Klacht

Je denkt op onderzoek te gaan in een land waar de zon in de winter behaaglijk is en het landschap adembenemend. Dat laatste klopt maar verder heb je buiten de regen gerekend. Het regent vaak en vooral veel, zoveel dat wegen bevaarbaar worden en rivieren domme toeristen meesleuren die denken dat de natuur iets is dat je zelf maakt. Je overweegt je beklag te doen over het weer bij geen instantie in het bijzonder tot je erachter komt dat je rond rijdt op een plek waar het de afgelopen acht jaar niet, ik herhaal, de afgelopen acht jaar niet geregend heeft. De mensen die er proberen te overleven dansen nog net niet de hele dag in de hoeveelheid plens die uit de lucht valt maar zitten wel de hele dag met een enorme glimlach onder afdakjes. Ik spreek ze en zonder uitzondering verwelkomen ze het water. Hoopvol want er kan weer iets gaan groeien.

Verderop regent het al langer dan een week of twee en is alle grijs en bruin verandert in fris lichtgroen. Razendsnel alsof de gewassen bedacht hebben zich dubbel zo snel te ontwikkelen, nu het kan. Semi uitgedroogd heeft er een druppel water aangeklopt bij ieder zaadje en is alles ontaardt in een orgie van vijftig tinten groen.

Boven op een hoge berg staat een oud fort. Er omheen uitzicht met rivier en groen dat aan de loop van de Moezel doet denken. Ik ging daar vroeger met mijn vader en moeder heen op vakantie maar daarover ga ik nu niet klagen. Het fort heeft toevlucht geboden aan de koning van Marokko maar kan ook een militair fort geweest zijn, de gids heeft een rijke nogal ongelimiteerde fantasie. Slapen langs de buitenmuur kan, de gids regelt dat er tajine bezorgd wordt en wijst ons op de gevangenis binnen de muren van het fort. Een oneindig diep gegraven hol met hoog in het plafond een paar gaten waardoor je kunt zien of het dag of nacht is. De hoeveelste doet er niet toe want het complex wekt niet de indruk dat er meer dan alleen een ingang was.

Wanneer ik naar buiten loop begint het zachtjes te regenen. Wellicht dat ze de paar druppels die door de gaten boven hen vielen vroeger ook als zegening zagen.

Ik weet het nu echt zeker; ik mag niet klagen.

Thee

Ik ben een koffiedrinker. Het pure spul zonder de suiker. Dat is op afgelegen plekken in Marokko geen sinecure want hier doen ze aan thee. Als je aankomt; een welkoms thee. Niet zomaar thee maar na drie keer opschenken verschijnt er met blaadjes die je weg kauwt een mierzoet mengsel met een lichte mint nasmaak. Ben je de toevoeging van zoet voor of hebben ze vaker met toeristen te doen gehad dan is zonder ook toegestaan. Dat is dan weer zo bitter dat je er dorst van krijgt. Maar goed, nu er toch bent, nog een bakkie dan maar dat vanuit grote hoogte je glas inklatert. Ik heb nog niemand een druppel zien knoeien. De thee wordt er niet lekkerder van maar toch, knap.

Wanneer je ergens een poosje bent wordt het hoogtijd voor nog een kopje thee en als je niet veel later verder dreigt te trekken moet er eerst een afscheidsbakkie natuurlijk. 

‘Wij zijn als de Sahara’, zegt een Marrokaans theeschenker, ‘ met een hart zo groot, er is ruimte voor iedereen. Daarover bij mij inmiddels geen twijfel meer.

Langs de weg staan soms kleine autootjes met een heuse barrista koffiemachine in de achterbak. Die vindt je ook bij benzinestations en aangezien dat prima plekken zijn om even te poepen doen we daar nog weleens een bakkie. Nou zou je denken; gezeur over thee er is immers koffie? Dat ligt dan weer iets genuanceerder. Het overkomt me dat ik relaxed een bakkie drink dat zo sterk is dat je er menig overleden dierbare mee tot leven zou kunnen wekken. Het effect bij de levenden, bij mij althans, is van dusdanig laxerend gehalte dat ik, alhoewel in de directe omgeving van een ommuurd gat in de grond, grote haast moet maken.

Om kort te gaan; kies maar. Thee of koffie.

Nog een bakkie?

