voor de deur om mee te varen tijdens overstromingen. Me dunkt, we zijn in een woestijn maar ook hier eerder een buitje meer dan minder.

Onderscheiden kun je je ook door de dames die jouw etablissement betreden een gratis drankje aan te bieden mits ze bh dan wel slipje afstaan om aan het plafond te hangen. Of door van alle soorten gras die er in de buurt groeien papier te maken, je kunstzinnige dochter ermee aan de haal te laten gaan en een tentoonstelling te openen met wereldwijde bekendheid omdat de modewereld interesse heeft. We hebben het hier over een station in het centrum van Australia waar meer koeien dan mensen rondlopen. Ter vergelijking nog even de afmetingen; een boerderij zo groot als Nederland met 4500 stuks vee die er rondlopen. Kan wel meer maar je wilt het land niet teveel belasten. Wij stoppen in Nederland bijna 18 miljoen mensen in die ruimte. Om van de opgehokte dieren maar te zwijgen.

Jezelf onderscheiden is eigenlijk niets anders dan een eigen geluid laten horen of een eigen gezicht laten zien. Ik doe er geen eed op want ik ben hier nog niet klaar maar de hoofdprijs voor zichzelf onderscheiden gaat voorlopig naar het plaatsje Coober Pedy. Opaal hoofdstad van de wereld qua vind gebied en met afstand de vreemdste plek waar ik ooit geweest ben: 1800 gelukszoekers wonen er in huizen onder de grond omdat het erboven veel te heet is en de omgeving is veranderd in een enorme gatenkaas met 1,5 miljoen putten die gegraven zijn in de hoop opaal te vinden. Opportunisme waar de zuidas van Amsterdam een puntje aan kan zuigen. Het ziet er hier volledig afgeleefd uit doordat al die putten niet dichtgegooid mogen worden wegens instortingsgevaar voor andere gravers met als resultaat een landschap getekend door molshopen in vele soorten en maten. Hier is iedereen de mol.

Logischerwijs bestaat de middenstand hier voor 80 procent uit opaal verkopers, 10 procent uit opaal inkopers en de resterende 9 procent wordt volgemaakt met de bakker, slager,supermarkt, drankwinkel en een paar restaurants. Het allerlaatste procentje gaat naar Harry. Harry is niet meer onder ons maar hij runde hier een kroeg die er nog wel is en waar iets apart mee is. Als je er als vrouw afstand deed van een stuk ondergoed dan kreeg je van Harry persoonlijk een gratis drankje en meer want het verhaal gaat dat hij populair was onder de vrouwelijke clientèle.

Ik vermoed dat Harry een keer in een roadhouse in het zuiden van the Northern Territory geweest is.

Weg

Ergens langs een lang rood lint van een onverharde weg staat

bestand tegen permanent stof dat haar bekruipt

een klein wit metalen kruis versierd

met plastic bloemen zoals mijn oma

in haar glazen kast

aan Jezus’ voeten had liggen

De weg is genoemd naar een witte man

die hier doorheen geploeterd is en zo een weg gevonden heeft die ergens

heen moet zijn gegaan

Van zijn gezelschap overleefde alleen hij;

de paarden, de kok, de metgezellen liggen

ergens hier verspreid onder steen en stof.

Niemand weet waar maar alle 16 inwoners van Kulgera,NT weten van het restje hek waar gedenken hier van gemaakt is.

Zo verteld lijkt een klein wit kruis aan een lange stoffige weg vernoemd naar een beroemde witte man versierd met de bloemen van mijn oma

al heel wat voor een meisje

dat hier tragisch aan haar einde kwam

Netjes

Ik geloof dat het ergens in de buurt van een plaats was die Winton heet, in het midzuiden van Queensland, dat het erop begon te lijken dat we voorlopig niet meer alleen zouden zijn in de Outback. De reclameborden langs de stoffige gravelweg maakten duidelijk wie er hier meekeken.

14 billion flies can’t be wrong: Winton.

Vliegen dus. Je passeert zonder het te beseffen een onzichtbare grens in het landschap dat langzaam stoffig rood wordt alsof je een zonsondergang inrijdt. Geen idee wat de criteria zijn voor die 14 biljoen om er vanaf hier ineens te zijn maar dat het een supergoed vestigingsklimaat is lijkt me helder. Op sommige plekken komen ze in een keer, allemaal tegelijk, op mijn hoofd zitten en verdringen zich rond neus, ogen en mond. Elders zijn het meer sluipers die zich langzaam maar zeker over mijn aangezicht ontfermen.

