Vitamine Zee

Zodra de westkust van Australia ter sprake komt roept iedere Aussie dat daar he-le-maal niks is. Nou vind ik dat er in het grootste deel van Australia waar ik tot nu toe was helemaal niks is maar ze menen dat dus echt. Niks. Beetje graven in de wederzijdse belevingswereld leert me dat dezelfde hoeveelheid kleine gehuchten en bezienswaardigheden maar met meer, heel veel meer, afstand ertussen ervaren wordt als he-le-maal niks. Er moet gezegd; dat van die afstand klopt. Dodelijk saai hetzelfde, uitgesmeerd over honderden kilometers gravel, asfalt en nauwelijks wisselende begroeiing. Denk de Terschellinger duinen alleen dan tussen West Terschelling en Hoek van Holland met her en der een doorsteek naar de kust waar je in een natuurgebied kunt kamperen. Je snapt; het terrein is ongeveer zo groot als half Terschelling en met alleen het strand voor de deur leg je lachend een kringetje om een van onze eilanden. Ik blijf me verbazen over begrippen als afstand, ruimte, groot/klein, vol en leeg maar zal er voor nu even over ophouden.

Naast ons, dwz op een afstand waar op een willekeurig Nederlands eiland de volgende camping begint staan een man en vrouw die hier zijn omdat ze een andere leefstijl wilden. Zij is begeleidster van verslaafden en depressieve medeburgers en hij is coach in bedrijfsleven waar mensen zich op persoonlijk vlak dienen te ontwikkelen. Beide doelgroepen laten zich online bedienen dus is ver weg of dichtbij geen punt van discussie. Hij wil zo snel mogelijk een netwerk opbouwen dat ook zonder hem kan en dan hier met zijn voeten in het zand blijven zitten. Zij laat zich nog niet uit over de toekomst.

Beiden wandelen regelmatig met de hond, Izzie, een speels mengsel van herder en ridgeback die soms de indruk geeft dat hij zich iets aantrekt van de gasten die hem eten geven. Voor de rest wil hij alleen maar rennen, zwemmen en blaffen. Mijn inschatting is dat zijn bazen, net als de halve camping hier dat juist kwijt willen. Weggerukt uit een van Australia’s grote steden willen ze ophouden met rennen, geen blaffende bazen meer horen en alleen maar zwemmen.

In een gebied met he-le-maal niks blijkt er dan van iets toch zoveel dat er voor iedereen genoeg is. Ik geniet er ook van mee.

Vitamine zee.

Dagen als deze

Achteraf denk je soms dat je het had kunnen weten, zien aankomen op zijn minst. Niets is minder waar. Het is gewoon wat het is geweest.

West Australia, waar we nu zijn, is recordhouder loze ruimte van alle staten hier. Veel ruimte en niets loos.

Vanuit een meer dan prachtig kampeerplekje in de buurt van Meekatharra start de dag fris met zon en koffie. Tot zover niks aan de hand.

Er is na een honderdtal kilometers rijden een zijweg met iets te zien die niet te vinden is.

Er is na nog een honderdtal kilometers een oude boerderij die wel te vinden is maar geen bezienswaardigheid blijkt te zijn.

Er is na het derde honderdtal kilometers een kampeerplek die zo weggerukt lijkt uit een b-film met een hoop oude roestige olievaten, autowrakken, dubbelloops jachtgeweren en een bloederige slotscène.

We rijden vijfhonderd kilometer over de Great Northern highway en echt beter wordt het niet. Wind tegen, de roadtrains zorgen ervoor dat je net niet van de weg aflazert en omdat er niets te zien valt qua landschap vallen de lijken van doodgereden koeien en kangoeroes ineens extra op.

Om mij heen een afgegraven Australia dat zijn schatten uit de bodem op grote schaal en in hoog tempo naar het buitenland exporteert. Deprimerend is het enige woord dat weliswaar tekort schiet maar in de buurt komt.

Het rijden is voor deze dag genoeg in een plaats die Newman heet. Bij binnenkomst een bordje met een eervolle vermelding voor schoonste stad in West Australia. Niets is wat het lijkt. De kampeerplek is een terrein waar men hier grootste bijeenkomsten en feesten organiseert. Volledig geasfalteerd met rondom enorme hekken en schijnwerpers. Als ik kort moet gaan; een rangeerterrein waar in de nacht kilometers lange treinen vol ijzererts, tientallen meters lange vrachtwagens vol ijzererts en alle mensen die met deze werkzaamheden hun geld verdienen mij behoorlijk uit de slaap houden.

