Durf je

Er was geen glasvezel
voor verbinding
die sneller dan het licht
jouw gemoedstoestand teleporteert
of iets als een gedicht
door de ether slingert
als had het geen gewicht

Er is de traagheid van een boot
die deinend op de golven
het dwingend ritme volgt
van een naderende dood
nog verre van geaccepteerd
want hoop doet immers leven
en leven dat is hoop

Hoop weerklinkt uit deze stem
die tussen hoop en vrees
hoorbaar moet zijn geweest
die tussen angst en beven
daar klonk met lef
als enkelvoud van leven
een stem, die zegt, die roept, die schreeuwt:

Durf je?

foto durf je

Durf je te dromen als je wakker bent
Durf je, durf je of toch niet
Durf je te zien wat jij alleen ziet
Durf je, groter, gekker dan je kent.

Kan iets langer dan de langste adem
Kan iets groter zijn dan groot
Kan iets duren als het duurste
Kan iets kapot maar nooit meer dood

Durf je te dromen als je wakker bent
Durf je, durf je of toch niet
Durf je te zien wat jij alleen ziet
Durf je, groter, gekker dan je kent.

Mag je iets zeggen maar niet vertellen
Mag je iets horen maar niet verstaan
Mag iets wringen maar niet knellen
Mag je niet komen maar nooit meer gaan

Durf je te dromen als je wakker bent
Durf je, durf je of toch niet
Durf je te zien wat jij alleen ziet
Durf je, groter, gekker dan je kent.

Wil je drinken maar je dorst niet lessen
Wil je roken als een sigaret
Wil je weg maar niets verpesten
Wil je vrij zijn en bezet

Durf je te dromen als je wakker bent
Durf je, durf je of toch niet
Durf je te zien wat jij alleen ziet
Durf je, groter, gekker dan je kent.
Durf je.
Durf je?

St.Louis Blues dag 3 (06-09-2019)
@Romheen

 

Jezus redt(het niet)

Jezus redt

‘Ik deel met u
mijn woorden
van de eeuwigheid.
Ik deel mijn wijn,
al besef zelfs ik
dat er in deze tijden
wat water bij zal moeten.
Ik deel met u
mijn vis.
Ik deel met u
mijn brood
met teksten
voor de eeuwigheid
Daar kunt u
nog wat van leren.
elke les
die heeft haar
eigen tijd.’

‘Wij delen u, mijn beste man en daar kunt u dan wat van leren,
Een bon uit.
U mag hier niet parkeren.’

(foto: Martin Stor)

