Jacqueline Maertens

(je leest een introductie van de laatste hoofdpersoon, zie ‘voorpublicatie’ voor de anderen)

Overrompeld. Ik was niet verdacht op de wervelwind die plotseling mijn kant op blies toen hij onaangekondigd kwam opdagen aan het grand café ‘de Waagh’. Vanuit mijn ooghoek ving ik een glimp op van zijn entree, en aangetrokken door zijn luide schaterlach kon ik mijn zintuigen niet meer van hem afhouden. Met een zelfverzekerde tred kwam hij binnen. Zijn korte diep zwarte krullen dansend op het boord van een nonchalant dichtgeknoopt crème wit overhemd.
‘Waar kijk je naar?’
Mijn vriendin had het gebrek aan focus op haar verhaal in de gaten, en draaide zich een beetje om zodat ze kon zien wie de onderbreking op zijn geweten had.
‘Mmm-mmm, goeie kop!’, zei ze glimlachend.

Dat het een eerste ontmoeting betrof waarover ik zojuist vertelde, is misschien wat overdreven. Ik heb hem toen helemaal niet gesproken, dus in die zin was er van een ontmoeting geen sprake. Heb ik iets over weggeblazen gezegd? Dat klopte namelijk wel. Ik heb, onder het nuttigen van enkele Bacardi cola’s, ongegeneerd mijn ogen uitgekeken. Visueel gefeest tijdens het schouwspel, dat zich voor mij afspeelde. Mijn rechter hersenhelft maakte overuren.
Hij bleek Corné van der Reijt te heten en was het epicentrum van een groepje studentikoze blaaskaken van middelbare leeftijd, die elkaar de loef afstaken met opschepperige verhalen en vernederende kwinkslagen. Ik schatte hem halverwege de veertig en hing net als dat groepje, zij het op enige afstand, aan zijn lippen als hij het woord kreeg. Het woord nam is eigenlijk een betere omschrijving. Het leek alsof de mensen om hem heen slechts iets zeiden als intermezzo van zijn, gereserveerde, spreektijd.
Hij gebruikte zijn handen als hij sprak. Luid gesticulerend als hij een wetenswaardig geheim in de oren van het gezelschap om hem heen fluisterde. Hij had mooie grote handen. Verzorgde nagels. Later zei ik altijd tegen hem dat hij van die lekkere klauwen had.
Ik klemde dan mijn kaken op elkaar en siste tussen mijn tanden. Hij hield ervan als ik aan hem zat, en lovende woorden over zijn lijf fluisterde.
Ik besefte pas veel later, toen we een relatie hadden, dat hij me betovert heeft. Gewoon door er te zijn. Of, misschien beter gezegd, dat ik me heb laten betoveren. Daar in die kroeg. Hij viel pardoes midden in mijn wens, als vader van de gedachte. Ik wilde hem helemaal, en helemaal voor mijzelf. Ik weet niet meer zeker of we oogcontact gehad hebben die eerste keer. Ik wil geloven van wel. Mijn vriendin had hem met haar ogen al een paar keer uit de kleren geholpen, en hem aangeklampt in het voorbijgaan.
‘Ik heb hem alleen maar iets over jou en jouw auto verteld’, zei ze met een glimlach, ‘maak je borst maar nat want hij is niet getrouwd, heeft geen kids en is echt sexy as hell’.
Het kaartje,dat ik later die avond onder de ruitenwisser van mijn felrode mini cabrio vond, was van hem. Natuurlijk was het van hem. Met dank aan mijn vriendin. Hij had me tijdens het uitvoeren van de act tussen de zijnen wel degelijk gade geslagen. Desinteresse geveinsd. Er stond iets achterop.
‘Ben benieuwd of je ook rode wijn lust bij een etentje.’

mini cabrio

de handschoen(slot)