Dat zie je dus niet aankomen. De een heeft een slechte dag omdat er niks te zien is. De ander heeft een slechte nacht omdat er veel te veel te horen is.

Er schiet mij een lied van Van Morrison te binnen; my mamma told me there’d be days like this.

Onderscheidend

Ik ben in een roadhouse, een soort van restaurant, camping en benzinestation ineen ,ergens in het zuiden van de Northern Territory in Australia. De plaatsaanduiding doet er niet heel veel toe want die roadhouses zijn overal ongeveer hetzelfde. Tenminste, op het eerste gezicht dan. Men gaat nogal ver in pogingen zichzelf te onderscheiden. Dat roadhouse waar ik net over begon is bijvoorbeeld roze. Zo heet het dan ook; pink roadhouse. Begonnen als grap van twee hippies die hun oude volvo roze schilderden maar inmiddels wereldberoemd op dit continent. De hele tent is roze met een enorme berg prullaria als reclamemateriaal. Je raad het, ook roze met als klap op de vuurpijl twee roze kano’s voor de deur om mee te varen tijdens overstromingen. Me dunkt, we zijn in een woestijn maar ook hier eerder een buitje meer dan minder.

Onderscheiden kun je je ook door de dames die jouw etablissement betreden een gratis drankje aan te bieden mits ze bh dan wel slipje afstaan om aan het plafond te hangen. Of door van alle soorten gras die er in de buurt groeien papier te maken, je kunstzinnige dochter ermee aan de haal te laten gaan en een tentoonstelling te openen met wereldwijde bekendheid omdat de modewereld interesse heeft. We hebben het hier over een station in het centrum van Australia waar meer koeien dan mensen rondlopen. Ter vergelijking nog even de afmetingen; een boerderij zo groot als Nederland met 4500 stuks vee die er rondlopen. Kan wel meer maar je wilt het land niet teveel belasten. Wij stoppen in Nederland bijna 18 miljoen mensen in die ruimte. Om van de opgehokte dieren maar te zwijgen.

Jezelf onderscheiden is eigenlijk niets anders dan een eigen geluid laten horen of een eigen gezicht laten zien. Ik doe er geen eed op want ik ben hier nog niet klaar maar de hoofdprijs voor zichzelf onderscheiden gaat voorlopig naar het plaatsje Coober Pedy. Opaal hoofdstad van de wereld qua vind gebied en met afstand de vreemdste plek waar ik ooit geweest ben: 1800 gelukszoekers wonen er in huizen onder de grond omdat het erboven veel te heet is en de omgeving is veranderd in een enorme gatenkaas met 1,5 miljoen putten die gegraven zijn in de hoop opaal te vinden. Opportunisme waar de zuidas van Amsterdam een puntje aan kan zuigen. Het ziet er hier volledig afgeleefd uit doordat al die putten niet dichtgegooid mogen worden wegens instortingsgevaar voor andere gravers met als resultaat een landschap getekend door molshopen in vele soorten en maten. Hier is iedereen de mol.

Logischerwijs bestaat de middenstand hier voor 80 procent uit opaal verkopers, 10 procent uit opaal inkopers en de resterende 9 procent wordt volgemaakt met de bakker, slager,supermarkt, drankwinkel en een paar restaurants. Het allerlaatste procentje gaat naar Harry. Harry is niet meer onder ons maar hij runde hier een kroeg die er nog wel is en waar iets apart mee is. Als je er als vrouw afstand deed van een stuk ondergoed dan kreeg je van Harry persoonlijk een gratis drankje en meer want het verhaal gaat dat hij populair was onder de vrouwelijke clientèle.

Ik vermoed dat Harry een keer in een roadhouse in het zuiden van the Northern Territory geweest is.

Netjes

Ik geloof dat het ergens in de buurt van een plaats was die Winton heet, in het midzuiden van Queensland, dat het erop begon te lijken dat we voorlopig niet meer alleen zouden zijn in de Outback. De reclameborden langs de stoffige gravelweg maakten duidelijk wie er hier meekeken.

14 billion flies can’t be wrong: Winton.