Zand van goud

Er komt een man naar me toe.
‘Hoe gaat het met je?’
‘Met mij gaat het goed en met jou?’
‘Met mij gaat het ook goed, ik wens dat het jouw familie en vrienden ook goed gaat.’
‘Ik wens jou toe ook dat het je familie en vrienden goed gaat.’
‘Wil je thee?’
‘Natuurlijk, graag. Aardig van je.’
‘Kom, we drinken thee, insjallah.’
DSC_0081
De kreukels van zijn zwarte tulband vallen in de plooi met zijn gezicht. Uit zijn ogen puilt vriendschap en nieuwsgierigheid. Hij neemt me mee naar zijn tent en ik doe mijn schoenen uit. Een nomade familie duikt op uit de wedervragen die ik hem stel als hij mij bevraagd over mijn thuis. Hij beheert een Kashbah die dienst doet als museum. Het hangt er vol met oude gebruiksvoorwerpen van vroeger zegt hij maar ik zie ze met enige regelmaat nog op de droge akkers gebruikt worden. Het is winter in de woestijn. Rondom de Palmerya wordt de grond met rust gelaten. Het water uit de bron wordt mondjesmaat verdeeld door middel van een kopje met een gat erin dat in een volle bak met water drijft. Als het kopje volgelopen is, is er een uur voorbij en wisselt de bewatering van kanaal zodat iedereen zijn deel ontvangt. Eerlijker dan een horloge, zegt hij.
Zijn vader hangt op een foto aan de muur. Met de haren woest waaiend staat een door de wind gegroefd man tussen twee anderen naar zijn toekomst te staren. Een tafereel uit de vijftiger jaren dat verwezen is naar het museum. De man die me thee schenkt ziet er eender uit. De tijd verstrijkt hier per kopje. Hij is blij dat ik er ben, zegt hij. Zo kan hij leren over de wereld buiten de zijne. Ik vertel hem over het museum waar ik gewerkt heb en hij begrijpt vooral de dingen die over landbouw gaan. We herkennen elkaars instrumenten. Er is meer dat we in elkaar herkennen maar dat brengen we niet onder woorden. Zeventig kilometer verderop de woestijn in woont zijn familie die hij eens in de twee weken een weekend ziet. Dan runt zijn neef voor een weekend de Kashbah en kan hij heen en weer. Soms kan hij geen lift vinden en duurt de tocht langer, zo lang dat het bij samen eten blijft voor hij terug moet.
Hij geeft me van alles teveel. Teveel thee, teveel suiker erin, teveel vragen, teveel lachen, teveel van hem. Zo zijn wij, zegt hij. We geven onszelf weg zonder onszelf te verliezen en jij mag zelf uitmaken wat je er voor teruggeeft. Dat is een ding, besef ik, iets van jezelf geven zonder er iets voor terug te willen. We hebben hier allemaal de tijd, de liefde en elkaar, glimlacht hij me toe. Gisteren is er niet meer en morgen kennen we nog niet. We hebben alleen vandaag.
‘Vandaag drink ik thee met jou.’
Bij het afscheid omhelzen en kussen we elkaar. De gewoonte maakt woorden overbodig maar we zeggen het toch.
‘Ik wens dat het jou, je vrienden en familie voor altijd goed gaat.’
‘Ik wens jou ook dat het jou, jouw familie en vrienden voor altijd goed gaat.’
‘Insjallah.’
Als ik door het zand in de woestijn verder loop bedenk ik dat morgen nog niet bestaat. Vandaag bestaat uit een groot hart. Een groot hart van goud.

Veluwe

Vrije natuur

wind waait er
bomen ruizen
zon beschijnt de net
gedouchte aarde

Mensen
van een ander continent
bekijken ons grootste
kleine park
en glimlachen

Ik drink koffie
voor mijn deur
beluister timmermannen die
een huis van dak voorzien
waarvan ik eerst vermoedde
dat het leger schieten oefende

Onderweg
door de natuur

staat een straaljager
bij een museumschuur

ingehaald door
konvooien groen

boven mijn hoofd
draait een chinook
een vrije kuur

rondjes, rondjes, rondjes
in de natuur

Gelijk

schaamte

‘Wat is de wereld toch klein en wat en toeval dat ik je uitgerekend hier tegenkom!’
Vanuit zijn niemandsland kijkt hij me glunderend aan met zijn brede glimlach en heldere ogen.
Ik heb hem uitgenodigd maar dat is hij vergeten.
‘Riet, Riet, kijk eens wie hier ook is, wat is de wereld toch klein!’
Zijn vrouw kijkt me verontschuldigend aan en legt haar hand op mijn arm.
‘Hij weet het niet meer, ik ben alweer een week met hem thuis maar hij vraagt nog steeds waar zijn koffer is en wanneer we gaan. Waarheen? Hij heeft geen idee.’

