Rookgordijn

Ik vraag om een pakje Marlboro rood en ze drukt op een knopje waardoor een mechanisme in beweging wordt gebracht en zij over de toonbank leunt om iets uit een donker gleufje te pakken. Ze begreep al dat ik niet weet hoe dat werkt. Bij het zien van mijn bestelling concludeer ik onterecht dat ze kleurenblind is. Voor mij, naast de tomaten en speklapjes die ik koop, ligt een zwart pakje. Gitzwart.
Ik pak het op en lees dat zij zich niet vergist heeft. Marlboro rood staat er in kleine letters op geschreven.

Ik rook er niet minder om. De nieuwe kleur doe ik eer aan met een heimelijk, innerlijk genoegen wanneer ik, sturend over de wegen richting België’s afgedreven eiland, Wallonië, bedenk dat het hier anders is.
Anders dan bij ons. Hier, op het platteland rond Watou, Poperinge en Ieper. Er staan hier meer grafzerken dan dat er mensen wonen. Weggezakt in dikke zware natte klei houdt men hier, omwille van het voortbestaan, de eerste wereldoorlog in ere. Ook hun eigen voortbestaan is ermee gemoeid, zij het uit bescheiden commerciële overwegingen. Gruwelijke beelden en verhalen van toen verbleken echter in het licht van kerst. Niet de kerst van nu, ik regen elke dag kleddernat en de binnenkant van mijn bus begint behoorlijk op de buitenkant te lijken, maar de kerst van toen. Vanuit de loopgraven riepen ze elkaar toe en staakten het vuren om samen kerst te vieren. Dansende en rokende soldaten rondom zelfgestookte vuurtjes. Een onwerkelijk beeld. Alsof ze ontdekt hebben dat om een oorlog te beëindigen, je alleen maar op hoeft te houden met schieten.
Het is echter net als stoppen met roken; ze hielden het niet lang vol. Na de kerstnacht trokken ze zich weer terug in de loopgraven om elkaar te bestoken met bommen en granaten. Geen sigaret werd meer gedeeld.

industrieel_landschap_wallonie

Onderweg raakt de KPN in paniek. Dan weer heet ze mij welkom in België, dan besluit ze weer dat ik in Frankrijk ben. Er is hier geen grens, de blubber plakt aan beide kanten even hard. De grens ligt verderop wanneer ik de borden langs de weg van taal zie wisselen, de huizen zonder asbest daken en de wegen minder als een gatenkaas. Het eiland waarover ik rijd is losgeslagen door verdeeldheid die er heerst aan de hand van taal en trots.
Ochtendmist trekt langzaam op en flarden rook uit grote schoorstenen ontdoen mijn uitzicht van de zon die elders schijnt. Het is niet moeilijk hier een gitzwart gedicht over te schrijven. Iets over vechten voor de vrijheid terwijl die alleen maar dichterbij kan komen wanneer je vrienden maakt. Je houdt ‘m ten goede.
Mijn lippen sluiten zich om een sigaret uit het zwarte pakje.
Ik denk aan iets roods.

Zand van goud

Er komt een man naar me toe.
‘Hoe gaat het met je?’
‘Met mij gaat het goed en met jou?’
‘Met mij gaat het ook goed, ik wens dat het jouw familie en vrienden ook goed gaat.’
‘Ik wens jou toe ook dat het je familie en vrienden goed gaat.’
‘Wil je thee?’
‘Natuurlijk, graag. Aardig van je.’
‘Kom, we drinken thee, insjallah.’
DSC_0081
De kreukels van zijn zwarte tulband vallen in de plooi met zijn gezicht. Uit zijn ogen puilt vriendschap en nieuwsgierigheid. Hij neemt me mee naar zijn tent en ik doe mijn schoenen uit. Een nomade familie duikt op uit de wedervragen die ik hem stel als hij mij bevraagd over mijn thuis. Hij beheert een Kashbah die dienst doet als museum. Het hangt er vol met oude gebruiksvoorwerpen van vroeger zegt hij maar ik zie ze met enige regelmaat nog op de droge akkers gebruikt worden. Het is winter in de woestijn. Rondom de Palmerya wordt de grond met rust gelaten. Het water uit de bron wordt mondjesmaat verdeeld door middel van een kopje met een gat erin dat in een volle bak met water drijft. Als het kopje volgelopen is, is er een uur voorbij en wisselt de bewatering van kanaal zodat iedereen zijn deel ontvangt. Eerlijker dan een horloge, zegt hij.
Zijn vader hangt op een foto aan de muur. Met de haren woest waaiend staat een door de wind gegroefd man tussen twee anderen naar zijn toekomst te staren. Een tafereel uit de vijftiger jaren dat verwezen is naar het museum. De man die me thee schenkt ziet er eender uit. De tijd verstrijkt hier per kopje. Hij is blij dat ik er ben, zegt hij. Zo kan hij leren over de wereld buiten de zijne. Ik vertel hem over het museum waar ik gewerkt heb en hij begrijpt vooral de dingen die over landbouw gaan. We herkennen elkaars instrumenten. Er is meer dat we in elkaar herkennen maar dat brengen we niet onder woorden. Zeventig kilometer verderop de woestijn in woont zijn familie die hij eens in de twee weken een weekend ziet. Dan runt zijn neef voor een weekend de Kashbah en kan hij heen en weer. Soms kan hij geen lift vinden en duurt de tocht langer, zo lang dat het bij samen eten blijft voor hij terug moet.
Hij geeft me van alles teveel. Teveel thee, teveel suiker erin, teveel vragen, teveel lachen, teveel van hem. Zo zijn wij, zegt hij. We geven onszelf weg zonder onszelf te verliezen en jij mag zelf uitmaken wat je er voor teruggeeft. Dat is een ding, besef ik, iets van jezelf geven zonder er iets voor terug te willen. We hebben hier allemaal de tijd, de liefde en elkaar, glimlacht hij me toe. Gisteren is er niet meer en morgen kennen we nog niet. We hebben alleen vandaag.
‘Vandaag drink ik thee met jou.’
Bij het afscheid omhelzen en kussen we elkaar. De gewoonte maakt woorden overbodig maar we zeggen het toch.
‘Ik wens dat het jou, je vrienden en familie voor altijd goed gaat.’
‘Ik wens jou ook dat het jou, jouw familie en vrienden voor altijd goed gaat.’
‘Insjallah.’
Als ik door het zand in de woestijn verder loop bedenk ik dat morgen nog niet bestaat. Vandaag bestaat uit een groot hart. Een groot hart van goud.

