Klacht

Je denkt op onderzoek te gaan in een land waar de zon in de winter behaaglijk is en het landschap adembenemend. Dat laatste klopt maar verder heb je buiten de regen gerekend. Het regent vaak en vooral veel, zoveel dat wegen bevaarbaar worden en rivieren domme toeristen meesleuren die denken dat de natuur iets is dat je zelf maakt. Je overweegt je beklag te doen over het weer bij geen instantie in het bijzonder tot je erachter komt dat je rond rijdt op een plek waar het de afgelopen acht jaar niet, ik herhaal, de afgelopen acht jaar niet geregend heeft. De mensen die er proberen te overleven dansen nog net niet de hele dag in de hoeveelheid plens die uit de lucht valt maar zitten wel de hele dag met een enorme glimlach onder afdakjes. Ik spreek ze en zonder uitzondering verwelkomen ze het water. Hoopvol want er kan weer iets gaan groeien.

Verderop regent het al langer dan een week of twee en is alle grijs en bruin verandert in fris lichtgroen. Razendsnel alsof de gewassen bedacht hebben zich dubbel zo snel te ontwikkelen, nu het kan. Semi uitgedroogd heeft er een druppel water aangeklopt bij ieder zaadje en is alles ontaardt in een orgie van vijftig tinten groen.

Boven op een hoge berg staat een oud fort. Er omheen uitzicht met rivier en groen dat aan de loop van de Moezel doet denken. Ik ging daar vroeger met mijn vader en moeder heen op vakantie maar daarover ga ik nu niet klagen. Het fort heeft toevlucht geboden aan de koning van Marokko maar kan ook een militair fort geweest zijn, de gids heeft een rijke nogal ongelimiteerde fantasie. Slapen langs de buitenmuur kan, de gids regelt dat er tajine bezorgd wordt en wijst ons op de gevangenis binnen de muren van het fort. Een oneindig diep gegraven hol met hoog in het plafond een paar gaten waardoor je kunt zien of het dag of nacht is. De hoeveelste doet er niet toe want het complex wekt niet de indruk dat er meer dan alleen een ingang was.

Wanneer ik naar buiten loop begint het zachtjes te regenen. Wellicht dat ze de paar druppels die door de gaten boven hen vielen vroeger ook als zegening zagen.

Ik weet het nu echt zeker; ik mag niet klagen.

Normaal

Je kunt jezelf over de wereld katapulteren alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Gisteren bevond ik me nog in Australië, in Nederland erkent als de andere kant van de wereld en vandaag loop ik rond in een nog groter land op de aardkloot, Canada. Hoewel, gisteren….de zestien uur durende vlucht van Brisbane naar Vancouver heeft iets geks gedaan met de tijd. Vertrokken op 30 maart om 10.00u in de ochtend en aangekomen om 6.30u in de ochtend op…30 maart. Bij vertrek lek gestoken door zoemend ongedierte bij een graad of 30, bij aankomst is de soort nog ingevroren. Ik laat even een witregel om dit te laten bezinken.

Het is een soort Groundhog day 2.0 denk ik. Zestien uur doe je niks van enige importantie, je kijkt films tot je in slaap valt, je leest tot je in slaap valt, je slaapt tot je weer in slaap valt. Er gaat zestien uur luchtledig voorbij en je raakt de grond weer als de tijd waarop je vertrok nog aan moet breken. Ik heb er simpelweg geen woorden voor. Tijdzones. Wie googelt vindt ongetwijfeld wie dit bedacht heeft en waarom maar dat is nu even van geen belang.

