Thee

Ik ben een koffiedrinker. Het pure spul zonder de suiker. Dat is op afgelegen plekken in Marokko geen sinecure want hier doen ze aan thee. Als je aankomt; een welkoms thee. Niet zomaar thee maar na drie keer opschenken verschijnt er met blaadjes die je weg kauwt een mierzoet mengsel met een lichte mint nasmaak. Ben je de toevoeging van zoet voor of hebben ze vaker met toeristen te doen gehad dan is zonder ook toegestaan. Dat is dan weer zo bitter dat je er dorst van krijgt. Maar goed, nu er toch bent, nog een bakkie dan maar dat vanuit grote hoogte je glas inklatert. Ik heb nog niemand een druppel zien knoeien. De thee wordt er niet lekkerder van maar toch, knap.

Wanneer je ergens een poosje bent wordt het hoogtijd voor nog een kopje thee en als je niet veel later verder dreigt te trekken moet er eerst een afscheidsbakkie natuurlijk. 

‘Wij zijn als de Sahara’, zegt een Marrokaans theeschenker, ‘ met een hart zo groot, er is ruimte voor iedereen. Daarover bij mij inmiddels geen twijfel meer.

Langs de weg staan soms kleine autootjes met een heuse barrista koffiemachine in de achterbak. Die vindt je ook bij benzinestations en aangezien dat prima plekken zijn om even te poepen doen we daar nog weleens een bakkie. Nou zou je denken; gezeur over thee er is immers koffie? Dat ligt dan weer iets genuanceerder. Het overkomt me dat ik relaxed een bakkie drink dat zo sterk is dat je er menig overleden dierbare mee tot leven zou kunnen wekken. Het effect bij de levenden, bij mij althans, is van dusdanig laxerend gehalte dat ik, alhoewel in de directe omgeving van een ommuurd gat in de grond, grote haast moet maken.

Om kort te gaan; kies maar. Thee of koffie.

Nog een bakkie?

Mooi

Ik ben geneigd te denken dat alles in Australië mooier was. Ben geloof ik nog niet geland uit het land waar in mijn hoofd alles mooier is. Maar goed, inmiddels staat het vervoer in en vizier op Marokko. Een prachtig land waar ik eerder was maar nu met eigen rijdend huis. Er komen bestaat vooral uit veel rijden, dan op een boot springen, tukkie doen en je bent er. Afstand is iets overbrugbaars wanneer je tijd hebt. In de Spaanse enclave Melilla nog even een laatste bastion van westerse overheersing genomen en dan wacht achter de douane de vrijheid die langzaam overgaat in de Sahara, die ik dan weer geen vrijheid zou willen noemen. Maar dat is voor later. Eerst even dat bastion. Het is flink ommuurt en bewaakt omdat bij tijd en wijlen wanhopige Afrikanen die muur bestormen. Je kunt er laatdunkend over doen maar ik geef ze geen ongelijk; een godsvermogen betaald aan een illegale mensensmokkelaar en dan aan de verkeerde kant van dat verdomde hek staan. Marokko wordt er niet minder mooi van maar onze controle bij de douane verloop met een kleine anderhalf uur een stuk soepeler. Als ook de drugshond niet aanslaat op de vieze onderbroeken ligt de tocht via offroad paadjes door het gortdroog uitzicht te wachten op ons bezoek. Eten, diesel, water garanderen niks vlekkeloos maar gaat behoorlijk helpen weten we uit ervaring. Dat die in Australië was praat ik mezelf uit het hoofd alhoewel die drie vliegen op mijn grote teen me wel een soort deja vu bezorgen. Ik laat het los. Marokko; here we come.

Alleen maar zwemmen

Het najaar laat op zich wachten. Queensland zucht een beetje onder de nog ongewoon hete zonnestralen die mijn laatste twee weken hier verwarmen. Nou doe ik enorm mijn best om niet oververhit te geraken, hetgeen een hele kunst is maar hoe men hier verkoeling zoekt, al dan niet in de hete zomer, is dan toch het benoemen waard. Ik vind de uitdrukking ”I am going freezer shopping” de leukste. Het houdt in dat je door de snikhitte in je auto naar de supermarkt rijdt, de Woolworths, beter bekend als de Woolies of de Coles, alias de Coolies en daar aangekomen gedurende een uurtje de afdeling frozen foods bezoekt, alle deuren opentrekt en doet alsof je iets wilt pakken waarna je de toegang tot verkoeling tergend langzaam sluit. Dit proces herhaalt zich zolang er freezers zijn die je nog niet gehad hebt of de lokale politie erbij gehaald wordt. Het effect varieert van 0,6 tot 3,6 graden vermindering van de lichaamstemperatuur. Bij thuiskomst ben je inmiddels wel weer in de buurt van oververhitting zodat een volgend supermarkt bezoek nakend is.