Vliegen dus. Je passeert zonder het te beseffen een onzichtbare grens in het landschap dat langzaam stoffig rood wordt alsof je een zonsondergang inrijdt. Geen idee wat de criteria zijn voor die 14 biljoen om er vanaf hier ineens te zijn maar dat het een supergoed vestigingsklimaat is lijkt me helder. Op sommige plekken komen ze in een keer, allemaal tegelijk, op mijn hoofd zitten en verdringen zich rond neus, ogen en mond. Elders zijn het meer sluipers die zich langzaam maar zeker over mijn aangezicht ontfermen.

De Aboriginals hier blijven gewoon een tijd stilstaan wanneer ze door zo’n horde vliegen besprongen worden. Ze noemen het de grote schoonmaak en zeggen dat de vliegen daarna vanzelf weer weggaan.

Ik heb niet die ervaring. Enerzijds niet omdat ik niet het geduld heb voor een grote schoonmaak en anderzijds omdat ik inmiddels een oplossing op mijn kop heb in de vorm van een vliegennetje. Grote cowboyhoed, netje erover( merk Wotflies?) en het irritante gekriebel op je gezicht is verdwenen. Er zijn de diehards die niet aan netjes doen maar die zien er dan toch de halve dag uit als bevangen door een soort spasme dat maaibewegingen van de armen veroorzaakt voor het gezicht langs.

De dracht van netjes kent vele variaties en bijverschijnselen weet ik inmiddels. Zo vergeet je soms dat je er een op hebt en probeert een handje chips door het netje heen naar binnen te proppen. Om van de chaotische schuimzooi die het netje van een slok bier maakt maar te zwijgen. Maar toch altijd beter dan met je armen maaien terwijl je vergeten bent dat je een glas bier ter hand had genomen.

Bekijken hoe mensen hier de netjes dragen blijft een absoluut favoriete bezigheid. Van direct op het hoofd tot waaiend en wapperend in de wind op grote zonnehoeden zonder enig effect. Beginners en gevorderden zijn gemakkelijk te onderscheiden. Gister stormde tijdens een wandeling iemand met stip de top tien van gekke netjesdracht binnen. U begrijpt; er bestaat inmiddels een klassement. Hij had het vliegennetje zo strak over zijn hoofd getrokken dat hij eruit zag als een stereotype bankrover met nylonkous. Zijn lippen zo vervormd dat hij ter plekke had door kunnen gaan voor blanke zoeloe en van een oogopslag kon geen sprake meer zijn, simpelweg omdat het net zich gesloten had en elke gelaatsuitdrukking en beweging voorkwam. Ik had een overval door hem wel geaccepteerd maar hij was daarna de pisang omdat ik me doodgelachen had.

De fantasie gaat op de loop hier maar we houden het netjes. Ik mep er nog een paar uit mijn gezicht. U hoort van mij.

Ertoe doen

Het is hier een omstreden onderwerp. Dat wil zeggen, je kunt overal over beginnen maar hier hebben ze het liever echt niet over. Terwijl het ze niet onderscheidt van andere westerse landen. Net als elke westerse, oosterse of wat voor grootmacht dan ook zijn we op zijn zachts uitgedrukt de vriendelijkste niet wanneer het gaat over minderheden. Ik bedoel de mensen die het land waar blanken zijn komen wonen gedurende duizenden jaren al bewoond hebben maar, bij aankomst van de blanken, verdreven en uitgemoord werden omdat ze simpelweg in de weg zaten en niet als mensen beschouwd werden en nog steeds niet worden.

Let wel, dit is geen beschuldigende vinger. De mijne is al net zo schuldig als de jouwe. We hebben allemaal eenzelfde verleden. Wel is er verschil in hoe ermee omgegaan wordt. Hier in het midden van Australia is er, rondom de heilige rots van de Aboriginals veel aandacht voor hun cultuur. Veel land is van hen en je hebt vergunningen nodig om erop te mogen komen of je komt er gewoon niet in.

Terwijl we er naartoe rijden begint de brandstofmeter ondervoedinsverschijnselen te vertonen en besluiten we te tanken bij een kleine nederzetting waar alleen aboriginals wonen. De weg er naartoe heeft meerdere snelheidsdrempels en in de nederzetting mag je tien kilometer per uur rijden. Er bekruipt mij een gevoel dat ik eerder had toen ik in 1985 the Bronx in fietste. In tegenstelling tot nu was dat toen een ghetto.