We hebben een kans laten liggen. In plaats van tientallen workshops te volgen die je allemaal hetzelfde vertellen; ‘laat het los, je moet vooruit, je kunt de tijd niet terugdraaien’, hadden we ook kunnen besluiten om een vlucht als deze wereldwijd gratis te maken om de geïnteresseerden de kans te bieden om dat wat mis ging nog eens over te doen met als resultaat wellicht een betere versie. De gemiddelde vliegreis is tegenwoordig een stuk goedkoper dan een therapeut of een paar workshops met een hoog hip gehalte dus in de ziektekostenverzekering met die hap. In de geestelijke prak wanneer je bij de incheckbalie probeert te glimlachen tegen de stewardessen en monter en on speaking terms  met de wereld, je partner, je baas of wie je dan ook maar meeneemt op die vliegreis, bij aankomst. 

Het lijkt erop dat veel van de huidige leiders en leidsters in de wereld het exorbitante gedrag van een paar van hun collega’s normaal zijn gaan vinden. De economische belangen zijn zo groot dat de menselijkheid en zeker de medemenselijkheid voor het aanschuiven aan de vergadertafel het raam uit gekegeld zijn. Een hele grote pot ver pissen die door niemand gewonnen kan worden maar slecht verliezers kent. En dan heb ik het niet over de mensen aan die vergadertafel.

Je voelt ‘m aankomen; de alles omvattende vliegreis. Wat nou als we al die gekozen mensen waarvan men vindt dat ze ons kunnen vertegenwoordigen in een gevleugelde vergaderruimte stoppen en het ding, klotsend van de kerosine tegen de tijd in laten vliegen. Net zolang tot de wereldleiders(m/v), wanneer ze uitstappen, doorhebben dat ze een tweede kans hebben. Een tweede kans waarbij ze wel op tijd tegen debiele collega’s kunnen zeggen dat ze normaal moeten doen en gaan staan voor de principes die ze hebben en waarvoor wij ze gekozen hebben. Misschien moet er tijdens de vlucht wel een nooddeur open om een en ander recht te zetten. Geen idee of we dit met het planten van een hele zooi bomen weer recht kunnen breien. Ik zou er persoonlijk de opgelopen milieuschade wel voor overhebben.

 

Sorry

Het is nooit te laat voor een excuus. Ik zag een plaatje voorbijkomen op internet van een oude volkswagen met een bumpersticker. ‘Ik kocht dit voordat ik wist dat Hitler gek was’.  Alleen leuk wanneer je de Musk variant kent die op de Tesla zit. Hier, in Tasmanië, zijn ze nooit laat met excuses. Meestal, althans in mijn ogen, veel te vroeg, overbodig of volledig overdreven. Het lijkt een soort van Engels erfgoed dat te pas en te onpas gepraktiseerd wordt om welke valse wind dan ook uit de zeilen te nemen. 

Neem de rij. Je staat te wachten bij de bakker tot je een broodje en koffie kunt bestellen en het is druk. Van achter de toonbank vliegen de verontschuldigingen je al om de oren nog voor je ook maar iets hebt proberen te bestellen. Ze zijn so sorry dat het druk is en dat je even moest wachten dat het bijna irritant is. In de hele zaak is er niemand te vinden die zich daar ook maar een greintje aan stoort maar de bestellingen worden opgenomen, verwerkt en uitgeserveerd op een bedje van pardon. Zelfs de minimale hapering van het betaalapparaat leidt tot een uitgebreide opsomming van excuus superlatieven.

De bakker is maar één van de voorbeelden.

De kapitein van de veerboot verontschuldigt zich voor de golven( i’m so sorry but there’s a bit of a swell out here) wat me doet bedenken dat hij aan een merkwaardig soort grootheidswaanzin lijdt omdat hij denkt de zeeën te kunnen beheersen. Maar hij herpakt zich wel door ons te wijzen op de positie van de kotszakjes en of we ze, mits vol afgeleverd, wel mee naar huis willen nemen want hij hoeft ze niet.

Humor is dan weer iets waar ik hier nog nooit een excuus voor heb gehoord.

Ik schuif op de kappersstoel en kijk mezelf weer eens aan na een aantal maanden outback. De weerspiegeling van de kapster vraagt beleefd wat de bedoeling is en ik leg uit dat de baard er helemaal af mag zodat ik niet meer aangezien wordt voor de kerstman. ‘To be honest’, glimlacht ze,’I thought you where him when you entered this shop’.