Ze ontmoetten elkaar een leven geleden en deelden dat wat lief heet en ook dat wat voor leed door moet gaan. Pas nu, aan de andere kant van het spectrum, komen ze elkaar tegen. De zorg voor hem valt haar zwaar. Ze zijn mijn buren en aangeschoven bij een try out van mijn voorstelling. Achter hen zitten mijn schoonouders, hun situatie lijkt een kloon van de mensen die voor hen zitten. Hij is inmiddels ook meer dan twee derde van zijn leven vergeten en het juk dat op haar schouders rust is soms verpletterend. In een gesprek tussen de twee mannen is de een 64 en weet de ander zijn leeftijd helemaal niet meer. Een tip helpt, beide weten ze hun geboortedatum nog; 1928.
De dementie van beide mannen maakt het tastbaar; dat we onderweg zijn naar een einde. ‘Allemaal!’, zou Adelheid Roosen met een theatraal gebaar zeggen. Deze mannen leven nog, weliswaar in een steeds kleiner wordende wereld die hen keer op keer verrast, maar ze leven nog. Niet dat ze er enorm aan vast houden, ze hoeven gewoon niet zoveel meer dus ook niet dood. Om hen heen neemt de wereld een vorm aan waarin ze de velden of wegen niet meer herkennen. De een zoekt constant zijn geld dat in een film op repeat maar blijft verdwijnen. De ander stapt relaxt thuis het trapgat in omdat hij in een ver verleden gelijkvloers gewoond heeft. Hoe breekbaar ook, slechts een blauwe buil op zijn voorhoofd is zijn deel. De kaarten zijn geschud en dat blijven ze.
We spelen een nummer dat gaat over stilstaan bij het idee dat we ergens heengaan. Terwijl ik de woorden uitspreek vormen zich andere gedachten. In mijn blikveld zit de een zich nog zichtbaar te verkneukelen over het feit dat we elkaar hier toevallig tegengekomen zijn terwijl de ander een dutje doet. Een venijnige saxofoonsolo maakt hem wakker en ik weet het.

Ik weet dat als je alles vergeet er niets meer is om bij stil te staan.
Ik weet dat je verloren bent als achter elke deur die open gaat de wereld zich om je heen sluit in plaats van je omarmt.
Ik weet dat er geen houvast meer is als elke stap, elk woord en elke gedachte die je hebt toevallig is. De letters van het scrabble spel waarmee je eerst het leven kon verwoorden liggen permanent omgekeerd voor je neus. Er schiet je geen maakbare volgorde meer te binnen. De wereld is niet groot.

Het is het gelijk van mijn buurman.

Week van de poëzie

pleister-op-de-wonde

Als poëzie
iets zeggen mag
als pleisters
op de wonden
die ondanks
haar letters
jou niet
verbinden konden

Als poëzie
iets zeggen mag
met ongeschreven woorden
die tussen
al haar regels
zich niet
lieten vermoorden

Als poëzie
iets zeggen mag
iets schreeuwen mag
iets huilen mag
iets lachen mag

Als poëzie
iets fluistert
hoop ik
dat iemand
luistert

Krijtstreep

Deze nacht kent geen horizon. Zee en lucht smelten samen aan de donkere einder. Slechts een dikke witte krijtstreep in het zwarte water markeert de vooruitgang. Achterop dit varend flatgebouw, turend naar haar kielzog, schiet mij het verhaal te binnen. Brommer op zee. Een verstekeling beleeft een nautisch avontuur aan de hand van meester Biesheuvel. Het zou me verbazen als er hier een was, een verstekeling. De buzz is binnenstebuiten gekeerd voordat ik haar de opengesperde kaken van deze boot opstuurde. De jonge marechaussee kon, behalve mijn honden, geen levend wezen ontdekken en wenste me een fijne overtocht.

brommeropzee

The sundeck heet het hier. Er zijn niet veel zonaanbidders hetgeen gezien het tijdstip niet verwonderlijk is. Roken is toegestaan en sommige van mijn mede-verstekelingen trotseren, net als ik, een fris briesje om de adviezen van het ministerie van volksgezondheid in de wind te slaan. Het aantal Duitse verstekelingen aan boord brengt me in de verleiding dit vlot tot das Boot om te dopen. The UK bereidt zich voor op een nieuwe invasie. Een van hen wil twee sigaretten van mij kopen. Ik sla zijn aanbod af en geef ze hem. Na een vuurtje inhaleert hij dankbaar zijn vermindert vermogen tot vruchtbaarheid.