Er is een benzinepomp ingekapseld in een hoop metaal waar je door het ijzerwerk heen de creditcard in frummelt en tankt. Er is een politiebureau , een winkel en een cafe. Op grote borden staat vermeld dat drinken en rijden een dodelijke combinatie is. Over straat sjokken tenminste tien honden, tien kinderen en tien ouderen. De honden kijken of er iets te halen valt, de kinderen zwaaien, de ouderen houden dat voor gezien.

Op een bord bij de winkel staan de openingstijden vermeld. Van maandag tot zondag behalve wanneer er een begrafenis is. Dan vermeld men op een apart briefje of ze open zijn. Deze hele nederzetting komt op mij als ten dode opgeschreven over. Of de winkel dichtgaat heeft blijkbaar te maken met of je ertoe gedaan hebt. Dat lijkt me hier een hele kunst.

Foto: Ineke de Boer

Koud

Het ligt niet voor de hand, of beter, het is niet het eerste dat je bedenkt wanneer Aussieland ter sprake komt maar toch; ik heb het koud.

De twintig graden die ik hier voorgeschoteld krijg vallen in het niet bij de dertig van de afgelopen periode. Je went eraan, et voila, je hebt het koud bij een temperatuur waarbij in Nederland om rokjesdag geroepen wordt.

Ik ben in Boulia, zuidwest Queensland. De outback zoals dat heet. De weg hierheen bood een absolute overdosis niks. Niks aan luchten, wolken, rood, geel, grijs en bruin aan stofwolken achter de auto. Borden met waarschuwingen voor een veerooster, een onoverzichtelijke helling of een hek. Twee kangoeroes waarvan eentje probeerde tussen de voorwielen door te skipieen, drie emu’s en koeien die hier meer vierkante meters ter beschikking hebben dan wij met zijn allen in kikkerland. Niks dus.

In Boulia zelf is een museum. Er liggen resten van beesten die 95 miljoen jaar geleden de scepter zwaaiden over dit gebied. Er was een enorme binnenzee en nu nog gebruikt men hier de wateren onder de grond. Ik dacht dat het hier gortdroog was maar niets is wat het lijkt. Het museum wordt gerund door een mevrouw van 70 jaar die voor de gelegenheid uitleg geeft over een aantal foto’s aan de muur en ingerichte kamers. Het blijkt haar eigen familie te zijn die hier, net als zijzelf wortel geschoten hebben. Ze is zo vergroeid met het leven in deze streek dat het haar drie keer teveel wordt tijdens haar uitleg. Haar man, haar moeder en haar broers en zussen passeren niet zonder tranen de revue.

Ze vertelt over zandstormen waardoor ze elke dag hun bed moesten uitkloppen, schapen die met duizend tegelijk dood gingen, kostschoolbezoek vanaf haar achtste in Townsville wat de dichtstbijzijnde stad is op 1000km. Ligt gewoon ook in Queensland. Verder woonde ze haar hele leven op de boerderijen hier in de buurt. Ze kwam nooit ergens. Dertig kilometer gravelweg zorgde ervoor dat ze alleen eind december met zijn allen naar deze stad gingen om naar de kerstboom te kijken.

Als je luistert naar de mensen hier gebeurt er natuurlijk van alles. En al lijkt het niks, van sommige verhalen krijg ik het koud.

Het is zover

Zover weg van alles dat het lijkt of het er alleen exotisch is. Tropische stranden, rivieren vol krokodillen, woestijnen vol termieten heuvels groter dan mijzelf, rustplaatsen langs de highway met het grootste fruit uit de omgeving.

Dat alles ver weg is klopt wel. Behalve de realiteit van veel mensen die ik zie. We staan op een camping bij Mackay omdat er wat geklust moet worden. Het voertuig heeft wat kuren. Er gaat zo vaak een snerpend alarm af waar we ons kapot van schrikken dat we even langs een terzake kundige garage moeten. Het blijkt een foutief ingesteld hoogte alarm. Niks aan het handje.

Dat zou ik niet willen beweren over de mensen op de camping. Ik gok dat hier zeker twee derde van de bewoners geen huis meer heeft en in een caravan woont die achter een auto hangt waarvan ik me afvraag of er genoeg brandstof in zit. Het geheel ziet er zonder uitzondering armoedig uit. Ik las hier eerder artikelen over en kom het geschrevene in de praktijk tegen. En dan heb ik het alleen nog maar over het blanke deel van de bevolking.