Geluid

Ik trof een man die nog nooit van Ry Cooder gehoord had. Daar zijn er natuurlijk heel veel van maar in mijn beperkt blikveld was het op zijn zachtst gezegd opmerkelijk. Hij deed me aan iemand uit een mooie film denken.

Voor het geval je nu denkt: die Cooder, wie is dat, geen nood, uitleg volgt. De man die ik trof was een Italiaan in dienst als barman bij een afgelegen camping in Boudenip, Marokko. Hij draaide allerlei jazz muziek en wilde wel een potje stoeien met nieuwe muziek die hij nog niet kende. Hield erg van vrouwenstemmen vertelde hij alhoewel hij wel een erg lange pauze inlaste tussen vrouw en stemmen waarbij hij wellustig naar de eigenaresse van de camping keek. Een jonge inderdaad mooie Marokkaanse wiens man tijdens Covid overleden was dus dat was tot overduidelijke ontzetting van de jazz liefhebber een no go for the time being.

Er werd een wijntje geschonken, verre vanzelfsprekend in Marokko, het vuur in de kachel ontstoken en de volumeknop van de stereo een tikkie naar rechts.

Barman en hulp gingen uit de plaat van RomheenmetlaZona waarmee het ego van ondergetekende ruim opgepoetst werd maar dat terzijde. 

Ry Cooder dus, Amerikaans gitarist die veel projectmatig werkt. Beroemd met de Buena Vista Social club waarbij hij een aantal stokoude Cubaanse muzikanten meeneemt op tournee die vervolgens niet meer van het podium te slaan zijn. Maar ook, en daar gaat het me nu even om; filmmuziek. Speciaal die in Wim Wenders ‘Paris, Texas’ waarin Harry Dean Stanton de eenzaamheid, verlatenheid en desolaatheid zelve speelt. 

De man die veel van jazz houdt doet me aan hem denken. Ooit vertrokken uit Italië om welke reden dan ook en hier zijn hart verpand aan een land en verloren aan een onbereikbare liefde. Een soort van zwevend in een luchtledig zelfbewustzijn waarvan iedere buitenstaander kan zien dat het goed ruikende edoch gebakken lucht betreft. Gezien zijn intense blik richting de mooie Marokkaanse houdt hij hoop. Hoop is goed, soms tragisch en mooi om te zien tegelijk. Hoop doet leven. 

Delen

Hij gaat plukkend aan het betreffende kledingstuk het lijstje af; mijn jas komt uit Spanje, mijn broek uit Frankrijk en mijn schoenen uit Duitsland. Mijn vrouw maak een tajine, ik doe een tour met de mensen en we zijn erg blij met alle spullen die jullie niet meer kunnen gebruiken. Zo hebben we allemaal wat. Iets niet gedeeld stelt niks voor.  

Tot zover even de levensles van Ibrahim, vader van Yousef, gemaal van Anyallha en rijk man in wijsheid. Het ontbreekt hem aan van alles, ik geef weg wat ik kan en sla mezelf voor mijn kop dat ik niet meer om weg te geven meegenomen heb maar toch, we delen en zijn beiden tevreden. Het is in ons land een kunst geworden die niet iedereen beheerst realiseer ik me. Hier zou, behalve overheid, leger en grote plantagehouders, niemand erover peinzen om een bord ‘verboden voor onbevoegden’ te planten. Ibrahim heeft zijn huis gebouwd samen met twee buren. En net als de twee buren hebben zij ook hun eigen huis gebouwd samen met buur en Ibrahim. In mijn land heet dat uitzonderlijk, hier is het niet alleen gewoon maar ook een manier om iets te creëren en het hoofd boven water te houden.

Het is een soort van bizar; hoe armer de mensen zijn die je tegenkomt, deste gastvrijer ze worden. Zoete thee, smaakloze geitenkaas met droog brood en het laatste stuk geit in een tajine. Eten stelt niks voor als je het niet deelt. We doen verwoede pogingen in ons kikkerland om gastvrij te zijn maar komen niet in de buurt van waar ze me hier op trakteren. Een les om een flink tijdje op te kauwen.

Normaal

Je kunt jezelf over de wereld katapulteren alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Gisteren bevond ik me nog in Australië, in Nederland erkent als de andere kant van de wereld en vandaag loop ik rond in een nog groter land op de aardkloot, Canada. Hoewel, gisteren….de zestien uur durende vlucht van Brisbane naar Vancouver heeft iets geks gedaan met de tijd. Vertrokken op 30 maart om 10.00u in de ochtend en aangekomen om 6.30u in de ochtend op…30 maart. Bij vertrek lek gestoken door zoemend ongedierte bij een graad of 30, bij aankomst is de soort nog ingevroren. Ik laat even een witregel om dit te laten bezinken.