Abrupt stond hij op van zijn stoel.
‘Uw diensten,voor een paar suède handschoenen?’
De jonge vrouw draaide zich naar hem toe en keek hem glimlachend aan.
‘Ja, en de etiquette van een goede weddenschap schrijft voor dat u elk bod dat gedaan wordt moet aanvaarden. Zeker wanneer dit een heer van stand als uzelf betreft.’
‘Akkoord’, sprak hij aarzelend,’Als u het zo wilt’.
‘Mooi, dat is dan afgesproken’. Ze liep naar de deur waar ‘spreekkamer’ op stond. Toen ze er vlakbij was, draaide ze zich half om en keek hem aan.
‘Is het nou waar? Van die subsidie?’
De jonkheer bedacht dat deze vrouw enkele kwaliteiten bezat die hij doorgaans alleen bij de freule ervoer. Hij kon ineens geen reden meer verzinnen om haar een antwoord te onthouden.
‘Nee mevrouw, het is niet waar’, zei hij, terwijl hij langzaam van zijn ene voet op de andere bewoog. ‘Er is sprake geweest van ernstige vormfouten in de behandeling van de aanvraag, die over het hoofd gezien zijn door de controlerende instanties in Brussel. Volgens vastgelegd protocol wordt dan eerst de verkregen subsidie teruggevorderd, nog voordat er uitgebreid onderzoek verricht is. Aangezien er niets terug te vorderen viel, is er in dit geval beslag gelegd. Het is een beetje de omgekeerde wereld, waardoor meneer Van ‘t Hek gelijk denkt ons naar het rijk der fabelen te kunnen verwijzen. Het tegendeel is hier echter aan de hand. Het is nu aan ons om onze onschuld te bewijzen”.
‘En?’
‘En wat?’
‘Kunt u uw onschuld bewijzen?’
Langzaam liet Terbrueghe zich in een stoel zakken.
‘Dat is een verdraaid lastig verhaal mevrouw, de vergissingen van ambtenaren in Brussel zijn moeilijk aan te tonen. Daar hebben ze eindeloze commissies van beroep voor in het leven geroepen. We mogen al blij zijn als we er uiteindelijk zonder boetes vanaf komen. Onze advocaten hebben het er momenteel druk mee.’ Flauwtjes glimlachend tikte hij met zijn handschoenen op de rug van zijn hand.

De deur van de spreekkamer zwaaide open en een breedgeschouderde man in een donkerblauwe overall verscheen in de deuropening. De jonkheer zag hoe de jonge vrouw verwachtingsvol naar de man keek.
Met een oude smoezelige lap veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.
‘Zo mevrouwtje, dat probleem is verholpen. U bent verlost van de tropische temperaturen, en de verwarming werkt weer naar behoren. Als u hier even de werkorder ondertekent, dan ziet u de factuur wel via de mail verschijnen van de week.’
Hij wapperde met een papiertje dat ze uit zijn hand pakte en meenam de spreekkamer in.
Terwijl hij geduldig wachtte zette de man zijn gereedschapskist op een van de stoelen, en nam de jonkheer van top tot teen op.
‘Die gaat u hier niet nodig hebben’, zei hij wijzend op zijn handschoenen. ‘Of is zij er misschien eentje die je niet zonder kunt aanpakken?’
De jonge vrouw verscheen weer in de wachtruimte en gaf de man het briefje. Gniffelend om zijn eigen gevatheid pakte hij zijn spullen bij elkaar en liep naar buiten.
De groezelige lap hing een stukje uit de achterzak van zijn overall.
‘Hartelijk bedankt voor de snelle service,’ riep ze hem na en richtte haar blik op de jonkheer.
‘En?’ sprak ze glimlachend, ‘wilt u nog van mijn diensten gebruikmaken?’

schaamte

de handschoen(4)

Corné was vasthoudend geweest en had de jonkheer gedwongen zijn voorstel tot in detail te beluisteren. Het kwam erop neer dat iedere grondbeheerder met meer dan 200 hectare, een aanvraag mocht indienen voor ondersteunende funding bij het Europese fonds voor landschapsbeheer. In die pot zat zo’n slordige 1,4 miljard euro, en Corné schatte in dat een goed onderbouwde aanvraag, en wat gesprekjes in Brussel, een bijdrage van ten minste 1000 euro per hectare kon opleveren. Pas toen ze een week later samen bij de notaris zaten, om deze zaak eens grondig door te spreken, begon Jonkheer Terbrueghe in te zien dat het Europees burgerschap zo zijn voordelen kon hebben. De notaris had er ‘voor de vorm’, zoals hij glimlachend zei, nog wel even bij vermeld dat het in het voorstel dat ter tafel lag, niet helemaal helder was of de te subsidiëren grond wel of niet verpacht was, maar die sectie uit het plan kon, volgens Corné, nog wel herschreven worden. In essentie kwam het erop neer dat Europa wilde bijdragen aan het behoud van haar cultureel landschappelijk erfgoed. Terbrueghe vond het uitstekend klinken.