De gemeenschappelijke keuken heeft een dak( fijn want het regent nogal eens) en een televisie. Gisteren niemand te zien maar vandaag duiken er twee fans op van de Bronco’s. Die spelen Footie of Australian football zo je wilt en zij vragen meer dan beleeft of ze mogen kijken. Natuurlijk mogen ze kijken, ik bedoel, go your goddelijke gang man. Ze verontschuldigen zich vele malen, zuipen de man tig bier op tijdens de wedstrijd en zijn blij want hun team wint.

Ik bedenk dat dit precies is wat ik hier exotisch aan vind. Het is iets wat ik niet meer gewend ben in het land waar ik vandaan kom. Ondanks alles; alle ruimte voor een ander.

Vis

Je kunt hier vissen maar dat lijkt toch een soort van absoluut niet de bedoeling. De kleur en soort in veelvoud beschouwend flipper ik over het grote, wacht, the great barrier reef. Vertalen kent zo zijn beperkingen.

Zelfs een kleurenblind persoon zou zich hier uit zijn kwallen werende pak wurmen onder het uitroepen van bewonderende kreten. De kleuren zie je niet alleen, je voelt ze, je ruikt ze. Alles onder water ademt kleur.

In Nederland, een paar dagen geleden nog maar, zag ik een reportage over het grote rif hier. Alles is dood, huilde een professor in de leer. Niet meer te redden. Vrijwilligers deden wat ze konden maar er restte slechts een wit in vijftig tinten van ontreddering.

Morsdood.

In die reportage dus.

Nu ligt dat rif uitgesmeten over 900 kilometer dus er zal vast wat afstand gezeten hebben tussen mij en die professor.

Maar toch, ik ben in Aussieland voor een jaar en er moet me iets van het hart over de berichtgeving in Nederland, nou ja, aangaande dit rif dan.

Ik drijf hier rond, heb de waarheid niet in pacht maar dit is wat ik bedacht heb na wat geklets zo her en der.

Het rif, als in HET rif , bestaat niet.

Het is zo groot dat er veel verschillende mededelingen over te doen zijn. Op sommige plekken huilen professoren terecht tranen en tuiten hun lippen, op andere plekken juichen bezoekers, beheerders en professoren om een bruisend en levendig koraalrif. O ja, en lokale ondernemers ook.

In Nederland kun je vissen naar de waarheid.

Wat je vangt is dan aan jou.

Foto: Justin Timmer

Vergeten groenten

Het grillige landschap weerspreekt de mathematica van geplaatste hekjes.
Wind gaat zijn eigen gang. De zon brandt bij tijd en wijlen gouden randjes aan de wolken als ze haar het schijnen beletten. Ondergaand beklimt ze de bomen en zet hun toppen in brand.
Ik zit aan de rand van een rivier. Ze stroomt, water duwt water in haar eeuwige perpetuum mobile als een, in breedte variërende, scheiding van landschappen. Het doet me denken aan autoritten die ik, de neus tegen het raam gedrukt, met mijn vader maakte. De lijnen die ik volgde in het voortrazende vergezicht meanderden op, neer, heen en weer. Slingerend, als het lange losse lint aan mijn vlieger, gegrepen door de wind.

Achter me zijn volkstuintjes, het budgettaire antwoord op de hedendaagse inkomensverschillen. Van mensen die vergeten groenten verbouwen. Of van mensen die zaaien maar hun groenten vergeten, aan de bruintinten in sommige perkjes te zien. Een vrouw van in de veertig met een fiets aan haar hand loopt mijn kant op. Ze komt uit de groentenafdeling in het landschap en haar fietstassen puilen uit van de opbrengst. Sla, snijbiet, schorseneer, het dienstmeidenverdriet, bietjes, meirapen. De bos peterselie in het mandje aan haar stuur ruikt sterk. Onder de snelbinders een grote bos sperziebonen, met struik en al gerooid.
‘De oogst valt niet tegen’, zeg ik, wijzend op haar karrenvracht gezondheid.
Ze glimlacht van achter haar grote zonnebril.
‘Klopt, je moet er wel wat voor doen, maar dan heb je ook wat. Ik sjouw me soms helemaal suf naar die tuintjes om ze thuis maar wat gezondheid te kunnen voeden hè.’