Het is een soort Groundhog day 2.0 denk ik. Zestien uur doe je niks van enige importantie, je kijkt films tot je in slaap valt, je leest tot je in slaap valt, je slaapt tot je weer in slaap valt. Er gaat zestien uur luchtledig voorbij en je raakt de grond weer als de tijd waarop je vertrok nog aan moet breken. Ik heb er simpelweg geen woorden voor. Tijdzones. Wie googelt vindt ongetwijfeld wie dit bedacht heeft en waarom maar dat is nu even van geen belang.

We hebben een kans laten liggen. In plaats van tientallen workshops te volgen die je allemaal hetzelfde vertellen; ‘laat het los, je moet vooruit, je kunt de tijd niet terugdraaien’, hadden we ook kunnen besluiten om een vlucht als deze wereldwijd gratis te maken om de geïnteresseerden de kans te bieden om dat wat mis ging nog eens over te doen met als resultaat wellicht een betere versie. De gemiddelde vliegreis is tegenwoordig een stuk goedkoper dan een therapeut of een paar workshops met een hoog hip gehalte dus in de ziektekostenverzekering met die hap. In de geestelijke prak wanneer je bij de incheckbalie probeert te glimlachen tegen de stewardessen en monter en on speaking terms  met de wereld, je partner, je baas of wie je dan ook maar meeneemt op die vliegreis, bij aankomst. 

Het lijkt erop dat veel van de huidige leiders en leidsters in de wereld het exorbitante gedrag van een paar van hun collega’s normaal zijn gaan vinden. De economische belangen zijn zo groot dat de menselijkheid en zeker de medemenselijkheid voor het aanschuiven aan de vergadertafel het raam uit gekegeld zijn. Een hele grote pot ver pissen die door niemand gewonnen kan worden maar slecht verliezers kent. En dan heb ik het niet over de mensen aan die vergadertafel.

Je voelt ‘m aankomen; de alles omvattende vliegreis. Wat nou als we al die gekozen mensen waarvan men vindt dat ze ons kunnen vertegenwoordigen in een gevleugelde vergaderruimte stoppen en het ding, klotsend van de kerosine tegen de tijd in laten vliegen. Net zolang tot de wereldleiders(m/v), wanneer ze uitstappen, doorhebben dat ze een tweede kans hebben. Een tweede kans waarbij ze wel op tijd tegen debiele collega’s kunnen zeggen dat ze normaal moeten doen en gaan staan voor de principes die ze hebben en waarvoor wij ze gekozen hebben. Misschien moet er tijdens de vlucht wel een nooddeur open om een en ander recht te zetten. Geen idee of we dit met het planten van een hele zooi bomen weer recht kunnen breien. Ik zou er persoonlijk de opgelopen milieuschade wel voor overhebben.

 

Alleen maar zwemmen

Het najaar laat op zich wachten. Queensland zucht een beetje onder de nog ongewoon hete zonnestralen die mijn laatste twee weken hier verwarmen. Nou doe ik enorm mijn best om niet oververhit te geraken, hetgeen een hele kunst is maar hoe men hier verkoeling zoekt, al dan niet in de hete zomer, is dan toch het benoemen waard. Ik vind de uitdrukking ”I am going freezer shopping” de leukste. Het houdt in dat je door de snikhitte in je auto naar de supermarkt rijdt, de Woolworths, beter bekend als de Woolies of de Coles, alias de Coolies en daar aangekomen gedurende een uurtje de afdeling frozen foods bezoekt, alle deuren opentrekt en doet alsof je iets wilt pakken waarna je de toegang tot verkoeling tergend langzaam sluit. Dit proces herhaalt zich zolang er freezers zijn die je nog niet gehad hebt of de lokale politie erbij gehaald wordt. Het effect varieert van 0,6 tot 3,6 graden vermindering van de lichaamstemperatuur. Bij thuiskomst ben je inmiddels wel weer in de buurt van oververhitting zodat een volgend supermarkt bezoek nakend is.