De jonkheer ging zitten op een van de lege stoelen in de wachtruimte en zuchtte diep. Hij had op geen enkele clementie van de heren van de FIOD hoeven rekenen, toen ze aan kwamen zetten met een leeg geplukte rekening op naam van de Stichting Derden Gelden Landgoed Terbreughe. Hij had geen idee waar de overgebleven twee miljoen euro gebleven waren, erop gestort  vanuit een Europees fonds, maar evenmin had hij de behoefte gevoeld om uit te leggen hoe zijn schulden bij het casino recentelijk afbetaald waren. Niet dat dit ertoe deed. De boete, hem opgelegd wegens het frauduleus innen en besteden van een Europese subsidie, was ruim hoger geweest dan zijn speelschulden. Er was beslag gelegd op zijn bezittingen en daar zou voorlopig geen verandering in komen. Het liefste zou hij Corné van der Reijt een klap in zijn gezicht verkopen, maar die was onvindbaar. Terbrueghe verwachtte geen bijdrage meer van hem, alhoewel er conform de afspraak, onder heren gemaakt, nog wel een paar ton openstond.

fraude2

‘U heeft toch onterecht subsidie aangevraagd of is dat ook een fabeltje?’ De jonge vrouw keek hem onderzoekend aan waarbij ze haar hoofd  een beetje scheef hield. Terbreughe moest zich inhouden om geen tirade tegen haar af te steken. Waar dacht ze verdikkeme dat ze het recht vandaan haalde, hem lastig te vallen met haar opdringerige nieuwsgierigheid?  Hij keek haar aan en herhaalde zijn vraag.
‘Mijn inzet zullen de handschoenen zijn. Wat is de uwe?’
Ze was op de stoel achter hem gaan zitten waardoor ze met de rugleuningen tegen elkaar aankwamen.
‘Wat zou u een redelijke inzet vinden?’ vroeg ze, voor zich uit pratend.
‘U bent tenslotte de expert van ons twee als het om de etiquette van een goede weddenschap gaat’.
‘Ik accepteer elk neergelegd bod mevrouw, de etiquette schrijft dit voor. Tevens bent u verplicht een gelijkwaardig tegenbod op tafel te leggen.’
Hij voelde hoe de jonge vrouw een beetje achterover leunde waardoor haar blonde krullen gedeeltelijk over zijn schouder vielen. Hij deed zijn hoofd in zijn nek en snoof haar parfum op.
‘Ik’, sprak ze met zwoele stem, ‘bied u mijn diensten aan’.

de handschoen(3)

Was deze vrouw serieus van plan hem te gaan vertellen waar hij zich zorgen over maakte? Niet bij machte de gedachte aan een weddenschap naast zich neer te leggen, streek hij het suède van de handschoenen langzaam langs de rug van zijn hand.
‘Akkoord,’ sprak hij kordaat, ‘wat is uw inzet?’
‘Ik vind ze erg mooi,’ zei ze zachtjes, wijzend op zijn handschoenen.
‘Dat zou dan niet uw inzet moeten zijn maar de mijne,’ een lichte irritatie klonk door in zijn stem. ‘U kunt niet bepalen wat mijn inzet is, dat moet ik zelf doen’.
Hij had moeite zijn opkomende ergernis te bedwingen, vanwege het amateurisme waarmee hij werd geconfronteerd. Zonder haar antwoord af te wachten ging hij verder.
‘Mevrouw, gelooft u mij gerust, ik weet waar ik het over heb als ik spreek over de etiquette van een goede weddenschap.’
De jonge vrouw was opgestaan en schoof een stoeltje op,in zijn richting.
‘Hoe weet u dat dan zo goed?’
‘Als jonkheer op Landgoed ‘Terbreughe’ ben ik al sinds jaar en dag ceremoniemeester bij de door de freule georganiseerde charité’s waarbij het wedden, loven en bieden een geaccepteerde manier zijn om de uitverkoren goede doelen van enige funding te voorzien.’
Hij realiseerde zich dat hij zijn vrouw altijd de freule noemde, als het over de activiteiten op het kasteel ging. Verbaasd keek de jonge vrouw hem aan.
‘U woont op dat kasteel? Wow, dan heeft u ongetwijfeld een enerverend bestaan! Ik heb er laatst nog een artikel over zitten lezen. Hadden ze niet iets in beslag genomen of zo?’
De bittere herinnering viel hem rauw op zijn dak.
‘Ik zal aan uw verzoek voldoen,’ sprak hij opzettelijk langzaam en duidelijk articulerend. ‘Mijn inzet zullen deze handschoenen zijn. Wat is de uwe?’
‘Die column van Van ‘t Hek loog er niet om,’ ging de vrouw onverstoorbaar verder. ‘Alweer een kasteelroman verwezen naar het rijk der fabelen’ zei hij erover, als ik het goed onthouden heb’.