Ze neemt me mee naar mijn jeugd, waarvan ik dacht dat die tot het verleden behoorde. Dat blijkt alleen om mijn verleden te gaan want het is haar realiteit. De groenten uit mijn vaders moestuin kwamen in golven. Tsunami’s van sla, tomaten, witlof, bloemkool, snijbiet en boerenkool. We aten ze in periodes van drie weken achter elkaar en wat we niet opaten werd in wekpotten gestopt, vacuüm gekookt en met een datum erop in de kelder opgeslagen. Zo konden we in de winter, tussen de zure, rode en boerenkool door, ook een keer boontjes eten. Een luxe. Ik mocht met een spelt de pot ,die open plofte met een diepe zucht, ontgrendelen.

Ik proef de bittere nasmaak van tot snot gekookte witlof.
‘Is het niet veel werk?’
Ik weet niets anders te zeggen.
‘Dat valt reuze mee als je het slim aanpakt’.
‘Mijn vader had vroeger ook een moestuin, ik moest altijd een uur onkruid wieden als ik uit school kwam. Vooral de kruidentuin was een ramp, vergiste me altijd tussen kruid en onkruid.
Ze lacht.
‘Ik heb daar ook zo mijn mensen voor, net als jouw vader. Dat wieden vind ik maar een vermoeiende bezigheid.’
‘Dat heeft u goed bekeken, ik heb er een soort moestuinfobie aan overgehouden.’
De vrouw kijkt om zich heen, buigt zich over haar stuur naar mij toe en spreekt zacht.
‘Het is niet anders in deze tijd, soms moet je inventief zijn om de monden thuis te voeden. Dag!’
Ik knik en kijk haar na terwijl ze de volgeladen fiets over het paadje langs de rivier voortduwt. Haar contouren worden omarmd door het tegenlicht van de ondergaande zon.
Water duwt water.

Als ik terugloop langs de volkstuintjes is er een kleine samenscholing van mensen. Ze leunen op harken, schoffels en scheppen. De verontwaardiging is groot.
‘Wat moet je eraan doen, in je tuin blijven slapen? Ze nemen gewoon alles mee, hier kijk dan, de sperziebonen weg. Met struik en al!’
Ik loop er stilzwijgend langs en probeer de woorden van de vrouw terug te halen.
Voel me een beetje Robin Hood.

volkstuintje

Geheugensteun

 

Om ons heen de contouren van zijn geboortegrond. Achter de dijk wekken de verzonken huizen de indruk van boven water. Molenwieken slaan zich slagen door de lucht. Verlaten land, bestippeld met schapen. Dikke zwarte grond kopt omhoog tussen zaaigoed, flinterdunne belofte van groen. De wind waait een stilte naar mij toe. Een wilg, een weg, een bord, een richting. Een streep door mijn blikveld houdt zorgvuldig de wolken bij het gras vandaan, de zon schijnt ze aan flarden. Soms lappen er zich een stel en gooien een deken met een gouden randje over haar heen. Winschoten, Delfzijl, Spijk, Uitwierde.
Plekken op zijn lijstje.

‘Hier gaan we heen en ik wil ook aan de haven kijken en een nieuwe haring eten.’
Hij heeft me een briefje gegeven, dat zijn vrouw voor hem maakte, waarop een aantal plaatsen staan genoteerd. Plekken in het Groninger land.
‘Ik ben er op mijn derde jaar vandaan gegaan maar ze zijn hier allemaal nog hoor, mijn familie. Als klein kind kwam ik er nog wel, twee keer per jaar met mijn vader en moeder in de auto. Ik heb mijn leven lang in de stad gewoond, ik hoef niet terug, ik ben een stadsmens. Coevorden is echt iets anders dan dit. Dit was vroeger allemaal water.’