Zonder na te denken zeg ik sorry voor het veroorzaken van dit misverstand waarop ze me niet begrijpend aankijkt.

Ik ben besmet, waarvoor mijn oprechte excuses.

Blikken

‘Deze smaakt goed, iets te zoutig maar oké.’

Hij draait zich op zijn rug, fatsoeneert zijn lange snorharen en krabt zichzelf over de strakgespannen huid van zijn bolle buik. Zijn favoriete eten, hij kan er geen genoeg van krijgen, drijft er met veel plezier in rond. De zon schijnt, hij voelt wel wat voor een dutje dus wacht hij de juiste deining af en vanuit de top van een hoge golf hupt hij ogenschijnlijk moeiteloos op een uitstekend stuk rots de zon in. Het  water sluit zich achter hem tot de azuurblauwe deken die de zee hier is.

‘Kijk!, een zeeleeuw. Zelfs de gids kijkt ervan op. Ze vindt het net circusartiesten, vragen alle aandacht alleen dan onbetaald. Ik zit in een kayak en peddel door het azuurblauw dat Tasmanië omringd. Ik vrees dat ik er niet de juiste woorden voor kan vinden maar goed. Beter een half woord dat niet genoeg is. Sinds Abel T. zijn heel wat medelanders mij voorgegaan en ook blijven hangen hier. Dat snap ik wel, wie, indien geestelijk gezond, gaat hier weer weg? Om elke bocht alweer een paradijs dat je betoverd met alle kleuren, geuren en geluiden die je kent van de allereerste bounty reclame. Ik droomde erbij weg en belandde weer op aarde door het gegiechel van mijn zussen die zaten te wachten tot Ad Visser en Penny de Jager hun zaterdagavond inkleurden.

Nu dobber ik hier. Onder me scheuren de zeeleeuwen en -honden het kelp uit de saladebar of dobberen volgevreten en tevreden naast me. Ik bekijk de hoge rotsen, scherp aftekenend tegen de wolkenloze lucht en zonlicht. Het woord blauw komt hiervoor kleur tekort. Afgesleten door wind en water steken de stenen pilaren elkaar als verticaal geordende legoblokken  naar de kroon. Dit stuk van de kust heeft een versleten jas aan van 30 duizend jaar en gaat nog wel een paar wasbeurten mee.

Er staat geen maat op ben ik bang. Dit eiland is de circustent waarin alle artiesten om aandacht schreeuwen en nog terecht ook. 

Er is een artiest die ik die aandacht graag ontzeg maar helaas behoort dat na 4,5 uur in de kayak niet meer tot de mogelijkheden.

Een blikken reet is als uitdrukking niet meer toereikend. Ik kom blikken tekort.

Boom

Het koude regenwoud om mij heen ziet eruit als een de paddestoel van een atoom ontploffing in slow motion. In een freeze frame van tijd golven de bomen naar het licht. 

In het noord westen van Tasmania doen ze daar niet aan; tijd. Het is licht of het is donker, nat of droog. Alles verandert altijd en verder niet moeilijk doen. Pragmatisch is geloof ik het woord dat hierbij hoort.

Zie daar Ludo. Tot zijn zeventiende opgegroeid in Nederland maar dat bleek toen toch echt te klein en verhuisd naar Tassie. Dertien ambachten, veel meer ongelukken brachten hem hier. Hier is Sheffield maar in Tasmanië dus. Hij trok door Australië met zijn vrouw en maakte zelf leren riemen die ze verkochten. Nou ja, zijn vrouw toonde interesse in een riem die Ludo zojuist aan de winkelier had laten zien en die vroeg dan snel aan hem wat het moest kosten. Klinkend resultaat van pragmatische; vrouw kocht hun eigen riem maar Ludo verkocht een dozijn riemen aan de nietsvermoedende zelfstandige ondernemer. Als Bonny&Clyde verlieten ze de plek des vertiers.