Aan zee, waar we staan, is er een verkoelend windje en wanneer je ver genoeg het zilte water inloopt( alleen voor de lefgasten of echt oververhitten) is de temperatuur onder water een beetje minder dan erboven. Lopend naar de kapper, waar ik heen ga om van mijn Sinterklaas imago af te komen, bouwt zich echter alweer een lichaamstemperatuur op die er wezen mag waardoor ik zwetend als een otter bij de kapper binnenkom. De hippe jongeman die de zaak runt heeft een airco en een flapper aan het plafond zodat het droogproces onmiddellijk intreed bij binnenkomst. De afgesproken tijd is met een “ish” erbij gedaan: twelfe-ish, hetgeen betekend dat ik een half uurtje wacht voor ik aan de beurt ben. Dat soort halve uurtjes zijn nooit verloren tijd. Ik leer dat hij de badkamer laat verbouwen en dat zijn vriendin, de misses, niet één maar persé twee kroonluchter aan het plafond wilde. De zucht die hij hoorbaar mee verteld doet vermoeden dat die badkamer nog niet af is. De vrouw van de man die geknipt wordt mengt zich in het gesprek en de heren worden net op tijd teruggeworpen op aarde voordat de gesproken woorden in een ega bashing ontaarden.

Ik leun comfortabel achterover en laat me van de baard en ander gezichtshaar ontdoen. Terwijl een warme handdoek het geheel afsluit hoor ik eronder vandaan de kapper vragen aan de volgende wachtende of hij op het bord waar je je naam opzet voor de wachtrij wil schrijven dat de lijst voor vandaag vol is en hij geen ruimte meer heeft voor meer afspraken. Wel met een net handschift graag zodat iedereen het kan lezen. Na een welgemeend beautiful en you look 21 again mate glimlach ik naar de kapper. Met alle respect man, begin ik aan de zin waarvan ik de afloop nog niet precies weet, ik ben prima tevreden met het resultaat, mijn misses gaat er wat positiefs over zeggen denk ik maar 21? Zo goed ben je nou ook weer niet. De kapper glimlacht terug. Wanneer ik betaald heb en de warmte weer instap zie ik op het afsprakenbord onder de naam van de laatste klant in goed leesbaar handschrift staan: “Now, sod off, i wanna go swimming!”.

 

Sorry

Het is nooit te laat voor een excuus. Ik zag een plaatje voorbijkomen op internet van een oude volkswagen met een bumpersticker. ‘Ik kocht dit voordat ik wist dat Hitler gek was’.  Alleen leuk wanneer je de Musk variant kent die op de Tesla zit. Hier, in Tasmanië, zijn ze nooit laat met excuses. Meestal, althans in mijn ogen, veel te vroeg, overbodig of volledig overdreven. Het lijkt een soort van Engels erfgoed dat te pas en te onpas gepraktiseerd wordt om welke valse wind dan ook uit de zeilen te nemen. 

Neem de rij. Je staat te wachten bij de bakker tot je een broodje en koffie kunt bestellen en het is druk. Van achter de toonbank vliegen de verontschuldigingen je al om de oren nog voor je ook maar iets hebt proberen te bestellen. Ze zijn so sorry dat het druk is en dat je even moest wachten dat het bijna irritant is. In de hele zaak is er niemand te vinden die zich daar ook maar een greintje aan stoort maar de bestellingen worden opgenomen, verwerkt en uitgeserveerd op een bedje van pardon. Zelfs de minimale hapering van het betaalapparaat leidt tot een uitgebreide opsomming van excuus superlatieven.

De bakker is maar één van de voorbeelden.

De kapitein van de veerboot verontschuldigt zich voor de golven( i’m so sorry but there’s a bit of a swell out here) wat me doet bedenken dat hij aan een merkwaardig soort grootheidswaanzin lijdt omdat hij denkt de zeeën te kunnen beheersen. Maar hij herpakt zich wel door ons te wijzen op de positie van de kotszakjes en of we ze, mits vol afgeleverd, wel mee naar huis willen nemen want hij hoeft ze niet.

Humor is dan weer iets waar ik hier nog nooit een excuus voor heb gehoord.

Ik schuif op de kappersstoel en kijk mezelf weer eens aan na een aantal maanden outback. De weerspiegeling van de kapster vraagt beleefd wat de bedoeling is en ik leg uit dat de baard er helemaal af mag zodat ik niet meer aangezien wordt voor de kerstman. ‘To be honest’, glimlacht ze,’I thought you where him when you entered this shop’.