landgoedTerbreughe

Terbrueghe stond geïrriteerd op en liep langzaam bij de vrouw vandaan. Niet alleen die column maar eigenlijk alles wat erover geschreven was, had er niet om gelogen. Het was de directe aanleiding geweest voor zijn bezoek hier en van het ultimatum dat zijn vrouw hem gesteld had. Afgezien nog van de negen dagen die hij noodgedwongen bij de FIOD gespendeerd had. Nog steeds tastte hij in het duister over de ware toedracht van de ontdekking, die zijn betrokkenheid bij deze zaak had blootgelegd. Corné, zijn zakelijk adviseur in deze, en hij hadden de zaken goed doorgesproken en behalve de notaris, voor de officiële vastlegging, was niemand ervan op de hoogte geweest. Na de inval had hij Corné niet meer gesproken.
Toen hij er voor het eerst over begonnen was had Terbreughe zijn adviseur niet geloofd.
‘Subsidie op landschappelijk verantwoord grondbeheer? Wat is dat nou toch voor onzin’.

De handschoen(2)

‘Je gaat gewoon Jacques, je gaat!’. Ze had tegen hem staan schreeuwen toen hij een ultieme poging deed om onder deze afspraak uit te komen. ‘Het is genoeg geweest, ik kan er niet meer tegen. Je had er allang geleden iets aan moeten doen!’

Vanuit haar standpunt bekeken kon hij het zich eigenlijk wel voorstellen. Zijn levenswijze hing haar de keel uit. Maar zeker was hij daar niet van. Ze had hem er ook van overtuigt dat hij er voor zichzelf heen moest, en hij was gegaan. Nu, na al die jaren van status quo, die door hem als bijzonder prettig waren ervaren. Aanvankelijk had ze zijn uitjes helemaal geen probleem gevonden. Ze was opgegaan in haar eigen leven met de kinderen en familie. Hij stelde zich voor dat ze zijn afwezigheid op zekere momenten wel kon waarderen. De bijeenkomsten op het kasteel hadden al haar aandacht gevraagd en hij leefde zijn eigen leven, op afstand van wat haar bezighield. Daar was verandering in gekomen toen de kinderen uit huis gingen, en zij zich meer met hem was gaan bemoeien. Hij kon nog maar sporadisch genieten van wat hij zijn avondje Casino Royale noemde. Weg van de realiteit en het publieke leven als jonkheer op kasteellandgoed ‘Terbreughe’, waar hij zo’n grondige hekel aan had gekregen.
Hij overwoog om het de therapeut straks voor te leggen, dat hij zijn hele leven al probeerde om iemand anders te zijn. Afstand te nemen van die gouden lepel, die hij verafschuwde, en zijn leven zelf ter hand te nemen, in plaats van de ongeschreven familiewetten en vaders harde hand klakkeloos te volgen. Maar hij vreesde de te pijnlijke conclusies die hierover ,na veertig jaar proberen, te trekken waren.
Hij voelde zich een zwakkeling.

casino royale

‘Ik durf te wedden dat u zich vreselijke zorgen zit te maken.’ De jonge vrouw was opgestaan en kwam naar hem toe gelopen.
‘Zorgen?’
‘Ja, zorgen,’ zei ze beslist, terwijl ze met haar ene hand op de rug van haar andere hand tikte.
‘U zit de hele tijd met uw handschoenen op uw hand te slaan’.
‘O, het spijt me als ik u daarmee geërgerd heb, dat was niet mijn bedoeling’.
‘Nee hoor, het kwam me juist wel bekend voor’.
De jonkheer kneep zijn ogen samen.
‘Dus u denk te weten wat er zich in mijn hoofd afspeelt? Dat doet vermoeden dat u aan de verkeerde kant van de deur zit’, zei hij, wijzend op het bordje ‘spreekkamer’.
Alsof de jonge vrouw zijn behoefte aan afstand voelde was ze twee stoelen bij hem vandaan komen zitten. Ze glimlachte en keek hem uitdagend aan.
‘Nou,’ vroeg ze nogmaals, ‘wedden?’

De handschoen.

(Deze hele week een (lang) kort verhaal in vijf delen.  Maak kennis met een jonkheer en zijn beslommeringen.)