Ik zit naast hem voor een koffietentje en hij is van wal gestoken voor ik het door heb. Ik ben namelijk nogal afgeleid door zijn hond. Tenminste, ik dacht aanvankelijk dat het een hele grote geschoren poedel was maar dat lag anders. Ludo heeft een Alpaca afgericht en zit ermee op het terras zoals ieder ander met zijn of haar hond zou doen. Voorbijgangers gaan ermee op de foto, aaien mag maar alleen de voorkant en wie je ook bent, je komt er niet vanaf zonder scherp, nederlands getint commentaar. De student uit China krijgt de vraag of haar ouders heel veel geld hebben zodat ze hier kan studeren en de Indiërs die met Pedro de poser op de foto gaan moeten het doen met ‘How’s that for a holy cow folks’.

Ludo is inmiddels 84 jaar jong en heeft het prima naar zijn zin hier. Een mevrouw die voorbij loopt blijkt zijn dochter en de volgende zijn eigen vrouw en hij stelt ze in het voorbijgaan netjes aan ons voor. Je snapt; Ludo is een icoon in Sheffield en misschien wel in heel Tasmanië. Naast de vele prachtige muurschilderingen die er hier zijn is ook hij met Pedro vereeuwigd op de muur tegenover zijn terras.

Men gunt het hem hier. 

Ik zou willen dat ik kon afsluiten met het begin.  Het is licht of het is donker, nat of droog. Alles verandert altijd en verder niet moeilijk doen maar de gereformeerden geëmigreerden gooien roet in het eten: Ludo blijkt vroeger op het terras aan de overkant gezeten te hebben maar de buren maakten bezwaar tegen het beest dat voor overlast zorgde.

Hij doet er niet moeilijk over.

Zo, zegt hij, ben toch altijd nog een beetje in Nederland.

Eiland

Ik ben op een eiland beland. Tasmanië. Twee keer zo groot als Nederland met iets meer dan een half miljoen inwoners. In de winter. In de zomer zijn het er een stuk meer maar dan nog is de ruimte om je heen enorm. Het relativeert de gedachte dat iets heel groot moet zijn om er ruimte in te kunnen vinden. Je kunt ook happy zijn met de paar vierkante meter die je je huis noemt. Dat heeft dan weer te maken met het feit dat je er meestal alleen maar in slaapt. Maar goed, terug naar dat eiland.

Alhoewel je zou denken dat het antwoord op de vraag: ‘Wat is het grootste eiland ter wereld?’, simpelweg Australië is, het klopt niet want dat is een continent. Oplopend in grootte was ik op Rottnest island hetgeen mooi was, maatje Texel maar vooral een toeristische attractie. Op Kangaroo Island wat al wat meer de grootte van een provincie in Nederland benaderde en waar de naamdragers opvallend in de minderheid waren ten opzichte van de, ik zeg DE knuffel van hier, Koala’s. Nodeloos te vermelden dat het ook hier spectaculair prachtig was.

Dit eiland, Tassie noemen ze het hier staat op plek 26 van de grootste eilanden lijst wereldwijd. Truck op de veerboot en na 11uur varen zijn de 450 kilometers water die het tot eiland maken overbrugd. De bediening van bars op de verschillende dekken kreeg een soort Shining achtige trekjes. Bij die op dek 9 bestelde ik een pinot Grigio van de lijst met naam, jaartal en toenaam. evenzo een Shiraz. Op het achterdek van verdieping 10 scheen de ondergaande zon en werd gedronken en genoten. Daar bleek ook een bar, de zon scheen nog lekker, de wijn smaakte dito dus ging ik opzoek naar een herhaalrecept. Daar aangekomen stond dezelfde juffrouw van de negende verdieping te glimlachen. ‘You want a refill’, stelde ze grijnzend vast. ‘I’ll get you your Pinot and Shiraz. Ze benoemde naam en geboortejaar van de te nuttigen vloeistof alsof ze het opgeschreven had. Op de vraag of ze dat bij alle bestellingen had antwoordde ze ontkennend. Maar, voegde ze eraan toe, het is zinloos om mij jouw naam te vertellen. Die ben ik in drie seconden weer vergeten’.