Zonder na te denken zeg ik sorry voor het veroorzaken van dit misverstand waarop ze me niet begrijpend aankijkt.

Ik ben besmet, waarvoor mijn oprechte excuses.

Blikken

‘Deze smaakt goed, iets te zoutig maar oké.’

Hij draait zich op zijn rug, fatsoeneert zijn lange snorharen en krabt zichzelf over de strakgespannen huid van zijn bolle buik. Zijn favoriete eten, hij kan er geen genoeg van krijgen, drijft er met veel plezier in rond. De zon schijnt, hij voelt wel wat voor een dutje dus wacht hij de juiste deining af en vanuit de top van een hoge golf hupt hij ogenschijnlijk moeiteloos op een uitstekend stuk rots de zon in. Het  water sluit zich achter hem tot de azuurblauwe deken die de zee hier is.

‘Kijk!, een zeeleeuw. Zelfs de gids kijkt ervan op. Ze vindt het net circusartiesten, vragen alle aandacht alleen dan onbetaald. Ik zit in een kayak en peddel door het azuurblauw dat Tasmanië omringd. Ik vrees dat ik er niet de juiste woorden voor kan vinden maar goed. Beter een half woord dat niet genoeg is. Sinds Abel T. zijn heel wat medelanders mij voorgegaan en ook blijven hangen hier. Dat snap ik wel, wie, indien geestelijk gezond, gaat hier weer weg? Om elke bocht alweer een paradijs dat je betoverd met alle kleuren, geuren en geluiden die je kent van de allereerste bounty reclame. Ik droomde erbij weg en belandde weer op aarde door het gegiechel van mijn zussen die zaten te wachten tot Ad Visser en Penny de Jager hun zaterdagavond inkleurden.

Nu dobber ik hier. Onder me scheuren de zeeleeuwen en -honden het kelp uit de saladebar of dobberen volgevreten en tevreden naast me. Ik bekijk de hoge rotsen, scherp aftekenend tegen de wolkenloze lucht en zonlicht. Het woord blauw komt hiervoor kleur tekort. Afgesleten door wind en water steken de stenen pilaren elkaar als verticaal geordende legoblokken  naar de kroon. Dit stuk van de kust heeft een versleten jas aan van 30 duizend jaar en gaat nog wel een paar wasbeurten mee.

Er staat geen maat op ben ik bang. Dit eiland is de circustent waarin alle artiesten om aandacht schreeuwen en nog terecht ook. 

Er is een artiest die ik die aandacht graag ontzeg maar helaas behoort dat na 4,5 uur in de kayak niet meer tot de mogelijkheden.

Een blikken reet is als uitdrukking niet meer toereikend. Ik kom blikken tekort.

Boom

Het koude regenwoud om mij heen ziet eruit als een de paddestoel van een atoom ontploffing in slow motion. In een freeze frame van tijd golven de bomen naar het licht. 

In het noord westen van Tasmania doen ze daar niet aan; tijd. Het is licht of het is donker, nat of droog. Alles verandert altijd en verder niet moeilijk doen. Pragmatisch is geloof ik het woord dat hierbij hoort.

Zie daar Ludo. Tot zijn zeventiende opgegroeid in Nederland maar dat bleek toen toch echt te klein en verhuisd naar Tassie. Dertien ambachten, veel meer ongelukken brachten hem hier. Hier is Sheffield maar in Tasmanië dus. Hij trok door Australië met zijn vrouw en maakte zelf leren riemen die ze verkochten. Nou ja, zijn vrouw toonde interesse in een riem die Ludo zojuist aan de winkelier had laten zien en die vroeg dan snel aan hem wat het moest kosten. Klinkend resultaat van pragmatische; vrouw kocht hun eigen riem maar Ludo verkocht een dozijn riemen aan de nietsvermoedende zelfstandige ondernemer. Als Bonny&Clyde verlieten ze de plek des vertiers.