‘Jacques Terbreughe, 66 jaar en in goede gezondheid zo te zien.’
Over het randje van zijn zacht blauwe titanium bril keek hij de jonge vrouw tegenover hem aan.
‘Ik lees het ook maar van uw doktersbriefje hoor’, zei ze, wijzend op het velletje dat hij voor haar op de ontvangstbalie gelegd had. Hij keek er mismoedig naar en stelde vast dat het er inderdaad stond. ‘In goede gezondheid’, had zijn huisarts, met zijn kenmerkende hanenpoten, boven het verwijzingsformulier geestelijke gezondheidszorg geschreven.
Zonder op de opmerking van de vrouw te reageren deed hij zijn suède handschoenen uit, trok de geruite shawl van zijn schouders en vouwde deze eerst in zijn schoot om hem daarna in zijn pet te stoppen. Het was onaangenaam warm in de verder lege wachtruimte waarin hij plaatsgenomen had. Moeizaam stond hij op om zijn lange stugge waxcoat uit te doen.
‘In stramme goede gezondheid’, dacht hij terwijl hij naar de kapstok liep en overwoog een stoel verder bij de balie vandaan te kiezen. Het wachtkamer meubilair kwam op hem nogal saai over en de kapstok was een goed voorbeeld van, ‘een natuurlijk element in een zakelijke omgeving’, zoals dat zo mooi genoemd werd. Het ding leek op een blank geschuurd kaalgeplukt stuk boomstam met stompjes van takken, waar je je jas aan op kon hangen. De muren van de ruimte waren wit, waardoor de zwart-wit foto’s in aluminiumlijsten extra afstaken tegen de achtergrond. Bij de kapstok hingen twee afbeeldingen van New York. Een toonde een bankje in het midden van de Brooklyn Bridge, hetgeen een zoete vleug jeugdherinnering in hem losmaakte. De andere, een afbeelding van de skyline van New York. Hij stelde vast dat het om een oude foto ging en vroeg zich af waarom deze nog niet vervangen was. De huiveringwekkende gebeurtenissen op de elfde september hadden zo’n jaar of vijf geleden plaatsgevonden, en hij vond het niet echt van goede smaak getuigen om de bezoekers van een praktijk als deze nu nog een uitzicht op dat verleden te bieden. Ze hadden waarschijnlijk genoeg aan hun eigen verleden. Zelf vergat hij zulke dingen het liefst.
De ruimte, met obligate plastic planten, bevreemde Jonkheer Terbreughe. Hij hing zijn jas op, vouwde zijn geruite pet met daarin de shawl in een van de zakken en nam plaats op een van de vrije stoelen bij de kapstok.
Ze leek hem een bemoeial, deze jonge vrouw.

suèdehandschoen
‘Ik bijt niet hoor’, zei ze terwijl ze half over de balie leunde en glimlachend zwaaide met zijn handschoenen. Zwijgend stond hij op en pakte ze van haar aan. Met het formulier en de handschoenen in zijn hand ging hij weer zitten op gepaste afstand van zijn belager.
Jonkheer Terbreughe was zenuwachtig. Hij was er niet zeker van of hij de juiste keuze had gemaakt om zich te laten verwijzen. Niet dat er andere opties waren geweest. Zijn vrouw Ella had hem weinig keus gelaten.

 

Bankman

Paulus Heylwolt had zichzelf altijd gezien als ondernemer, in hart en nieren. Hij was er na een aantal jaren ploeteren, vallen en weer opstaan, achter gekomen dat dit eigenlijk alleen maar de wens van zijn vader’s gedachte was geweest. Na de opleiding aan de Hogeschool Nyenrode in Breukelen waar hij zijn dispuutvrienden Corné, Carlo en Eljos leerde kennen, was hij, net als hen, ondernemertje gaan spelen maar teruggekeerd op zijn schreden. Opzoek gegaan naar een manier om de risico’s te vermijden en toch aan de benodigde financiën te komen. Dit had hem bij de bank gebracht. Het was zijn grote passie geworden. Hij genoot ervan. Elke dag. Ingebed in de zekerheden van meer dan goede arbeidsvoorwaarden, de bedrijven voorzien van financiering, om zo te kunnen beheersen en sturen. Terwijl hij met stevige tred voortliep voelde hij de rust enigszins weerkeren in zijn lijf. Hij kon zich mateloos opwinden over de domheid van mensen als het ging om de perceptie van het bankwezen. Zelfs tot binnen zijn vriendenkring hadden de ideeën over machtsmisbruik en corruptie echt wortel geschoten. Heylwolt vond dit een aperte misvatting en, indien hiertoe uitgedaagd, stak hij zijn mening niet onder stoelen of banken.