Op eilanden, zo weet ik, gebeuren gekke dingen. Hier ook. Het verhaal van een massamoord in 1979 maakt onderdeel uit van een rondleiding in Hobart waar men de naam van de moordenaar niet noemt omdat ze hem die eer niet gunnen. Een boot, zeker zo’n grote als deze is eigenlijk ook een soort varend eiland op zee. Het is zes uur in de ochtend wanneer we aankomen. Ik heb behoefte aan sterke koffie en bestel een bakkie bij de uitgang. Ze kijkt me glimlachend aan. Ik ben blij dat ik van boord mag.

Sint Jan

Je realiseert het je niet zo terwijl je reist maar alles aan en in het lijf vertelt je hoe het ervoor staat wanneer je even pauze houdt. Even pauze is in dit geval een verblijf van een dag of twee in een Bed & Breakfast met als belangrijkste item: een goede airconditioning en ruimte om binnen te kunnen zitten. Na alweer een aantal weken in de Outback gewoon in een klein stadje beland waar je niet hoeft na te denken over wind, felle zon, water, stof en hoe dat te bestrijden of juist niet. Het is deze dagen rond de veertig graden alhier en de ervaring leert dat ik dan ophoud met normaal functioneren. Zeg maar gerust dat ik ophoud met functioneren in het geheel. Ik ben er niet voor gemaakt, die hitte. Vandaar de zeer gewaardeerde schuilplaats in een rustig buitenwijkje van MIldura aan de grens tussen New South Wales en Victoria. Er is hier weer water in rivierenvorm( de Murray en de Darling river komen een stukje noordwaarts samen) en de omgeving is groen. Da’s even wennen na een poos stofhappen maar zeker fijn. Zit je ineens een middag en avond buiten in het gras aan de rivier met tig vogels, vissen en miljoenen sterren. Voordat de hitte toeslaat dan. Men is het hier wel gewend alhoewel het wel extreem en vroeg is dit jaar. Overal is de weerkaart lichtelijk anders ingekleurd dat eerder en het is of natter, warmer of droger, het waait meer en harder of juist niet kortom, geen pijl op te trekken. De Aussies verdwijnen gewoon uit het straatbeeld om zich slechts omhult door rijdend blik te vertonen onderweg naar de shopping mall waar de airco staat te loeien. Zeg maar Nederland in een koude winter met veel regen maar dan andersom qua warmte/koude regeling.

Ik wen er wel een beetje aan, die warmte. Vond ik een aantal maanden geleden de dertig graden al een ding, daar stap ik nu moeiteloos overheen om pas een graad of vijf verder lusteloos neer te ploffen. Je past je aan in meerdere opzichten. Zo is mijn garderobe meer gaan lijken op die van de gemiddelde outback bewoner doordat korte broek en t-shirt zijn doordrongen van het stof, zand en zweet die zich niet meer laten wegjagen door wat voor wasmachine dan ook. Na overschrijding van de vuil en/of gaten grens doen ze nog even dienst als poetslap alvorens in de vuilnisbak te verdwijnen. Koop ik weer een nieuw shirtje voor een herhaling van zetten. Je begrijpt; afgezien van een sporadisch gedragen shirt lange mouw, een vest en een lange broek en flipflops heeft de garderobe niet veel om het lijf.