Ik zit naast hem voor een koffietentje en hij is van wal gestoken voor ik het door heb. Ik ben namelijk nogal afgeleid door zijn hond. Tenminste, ik dacht aanvankelijk dat het een hele grote geschoren poedel was maar dat lag anders. Ludo heeft een Alpaca afgericht en zit ermee op het terras zoals ieder ander met zijn of haar hond zou doen. Voorbijgangers gaan ermee op de foto, aaien mag maar alleen de voorkant en wie je ook bent, je komt er niet vanaf zonder scherp, nederlands getint commentaar. De student uit China krijgt de vraag of haar ouders heel veel geld hebben zodat ze hier kan studeren en de Indiërs die met Pedro de poser op de foto gaan moeten het doen met ‘How’s that for a holy cow folks’.

Ludo is inmiddels 84 jaar jong en heeft het prima naar zijn zin hier. Een mevrouw die voorbij loopt blijkt zijn dochter en de volgende zijn eigen vrouw en hij stelt ze in het voorbijgaan netjes aan ons voor. Je snapt; Ludo is een icoon in Sheffield en misschien wel in heel Tasmanië. Naast de vele prachtige muurschilderingen die er hier zijn is ook hij met Pedro vereeuwigd op de muur tegenover zijn terras.

Men gunt het hem hier. 

Ik zou willen dat ik kon afsluiten met het begin.  Het is licht of het is donker, nat of droog. Alles verandert altijd en verder niet moeilijk doen maar de gereformeerden geëmigreerden gooien roet in het eten: Ludo blijkt vroeger op het terras aan de overkant gezeten te hebben maar de buren maakten bezwaar tegen het beest dat voor overlast zorgde.

Hij doet er niet moeilijk over.

Zo, zegt hij, ben toch altijd nog een beetje in Nederland.

Eiland

Ik ben op een eiland beland. Tasmanië. Twee keer zo groot als Nederland met iets meer dan een half miljoen inwoners. In de winter. In de zomer zijn het er een stuk meer maar dan nog is de ruimte om je heen enorm. Het relativeert de gedachte dat iets heel groot moet zijn om er ruimte in te kunnen vinden. Je kunt ook happy zijn met de paar vierkante meter die je je huis noemt. Dat heeft dan weer te maken met het feit dat je er meestal alleen maar in slaapt. Maar goed, terug naar dat eiland.

Alhoewel je zou denken dat het antwoord op de vraag: ‘Wat is het grootste eiland ter wereld?’, simpelweg Australië is, het klopt niet want dat is een continent. Oplopend in grootte was ik op Rottnest island hetgeen mooi was, maatje Texel maar vooral een toeristische attractie. Op Kangaroo Island wat al wat meer de grootte van een provincie in Nederland benaderde en waar de naamdragers opvallend in de minderheid waren ten opzichte van de, ik zeg DE knuffel van hier, Koala’s. Nodeloos te vermelden dat het ook hier spectaculair prachtig was.

Dit eiland, Tassie noemen ze het hier staat op plek 26 van de grootste eilanden lijst wereldwijd. Truck op de veerboot en na 11uur varen zijn de 450 kilometers water die het tot eiland maken overbrugd. De bediening van bars op de verschillende dekken kreeg een soort Shining achtige trekjes. Bij die op dek 9 bestelde ik een pinot Grigio van de lijst met naam, jaartal en toenaam. evenzo een Shiraz. Op het achterdek van verdieping 10 scheen de ondergaande zon en werd gedronken en genoten. Daar bleek ook een bar, de zon scheen nog lekker, de wijn smaakte dito dus ging ik opzoek naar een herhaalrecept. Daar aangekomen stond dezelfde juffrouw van de negende verdieping te glimlachen. ‘You want a refill’, stelde ze grijnzend vast. ‘I’ll get you your Pinot and Shiraz. Ze benoemde naam en geboortejaar van de te nuttigen vloeistof alsof ze het opgeschreven had. Op de vraag of ze dat bij alle bestellingen had antwoordde ze ontkennend. Maar, voegde ze eraan toe, het is zinloos om mij jouw naam te vertellen. Die ben ik in drie seconden weer vergeten’.

Op eilanden, zo weet ik, gebeuren gekke dingen. Hier ook. Het verhaal van een massamoord in 1979 maakt onderdeel uit van een rondleiding in Hobart waar men de naam van de moordenaar niet noemt omdat ze hem die eer niet gunnen. Een boot, zeker zo’n grote als deze is eigenlijk ook een soort varend eiland op zee. Het is zes uur in de ochtend wanneer we aankomen. Ik heb behoefte aan sterke koffie en bestel een bakkie bij de uitgang. Ze kijkt me glimlachend aan. Ik ben blij dat ik van boord mag.