Aan zee, waar we staan, is er een verkoelend windje en wanneer je ver genoeg het zilte water inloopt( alleen voor de lefgasten of echt oververhitten) is de temperatuur onder water een beetje minder dan erboven. Lopend naar de kapper, waar ik heen ga om van mijn Sinterklaas imago af te komen, bouwt zich echter alweer een lichaamstemperatuur op die er wezen mag waardoor ik zwetend als een otter bij de kapper binnenkom. De hippe jongeman die de zaak runt heeft een airco en een flapper aan het plafond zodat het droogproces onmiddellijk intreed bij binnenkomst. De afgesproken tijd is met een “ish” erbij gedaan: twelfe-ish, hetgeen betekend dat ik een half uurtje wacht voor ik aan de beurt ben. Dat soort halve uurtjes zijn nooit verloren tijd. Ik leer dat hij de badkamer laat verbouwen en dat zijn vriendin, de misses, niet één maar persé twee kroonluchter aan het plafond wilde. De zucht die hij hoorbaar mee verteld doet vermoeden dat die badkamer nog niet af is. De vrouw van de man die geknipt wordt mengt zich in het gesprek en de heren worden net op tijd teruggeworpen op aarde voordat de gesproken woorden in een ega bashing ontaarden.

Ik leun comfortabel achterover en laat me van de baard en ander gezichtshaar ontdoen. Terwijl een warme handdoek het geheel afsluit hoor ik eronder vandaan de kapper vragen aan de volgende wachtende of hij op het bord waar je je naam opzet voor de wachtrij wil schrijven dat de lijst voor vandaag vol is en hij geen ruimte meer heeft voor meer afspraken. Wel met een net handschift graag zodat iedereen het kan lezen. Na een welgemeend beautiful en you look 21 again mate glimlach ik naar de kapper. Met alle respect man, begin ik aan de zin waarvan ik de afloop nog niet precies weet, ik ben prima tevreden met het resultaat, mijn misses gaat er wat positiefs over zeggen denk ik maar 21? Zo goed ben je nou ook weer niet. De kapper glimlacht terug. Wanneer ik betaald heb en de warmte weer instap zie ik op het afsprakenbord onder de naam van de laatste klant in goed leesbaar handschrift staan: “Now, sod off, i wanna go swimming!”.

 

Eiland

Ik ben op een eiland beland. Tasmanië. Twee keer zo groot als Nederland met iets meer dan een half miljoen inwoners. In de winter. In de zomer zijn het er een stuk meer maar dan nog is de ruimte om je heen enorm. Het relativeert de gedachte dat iets heel groot moet zijn om er ruimte in te kunnen vinden. Je kunt ook happy zijn met de paar vierkante meter die je je huis noemt. Dat heeft dan weer te maken met het feit dat je er meestal alleen maar in slaapt. Maar goed, terug naar dat eiland.

Alhoewel je zou denken dat het antwoord op de vraag: ‘Wat is het grootste eiland ter wereld?’, simpelweg Australië is, het klopt niet want dat is een continent. Oplopend in grootte was ik op Rottnest island hetgeen mooi was, maatje Texel maar vooral een toeristische attractie. Op Kangaroo Island wat al wat meer de grootte van een provincie in Nederland benaderde en waar de naamdragers opvallend in de minderheid waren ten opzichte van de, ik zeg DE knuffel van hier, Koala’s. Nodeloos te vermelden dat het ook hier spectaculair prachtig was.

Dit eiland, Tassie noemen ze het hier staat op plek 26 van de grootste eilanden lijst wereldwijd. Truck op de veerboot en na 11uur varen zijn de 450 kilometers water die het tot eiland maken overbrugd. De bediening van bars op de verschillende dekken kreeg een soort Shining achtige trekjes. Bij die op dek 9 bestelde ik een pinot Grigio van de lijst met naam, jaartal en toenaam. evenzo een Shiraz. Op het achterdek van verdieping 10 scheen de ondergaande zon en werd gedronken en genoten. Daar bleek ook een bar, de zon scheen nog lekker, de wijn smaakte dito dus ging ik opzoek naar een herhaalrecept. Daar aangekomen stond dezelfde juffrouw van de negende verdieping te glimlachen. ‘You want a refill’, stelde ze grijnzend vast. ‘I’ll get you your Pinot and Shiraz. Ze benoemde naam en geboortejaar van de te nuttigen vloeistof alsof ze het opgeschreven had. Op de vraag of ze dat bij alle bestellingen had antwoordde ze ontkennend. Maar, voegde ze eraan toe, het is zinloos om mij jouw naam te vertellen. Die ben ik in drie seconden weer vergeten’.

Op eilanden, zo weet ik, gebeuren gekke dingen. Hier ook. Het verhaal van een massamoord in 1979 maakt onderdeel uit van een rondleiding in Hobart waar men de naam van de moordenaar niet noemt omdat ze hem die eer niet gunnen. Een boot, zeker zo’n grote als deze is eigenlijk ook een soort varend eiland op zee. Het is zes uur in de ochtend wanneer we aankomen. Ik heb behoefte aan sterke koffie en bestel een bakkie bij de uitgang. Ze kijkt me glimlachend aan. Ik ben blij dat ik van boord mag.