Ook uiterlijk verandert er een en ander. Ik doel hier op de haardracht en bijbehorend onderhoud. Het groeit als vanzelf door maar wat meer onderaan het hoofd dan er bovenop. Door veel stof en gebrek aan borstelen moet er bij tijd en wijlen een klit uitgeknipt maar voor de rest valt het mij niet zo op. Totdat je een keer ergens bent waar een kapper is. In dit geval was het een grote relaxte Maori met bijbehorend imposant lijf en grote handen die hij door mijn haren haalde alsof hij bezig was de hoeveelheid scalp in te schatten die er nodig was om het bosschage bij elkaar te houden. Niets was minder waar. Op mijn opmerking dat het wat korter mocht en dat het gezichtshaar helemaal weg moest keek hij me een soort geschrokken aan. ‘Alles?’, vroeg hij, waarop ik bevestigend knikte. Na nog wat aaien door mijn haar leek hij te berusten in de keuze van de klant en ging aan het werk. Blijkbaar gaf het verwijderen van de inmiddels imposante baard hem vleugels want de rest van de haardracht leed er behoorlijk onder. Het moet ongeveer in mijn twaalfde levensjaar geweest zijn dat ik zo kaalgeknipt ben. En dat was toen nog onder supervisie van mijn vader en met een kapper die een bloempot op je kop zette waaromheen hij de rest weg knipte. Maar goed, na drie keer kijken herkende mijn lief me weer en zoals bij alle haar; het groeit in no time weer aan. Daar werd ik onlangs aan herinnerd toen ik een keer beeld belde met de door mij geliefde bandleden van la Zona die bier dronken na een oefenavond terwijl ik aan de andere kant van de wereld net mijn bed uitgekropen was. Omdat het hier niet gevierd wordt was ik gewoon vergeten dat ik vlak na 5 december belde. De baard was inmiddels nog dikker, groter en langer geworden omdat ook het kapper bezoek alweer lang geleden was. Blij als ik was ze in goede gezondheid te zien en stiekem genietend van een spervuur domme grappen van de drummer was hij het toch die het beklijvende toetje produceerde. Ik ga ervan uit dat het hier om wederzijds genoegen gaat met dit nieuwigheidje. Het gebeurt je tenslotte niet iedere dag dat je mag beeldbellen met Sint Jan.

 

 

Maat

In het land van het onbegrensde alles staat op eigenlijk niets een maat. Niet naar mijn maatstaven maar zeker ook niet naar de maten die hier gehanteerd worden. Het is een ding hier, de maat van iets. In een soort universele poging om de rest van dit continent de maat te nemen is er in bijna ieder oord van enige importantie wel van iets het grootste beeld waar je minimaal de regionale maar het liefst de landelijke pers mee wilt halen. Zo zag ik recentelijk een nieuwsbericht op ABC, landelijk dus, over  de grootste vrachtwagen die ergens gebouwd is en staat te pronken bij de gemeentelijke grens. Nu reist nieuws snel maar wij blijkbaar nog sneller want ik was er al een paar dagen eerder voorbijgereden. Ik herinner me dat er weinig woorden aan verspild zijn tijdens het passeren omdat ik er niet veel, zo niet, niets, van vond. Dat bleek een vergissing van kolossale afmetingen als ik het nieuwsitem van ABC mag geloven. De plaats in kwestie is me ontschoten maar de grote rode vrachtwagen dient tenminste in mijn geheugen gegrift te staan tot de dag dat mij de maat genomen wordt. Het zal me worst wezen.  Ik zag inmiddels de grootste garnaal, de grootste walibi, de grootste kikker, de grootste slang, de grootste krokodil, spin, fiets, kameel, mango, enzovoort. Nooit echter zag ik de grootste lul, alhoewel er zich al wel een paar kandidaten hebben aangeboden die weliswaar niet de landelijk pers gehaald hebben, maar toch. Ook de grootste billen of borsten worden dan toch weer niet publiekelijk aan de straat ten toon gesteld als beeld. Ook daarmee zag ik al menig eigenaresse rondzwieren in een winkelcentrum als ware het Sjoukje Dijkstra op de schaats toen ze nog de grootste prijzen won.