Hij heeft een petje mee om de kwetsbare, flinterdunne huid op zijn hoofd te beschermen tegen de zon. Een wandelstok hersteld het wankele evenwicht dat zijn benen tegenwoordig meestal ontberen. Hij onthoudt niet alles meer, zijn geheugen lijkt hem vooruit te zijn gegaan naar de trillende einder. We doen een roadtrip, opzoek naar bevestiging van zijn eigen vergankelijkheid. In de mist van zijn herinnering aan flarden komen soms heldere dingen naar boven. Hij is trots, trots op zijn vader en moeder. Zijn vader had geen opleiding en leerde van zijn moeder lezen. Begon een winkeltje en legde zo de fundamenten van een familiegeschiedenis.
‘Hier links!’
Zijn schelle stem schrikt me op, ik kan niet links en parkeer de auto.
‘Een stukje terug, daar woonde ze. We hoefden niet op de fiets, ik mocht de auto van mijn vader lenen, dat vonden de meisjes wel leuk. Het was een mooie grote bak. Mijn vriend was een mooie jongen, blonde krullen, echt een mooie jongen. Hij kon ieder meisje krijgen dat hij wilde. Later is hij met haar getrouwd’.

De weg vanuit zijn woonplaats lijkt bezaaid met bommen en granaten uit de oorlog.
‘Met een vriendje gingen we kijken. Er was een bom gevallen in het land van een boer en niet ontploft. Wij op de fiets erheen. Het ding was opengescheurd en we pikten er zoveel kruit uit als we konden meenemen. Dat staken we aan en het gaf een mooie steekvlam, heel fel licht. Een keer deden we dat ’s avonds op straat en kregen een schop onder onze kont van een SS’er. Kwajongensstreken.’

We eten een haring. Als die op is stelt hij schaterlachend vast dat we voorlopig even geen meisjes hoeven te kussen. Zijn wangen krijgen een licht rode kleur en zijn ogen glimmen.
‘We hebben ook eens een taart gebakken, dat was heel wat. Het zal 1941 geweest zijn, er was niks. Ik had vier vrienden en we hadden allemaal iets meegenomen. Daar hebben we een taart van gebakken. In de kajuit van het vrachtschip van mijn vriendje’s vader hebben we dat opgepeuzeld. Dat was wat, dat was heel wat. Het was een goede plek want het schip lag ergens apart voor de wal’.
Op mijn vraag of ze het zo stiekem konden doen is het antwoord glashelder.
‘Nee, we deden het niet stiekem, we hebben het gewoon niet verteld’.

Het geboortehuis van zijn moeder, in Spijk. We kunnen het niet echt meer vinden.
‘Mijn opa was turfschipper, mijn vader woonde als kind op dat schip. Mensen vroegen altijd waarom oma het schip moest trekken, ze vonden opa lui. Dat was niet zo, oma wilde dat het liefst. Ze liet haar gewicht in het leer, waarmee ze trok, voorover leunen en zette dan een stap om niet te vallen. Het kostte zo geen kracht, zo hield ze het vol. Ze wilde niet sturen, ze kon zonder de verantwoordelijkheid. Dit moet het huis zijn,’ zegt hij, het zoeken beu.

Drie keer vragen we de weg naar het gehucht Uitwierde, een in het landschap gesmeten terp met een paar huisjes en een kerk met grafstenen eromheen.
‘Hier links!’
Wederom heeft zijn geheugen hem niet in de steek gelaten. Het blijkt de begraafplaats van zijn voorouders. Trientje Toxopeus en Jan de Boer. Cornelis de Boer, oom Kees, ligt er ook net als andere familieleden.  Met een traditionele ronde om de kerk, waardoor de duivel uitgedreven werd, zijn ze hier begraven. Graven gedolven in 1939 en 1948, van mensen,geboren in 1866. Hij loopt drie keer heen en weer tussen de stenen voordat zijn geheugen terug is. Hij weet het weer en snuit zachtjes zijn neus. Een confrontatie met zijn eigen eindigheid.
‘Het is wat’, zegt hij, voorzichtig zijn stok tussen de zerken plaatsend.
‘Het is wat’.

Ergens, op de terugweg, komt zijn toekomst naderbij.
‘Het maakt mij niet uit hoe ik begraven wordt, ik vind het allemaal wel best. Je krijgt dit lichaam toch niet terug. Je krijgt een ander lichaam, als je dat tenminste gelooft. Er zijn mensen die dat geloven.’
Ik geloof het niet en zeg hem dat hoe je iemand begraaft me vooral belangrijk lijkt voor de nabestaanden. Het antwoord liegt er niet om.
‘Ze zoeken het maar uit. Je hebt het gezien op die stenen. Als ze sterven, en er een tekst op het graf moet, zijn ze allemaal ineens weer in de Heer. Hoe ze leefden, dat is een ander verhaal.’

geheugensteun