Uniek

In de outback kom je ze wel tegen. Mensen gevormd door de omstandigheden waar ze in leven. Soms is daar maar een paar jaar voor nodig, een andere keer een heel leven.

De vrouwen en mannen in het grote niks; ze houden van vergezichten die hun weerga niet kennen, van stiltes die in de bewoonde wereld onvoorstelbaar zijn en van korte, ultrakorte gesprekken. Gesprek is eigenlijk al teveel gezegd, het is meer een duiding of de verkregen reactie de goede kant op gaat. Toch is het geen gebiedend ja of nee; het laat ruimte voor bezinning en inkeer. Wanneer ik wat woorden wissel met iemand die in de outback leeft en bekruipt me het gevoel dat ik een gesprek opgang moet brengen of, onmogelijker nog, opgang moet houden. Sleurend en trekkend aan de weinige woorden die mijn kant opkomen ben ik tot het inzicht gekomen dat ze er simpelweg niet zijn. Hier is woordgebruik als schilderen; een streek schetst een compleet beeld. De uitdrukking ‘weet je wel’( you reckon) veronderstelt de aanwezigheid van kennis die slechts zij bezitten die hun leven hier door de wind hebben zien weg eroderen. Uitleggen is een woord dat niet bestaat.

Dat verandert naarmate je een vorm van civilisatie nadert. In en om dorpskernen wordt kletsen volksvreugd nummer één. Iedereen is altijd bereid tot het maken van een praatje, of het nou bij de kassa is met achter je tien wachtenden, of wanneer je met de deurkruk van de wc in je hand wanhopig probeert je keutel in te houden.

Grootste delinquent inzake kletspraat is met afstand de ietwat shabby uitziende gepensioneerde. Lastig te onderscheiden van de rest want zo zien ze er eigenlijk allemaal uit. Ze lijken zich doelloos voort te bewegen maar wanneer je goed oplet herken je de rondtrekkende patronen die jou van de rest isoleert. Er is dan geen weg meer terug, je hoeft geen gesprek opgang te brengen, het is er al voordat je een woord gewisseld heb. Je bent beslopen door een medemens die denkt dat hij alles over alles weet. Erger nog; hij heeft alle tijd van de wereld om het je allemaal haarfijn uit te leggen.

Gemalen bonen

Kantoor. Iedereen druppelt binnen in een vakantiesfeertje. Het merendeel der collega’s is al vertrokken met de kinderen richting de zon en er heerst een vrije lossere sfeer. Het lijkt of er ruimte is voor andere dingen dan de stand van zaken in de dagelijkse ratrace.

“Kom even zitten, wil je koffie?” Iedereen verlangt naar de koffie op maandagmorgen. Alsof een paar slokken ons doen inzien dat het ontdekken van cafeïne de grootste zegening voor de gejaagde mensheid is. Geurige gemalen bonen als duiding van levensstandaard en comfort.
De conciërge is ook op vakantie maar heeft een briefje achtergelaten.
‘Koffiemaken voor dummies’, heeft hij bovenaan geschreven. Volgens instructie zet ik de koffiemachine aan en vraag me af waarom die dingen geen apparaat meer heten. De lichtjes gaan branden, het vertrouwde geluidje van de spoeling weerklinkt.
‘Periodieke schoonmaak apparaat’, verschijnt er in een klein schermpje. Dus toch een apparaat. De handleiding voor dummies voorziet niet in de schoonmaak instructies dus ik ga, licht chagrijnig van deze rauwe onderbreking van het vakantiegevoel, opzoek naar de echte handleiding.

Het is maandagochtend. Ik slaap nog. Mijn verstandelijke vermogens nemen in rasse schreden af. Ik weet het niet. Wat ik ook bedenk als oorzaak van mijn onvermogen, ik snap niets van de koffiemachine. Ik lees de handleiding en begrijp niet waar de fabrikant het over heeft. De logische volgorde van water bijvullen, kalktabletten toevoegen, spoelen en knopjes indrukken ontgaat mij. Het ‘In een handomdraai’, gaat niet over mijn bemoeienis met dit apparaat. De collega’s worden ongeduldig en ik steeds chagrijniger. Het is ernstig. De vakantiesfeer verpest. De weekendverhalen worden al verteld met de regenbuien erin en mijn humeur is ontdaan van de zonsopgang die voor de koffie nog gloorde aan de horizon.
Een uur later doet ie het. Lekkere, heerlijke, geurige gemalen bonen koffie. Iedereen is het erover eens. Geen zonnige weekend belevenis op maandagmorgen zonder koffie. Goudbruin gebrande verhalen. Ik voel me een held en een sukkel tegelijk. De huldiging blijft uit.

Rond tienen komt de werkster binnen. Ze draagt een pruik vanwege haar chemo behandelingen en ziet er vermoeid uit. Ik denk na over een handleiding voor dummies en vraag haar hoe het gaat.
“Met mij wel goed, maar met mijn broer niet. Hij heeft vliegende kanker en neemt van de week een spuitje. Of volgende week, hij wil zijn kinderen nog zien”.
“Kom even zitten, wil je koffie?”

gemalen bonen