Kortom, gekkigheid. Het is een landelijk epidemie waar geen maat op staat. Stel je even voor dat we een dergelijk virus in Nederland opgelopen zouden hebben. Ik bedoel, ik woon in Balk, Friesland. Kun je je iets voorstellen bij de beeltenis die aan de gemeentegrens zou verrijzen? Om van de provinciale grens maar te zwijgen. Anderszins, nu ik erover nadenk. Het zou wel een aangename koerswijziging zijn te midden van wat van deze afstand een gekkenhuis lijkt waarin iedereen iedereen de maat neemt. Bijvoorbeeld, onschuldig van aard en goed voor de groen ambities van de stad: Den Haag. Gewaagder en ik denk goed om de landelijke pers mee te halen kan de beeltenis zijn aan de gemeentegrens van Gorinchem. Voor de rest laat ik het over aan uw eigen fantasie maar sla er vooral de Bosatlas nog even op na.

Iedereen is hier een maat. Mate(‘meet’) zoals ze hier zeggen. Dat maakt ze niet perse onmiddellijk jouw maat maar in ieder geval een maat hetgeen geen slecht begin is voor een praatje waarin ze graag willen uitvinden of je ook hun maat zou kunnen zijn. Meestal is het uitblijven van een vraag met Mate erin een veeg teken en is het niet uitgesloten dat zich geen enkele woordenwisseling gaat ontwikkelen. Bij buitenlanders is er ook nog altijd de grappig bedoelde vraag waar je vandaag komt, gevolgd door het eveneens ijs brekende, “ik dacht al dat ik iets hoorde”. Om vervolgens te vervallen in ellenlange verhalen over tantes, ooms, opa’s en oma’s uit jouw land van herkomst die ooit, lang geleden, de oversteek gemaakt hebben. Je begrijpt; de aandacht is tijdens deze monologen al dusdanig verzwakt dat van een maat in welke vorm dat ook geen sprake meer kan zijn. Mijn inschatting is dat je als mogelijke maat een heel eind komt wanneer je in een kort gesprek duidelijk kunt maken dat je van bier houdt en welk merk je drinkt(het is in dit geval van belang te weten wat de lokale brouwerij is en wat jouw favoriete soort ale is dat ze produceren). Dat je weet wat Footie is en tenminste drie Australische films of bands kunt opnoemen alsof je ze gisteren nog gezien hebt. En wanneer je eenmaal zover bent heb je een mate. 

Daar staat geen maat op.

Vragen

‘Er werd mij op school geleerd dat de donkere mens, de aboriginal, op de wereld is gezet om de blanken te ondersteunen en te helpen’.  Een goed voorbeeld van het superioriteitsgevoel waarmee het Engelse onderwijs in de jaren vijftig/zestig doordrenkt was.

Ik schat haar een jaar of vijf ouder dan mezelf maar dat kan ook zijn omdat ik er niet zo goed aan kan wennen er net zo uit te zien als oudere mensen. 

Ze had een vriendin die Aboriginal was maar dat wist ze niet, of ze was zich er niet van bewust, tot haar 15e of zoiets. Ze weet veel over de oorspronkelijke bewoners van dit continent. Hoe ze trouwen en voorkomen dat er inteelt ontstaat. Hoe je zwangerschap  voorkomt door de juiste blaadjes te eten en hoeveel. Hoe ze voor elkaar moeten zorgen wanneer ze bij een andere stam zijn. 

Aboriginals reizen van het ene volk naar het andere. Ik kwam twee maanden geleden een stel tegen bij Eighty mile beach, overigens maar 14 mile of zo ( de rest is afgezet) maar dat terzijde, die vertelden dat ze echt, nee echt op vakantie waren. ‘We willen de wereld zien zoals hij echt is’. 

Ik snapte dat toen niet maar weet inmiddels dankzij de juf van nu dat ze niet meer telkens ergens op bezoek gingen bij een andere stam maar gewoon naar een camping. Daar zagen ze de wereld zoals ie was. Achteraf sla ik mezelf voor de kop dat ik niet de vraag gesteld heb wat ze dan zagen en wat ze ervan vonden. Maar goed.