De Aboriginals hier blijven gewoon een tijd stilstaan wanneer ze door zo’n horde vliegen besprongen worden. Ze noemen het de grote schoonmaak en zeggen dat de vliegen daarna vanzelf weer weggaan.

Ik heb niet die ervaring. Enerzijds niet omdat ik niet het geduld heb voor een grote schoonmaak en anderzijds omdat ik inmiddels een oplossing op mijn kop heb in de vorm van een vliegennetje. Grote cowboyhoed, netje erover( merk Wotflies?) en het irritante gekriebel op je gezicht is verdwenen. Er zijn de diehards die niet aan netjes doen maar die zien er dan toch de halve dag uit als bevangen door een soort spasme dat maaibewegingen van de armen veroorzaakt voor het gezicht langs.

De dracht van netjes kent vele variaties en bijverschijnselen weet ik inmiddels. Zo vergeet je soms dat je er een op hebt en probeert een handje chips door het netje heen naar binnen te proppen. Om van de chaotische schuimzooi die het netje van een slok bier maakt maar te zwijgen. Maar toch altijd beter dan met je armen maaien terwijl je vergeten bent dat je een glas bier ter hand had genomen.

Bekijken hoe mensen hier de netjes dragen blijft een absoluut favoriete bezigheid. Van direct op het hoofd tot waaiend en wapperend in de wind op grote zonnehoeden zonder enig effect. Beginners en gevorderden zijn gemakkelijk te onderscheiden. Gister stormde tijdens een wandeling iemand met stip de top tien van gekke netjesdracht binnen. U begrijpt; er bestaat inmiddels een klassement. Hij had het vliegennetje zo strak over zijn hoofd getrokken dat hij eruit zag als een stereotype bankrover met nylonkous. Zijn lippen zo vervormd dat hij ter plekke had door kunnen gaan voor blanke zoeloe en van een oogopslag kon geen sprake meer zijn, simpelweg omdat het net zich gesloten had en elke gelaatsuitdrukking en beweging voorkwam. Ik had een overval door hem wel geaccepteerd maar hij was daarna de pisang omdat ik me doodgelachen had.

De fantasie gaat op de loop hier maar we houden het netjes. Ik mep er nog een paar uit mijn gezicht. U hoort van mij.

Ertoe doen

Het is hier een omstreden onderwerp. Dat wil zeggen, je kunt overal over beginnen maar hier hebben ze het liever echt niet over. Terwijl het ze niet onderscheidt van andere westerse landen. Net als elke westerse, oosterse of wat voor grootmacht dan ook zijn we op zijn zachts uitgedrukt de vriendelijkste niet wanneer het gaat over minderheden. Ik bedoel de mensen die het land waar blanken zijn komen wonen gedurende duizenden jaren al bewoond hebben maar, bij aankomst van de blanken, verdreven en uitgemoord werden omdat ze simpelweg in de weg zaten en niet als mensen beschouwd werden en nog steeds niet worden.

Let wel, dit is geen beschuldigende vinger. De mijne is al net zo schuldig als de jouwe. We hebben allemaal eenzelfde verleden. Wel is er verschil in hoe ermee omgegaan wordt. Hier in het midden van Australia is er, rondom de heilige rots van de Aboriginals veel aandacht voor hun cultuur. Veel land is van hen en je hebt vergunningen nodig om erop te mogen komen of je komt er gewoon niet in.

Terwijl we er naartoe rijden begint de brandstofmeter ondervoedinsverschijnselen te vertonen en besluiten we te tanken bij een kleine nederzetting waar alleen aboriginals wonen. De weg er naartoe heeft meerdere snelheidsdrempels en in de nederzetting mag je tien kilometer per uur rijden. Er bekruipt mij een gevoel dat ik eerder had toen ik in 1985 the Bronx in fietste. In tegenstelling tot nu was dat toen een ghetto.

Er is een benzinepomp ingekapseld in een hoop metaal waar je door het ijzerwerk heen de creditcard in frummelt en tankt. Er is een politiebureau , een winkel en een cafe. Op grote borden staat vermeld dat drinken en rijden een dodelijke combinatie is. Over straat sjokken tenminste tien honden, tien kinderen en tien ouderen. De honden kijken of er iets te halen valt, de kinderen zwaaien, de ouderen houden dat voor gezien.

Op een bord bij de winkel staan de openingstijden vermeld. Van maandag tot zondag behalve wanneer er een begrafenis is. Dan vermeld men op een apart briefje of ze open zijn. Deze hele nederzetting komt op mij als ten dode opgeschreven over. Of de winkel dichtgaat heeft blijkbaar te maken met of je ertoe gedaan hebt. Dat lijkt me hier een hele kunst.

Foto: Ineke de Boer