In de reflectie van het raam waar ik doorheen probeer te turen zie ik, te midden van waar ik het zwarte water weet, de beelden van een televisie die achterop het sundeck aanstaat. Als een verstekeling in mijn geestesoog reist een vrouw met me mee die, telkens als haar tegenspeler iets tegen haar zegt, de ogen neerslaat. Het lijkt alsof ze hem niet horen wil. Haar gezichtsuitdrukkingen verraden ongenoegen. Ik wil haar doorgronden maar de muziek op het verduisterd zonnige dek overstemd haar geluid. Ze is mijn verstekeling die niet gehoord wordt. Ik zou de ober kunnen vragen haar een stem te geven maar ik doe het niet. Ze heeft zich de woede van haar medespelers op de hals gehaald. Ik heb geen idee waarom, de muziek die ik hoor biedt geen uitsluitsel. De ober schrobt de bar. Een krijtstreep sleept zich voort achter het schip. In de verte, aan de donkere einder, ontwaar ik een man op een brommer.

Onder Jannen

Waarom heten al die mannen Jan?
Ik heet Jan, mijn vader heette Jan, mijn opa heette Jan. Zo ging dat in mijn kringen. Ik ben de laatste Jan in mijn geslacht. Meisjes namen het over en er was niemand die klaagde. Ik behoor tot een uitstervend lijntje Jannen.
Big deal, wie doet dat nou niet? Uitsterven.
Alles is eindig.
Ik besteedde er geen aandacht aan.

Fietste tegen een berg op en fotografeerde een spandoek.
Jan, stond erop.
“Jan was here”, stond ook op de weg en ik leerde een andere Jan kennen.
Ik voelde me onder Jannen.
Echte Jannen.
spandoekJan
Ik kijk een beetje om me heen.
Er ligt een enveloppe op de mat.
Er zit een uitnodiging in.
Voor het lidmaatschap van een club.
Ik mag, als ik wil, als ik durf, lid worden van een club.
Aspirant lid, de Jantjes heten de eerstejaars.
Pas daarna het grote werk, de Jannen.
In de begeleidende brief staat dat de ballotage commissie aanvankelijk wat huiverig was om de uitnodiging te versturen omdat het helder was dat ik er niet aan toe was, dat lidmaatschap. Nu ik de vraag gesteld heb waarom al die mannen Jan heten is de postkamer geactiveerd en ligt het aanbod op de mat.
Aspirant lid.
Ik denk erover na, twijfel, huiver.
Ik ken ze slechts van horen zeggen.

Deze club Jannen deinst nergens voor terug.
Ze leven het leven dat ze willen, ze voelen de pijn, ze lachen hard, ze bruisen soms wild.
Ze beschermen hun dierbaren op onorthodoxe wijze en als ze een ding gemeen hebben dan is het wel dat ze hun hart volgen en niets anders. Ze denken na over wat er is, niet over wat er was of wat er komt.
Ze schrijven.
Het is een schrijfclub.
Ik moet mijn eigen pen meenemen, mijn eigen papier, moet mijn eigen teksten maken.
Wat ik schrijf mag ik zelf bepalen.
Of het een boek wordt of slechts gebundelde letters is aan mij.

Ik kijk wat verder om mij heen.
Dacht dat die brief alleen voor mij was.
Of in ieder geval dat alleen echte Jannen hem konden krijgen.
Wat een absurde gedachte.
Ik leer dat de commissie alle namen kent maar gewoonweg niet iedereen uitnodigt.
Ik heb de Jannen gezien die me uitnodigden.
Maar ze waren er alleen voor de ontvangst.
Daarna moet ik het zelf doen.
Ik twijfel.
Dat is niet erg.
Jannen durven dat.