De juf is nog niet klaar. Ze zegt dat de twee zoons had en nu een zoon en een dochter. Dat roept vragen op die wel gesteld worden. 

Een zoon blijkt getrouwd te zijn geweest met een vrouw van aboriginal afkomst. Ze heeft de vrouw in kwestie geadopteerd als dochter maar zoonlief verloren door een stomme familie ruzie. Hij wil haar niet meer zien maar de dochter is nieuw familielid geworden. 

Die ‘dochter’ had hem overigens wel voor de keuze gesteld: of je zorgt voor vrouw en kind, of je zorgt voor dat werkschuwe tuig dat alle boodschappen telkens meeneemt.

Mijn inzicht in hoe dat nou werkt bij de aboriginals is ontegenzeglijk toegenomen na de lessen van deze juf. Of ik hier de goeie vragen gesteld heb is wellicht nog een klap voor mijn kop waard.

Never never

Hij ziet eruit alsof hij zelf een rol heeft vertolkt in de film. Lange grijs-witte haren, bruin gelaat dat tekenen van dehydratie vertoont, mager getaand lichaam met bierbuik, een grote bruine aussie outback hoed op de schedel en pretogen die een humoristische kijk op het leven verraden.

Runt een tourbedrijfje, Never never tours, samen met zijn dochter hier in Kakadu National park, Arnhem land en land van drie clans van de Aboriginals die hier voor onderhoud en behoud van veel rotstekeningen zorgen, zo vertelt hij. “Daar”, gaat hij verder, zei hij:”see that treeline up there? That’s where that croc nearly got the better of me.”

Hij strooit citaten uit de film rond bij ieder veranderend uitzicht en ik beluister het sprakeloos met een heel grote glimlach van herkenning.

Misschien toch even wat achtergrond informatie over bovenstaande ontmoeting.

De film kwam uit in 1986. Ik was toen in het land waar zich het verhaal afspeelt en had geen weet van de cultstatus die het zou bereiken. Ik denk dat ik hem twee jaar later voor het eerst bekeek en weggeblazen werd door het fantastische verhaal, de opgevoerde figuren en de overweldigende natuur vooral. Ik heb de film daarna nog minstens 19 keer gezien en ken vele beelden en gesprekken uit het hoofd. Nog nooit, tot gisteren, ontmoette ik iemand die een vergelijkbare gekte aan de film overgehouden heeft.

“And that”, zegt hij wijzend van west naar oost langs de horizon, “that’s never never”.

Kijkend tegen de ondergaande zon in weet ik niet meer zeker of ik naar onze gids of naar een van de figuren uit Crocodile Dundee luister. Hij ademt de film. Weet waar scenes zijn opgenomen( het café staat hier 1200 km vandaan so that’s a little lie), waar de crocodile uit de film in opgezette staat is gebleven( die scene is in Darwin opgenomen) en ook Charlie, de waterbuffel uit de film die magisch gehypnotiseerd werd door Mick Dundee weet hij te vinden in een roadhouse café waar wij inmiddels ook geweest zijn. Qua fan-schap bewijst hij zijn meesterschap door te vertellen dat Charlie, na een rijk en vol leven, opgezet werd zodat iedereen hem kon zien in dat genoemde roadhouse. Wat weinig mensen weten is dat bij plaatsing in de beoogde zaal bleek dat het plafond te laag was en hij er niet in paste. Charlie is daarop teruggegaan naar de chirurg die een twintigtal centimeters uit zijn onderbenen gezaagd heeft en de boel weer aan elkaar gemaakt. Het is me niet opgevallen toen ik voor het dier stond en poseerde alsof ik hem hypnotiseerde.

Geheel in stijl lacht onze gids zijn licht bruinend gebit bloot als hij dit verhaal vertelt. Ik heb de neiging om terug te rijden naar het roadhouse maar weet, net als deze Dundee adept; de waarheid is van weinig belang. Het is het verhaal dat er toe doet.