Veluwe

Vrije natuur

wind waait er
bomen ruizen
zon beschijnt de net
gedouchte aarde

Mensen
van een ander continent
bekijken ons grootste
kleine park
en glimlachen

Ik drink koffie
voor mijn deur
beluister timmermannen die
een huis van dak voorzien
waarvan ik eerst vermoedde
dat het leger schieten oefende

Onderweg
door de natuur

staat een straaljager
bij een museumschuur

ingehaald door
konvooien groen

boven mijn hoofd
draait een chinook
een vrije kuur

rondjes, rondjes, rondjes
in de natuur

Lucht.

“Godverdomme!”
Stampvoetend  staat de chauffeur te vloeken voor de deur van het eenzame huis. In zijn handen blazend schildert hij lijzig witte sporen op het doek van de donkere avond. De motor van zijn geparkeerde blauw gele vrachtwagen bromt onheilspellend op de achtergrond.
Hij wil naar huis. Zijn dag zit er bijna op.
De vlakte om hem heen ziet er weinig uitnodigend uit. De gevlekte kale berkenbomen steken stamloos uit de sneeuw. Alsof iemand er een aantal afgezaagde takken rechtop in heeft gezet om het wijde niets van decoratie te voorzien. Ondanks de temperatuur in de winter is hij blij dat hij de drukte van Stockholm achter zich gelaten heeft. Deze baan in de eenzaamheid van Noord Zweden bevalt hem stukken beter. Hij is eraan gehecht geraakt. Daar, in de hectische stad, nam hij zijn werk mee naar huis. Als bewaker verdronk hij in zijn eigen nachtelijke hersenspinsels. Hij werd er angstig en achterdochtig van. In samenspraak met de korpsleiding had hij zich laten omscholen en was verhuisd.

“Kom op, kom op”, mompelt  hij voor zich uit terwijl hij voor een tweede keer op de bel drukt. “Waarom doen jullie niet gewoon open?”
Het zwakke schijnsel van licht door een venster doet hem besluiten te gaan kijken. Zijn laarzen breken krakend het oppervlak van de bevroren sneeuw. Hij zakt een stukje weg in elke stap. Langzaam beweegt hij zijn gezicht voor het raam en probeert iets te zien door de dikke vitrage van vastgevroren sneeuw en ijskristallen. In het zwakke schijnsel van een lamp ontwaart hij achterin het huis de contouren van twee mensen die aan tafel zitten. Licht voorovergebogen leunen ze naar elkaar toe. Ze lijken in gesprek . Hij klopt op het raam maar er volgt geen reactie. Ze hebben hem blijkbaar niet gehoord.
Krakend over het hard witte dekbed om het huis stelt hij vast dat alle luiken hermetisch afgesloten zijn. Voor een derde keer belt hij aan en luistert naar de wegebbende echo van de deurbel in de gang. Dan loopt hij terug. Rondom zijn vrachtwagen hebben de walmende uitlaatgassen een wit grillig zwevend laken uitgespreid. In zijn warme cabine steekt hij een sigaret op en schud zijn hoofd. Alsof hij de plots opkomende gedachten probeert uit te bannen. In zijn binnenspiegel bekijkt hij zijn gezicht. De opgloeiende sigaret brengt kleur in zijn bleke gelaat. Hij heeft geen zin om morgen dit ritje nog eens te moeten maken.

Net als hij is uitgestapt om een laatste poging te ondernemen hoort hij iets dat zijn aandacht trekt. Langzaam nadert een vaalgele Volvo  de plek waar de chauffeur zijn truck geparkeerd heeft. Een man stapt uit. Hij draagt een dikke bontjas.
“Ik heb al aangebeld en op het raam geklopt maar ze reageren niet”, zegt de chauffeur terwijl hij naar het huis wijst.
“Die gaan niet opendoen hoor. Ik heb ze gister opgeblazen”.
Niet begrijpend kijkt de chauffeur de bontman aan. Achter hem verkleurd de lucht. Alsof een maniakale toneelmeester de gordijnen naar willekeur opent en sluit. De man draait zich om en bekijkt aandachtig de voorbijschietende tinten aan de sterrenhemel.

noorderlicht
“Zo zie je het niet vaak, wat is het toch een schitterend fenomeen”.
“Ze hebben meubels van Ikea besteld”.
De man ontbloot zijn tanden. In slow motion gaan zijn mondhoeken omhoog.
“Dat was ik zelf hoor”zegt hij grinnikend ,”Zij zijn een trucje. Stuk goedkoper dan bewaking en net zo preventief. Opblaaspoppen. Ze verrekken het alleen om te helpen sjouwen. Kom op kerel, gooi de boel maar los. Ik zal de voordeur voor je opendoen”.