Bij de open haard van de business club gezeten had hem dat zojuist nog een hoog oplopend conflict met een aantal aanwezigen opgeleverd. De meeste daarvan waren ondernemers, met Corné van der Reyt , zoals gebruikelijk, als hun woordvoerder in het debat.
‘Paulus, luister, het is glashelder wat jouw klanten van jouw bank vinden. Iedereen luistert, kijkt mee en praat erover. En ik kan je vertellen; het stinkt! Ik zeg het je, zoals ik het laatst van een groot kunstenaar hoorde: Geef een man een pistool en hij kan een bank beroven. Geef een man een bank en hij kan de hele wereld beroven!’
Een Engels aandoend, instemmend ‘hear hear’ had zijn ergernis gewekt.
‘Gezien alle bedrijfsfraude van de laatste tijd ben ik blij dat ik aan de bankenkant zit. Ondernemers verkopen veel teveel gebakken lucht’.
Het was zijn uitdagende opmerking geweest die het tot dan toe kabbelende gesprek op scherp gezet had. Paulus Heylwolt hield van scherpe en snedige discussies. Het was de kortste weg naar zijn gelijk.
bankmandiscussie

zijn meisje

Met een zelfverzekerde tred kwam hij binnen. Zijn korte diepzwarte krullen dansend op het boord van een nonchalant dichtgeknoopt crème wit overhemd.
‘Waar kijk je naar?’
Mijn vriendin had het gebrek aan focus op haar verhaal in de gaten, en draaide zich een beetje om.
‘Mmm-mmm, goeie kop!’
Hij bleek Corné van der Reijt te heten, en was het epicentrum van een groepje studentikoze blaaskaken van middelbare leeftijd, die elkaar de loef afstaken met opschepperige verhalen en vernederende kwinkslagen. Ik schatte hem halverwege de veertig en hing net als dat groepje, zij het op enige afstand, aan zijn lippen als hij het woord nam. Hij gebruikte zijn handen als hij sprak. Hij had mooie grote handen. Verzorgde nagels. Een kleine tatoeage op zijn linker pols. Later, toen ik hem dacht te kennen, zei ik altijd tegen hem dat hij van die lekkere klauwen had. Ik klemde dan mijn kaken op elkaar en siste tussen mijn tanden tegen mijn eigen, selfmade, single man van de wereld. Dat was hij, selfmade en onberekenbaar.

Telefonerend, druk met zijn handen wapperend, reed hij zijn matzwarte BMW door Oud Zuid. Ik weet niet meer precies waar we waren toen hij ineens de auto parkeerde.
‘Ik moet je nog iets vertellen,’ sprak hij voor zich uit toen hij de verbinding verbroken had. Langzaam stroopte hij zijn linkermouw op en toonde me de vier letters van zijn tattoo.
‘Ze is mijn moeder niet’.
‘Ze is jouw moeder niet?’ vroeg ik verbaasd.
‘Wie zijn moeder is ze dan?’
‘Ze is niemand’s moeder, ze is negen jaar.’
‘Negen jaar?’
‘Ja, ze is mijn dochter, Vera, ik ga haar zo even van school halen.’

Ik herinner me nog dat ik verbijsterd naar hem keek terwijl hij zijn manchetknoop dichtdeed en de auto startte. Weet niet meer wat ik gezegd heb. Ik ben uitgestapt en heb zijn dochter niet gezien, die dag.

veratattoo

Gewist verleden

Hopend op een beter idee  zet hij zijn handen in zijn zij. Gedachten dwalen door zijn hoofd als de wolken langs de mand van de luchtballon waar hij in staat. Er schiet hem niets te binnen. Hij leunt voorover en probeert te lezen wat er op de zijkant staat.`Een keuken op hoog niveau`, stond er in de folder. Je kunt er met acht mensen in dineren. Ze zijn met zijn drieën. Vier, als je de ballonvaarder meetelt. Vijf. Er is ook een kok.
“Haute cuisine,” grapt de ballonvaarder. Ze blazen in een volle vissoep met heerlijke schelpdieren en clams, strandgapers in goed Nederlands. Een zoete sekt om ze weg te spoelen. De ballonvaarder weet ook hier een slechte grap over. Zijn vader en moeder vinden het fantastisch.

Het moest er een keer van komen. Paul Johannes Verborg had het zijn ouders beloofd. Op deze manier zou hij zijn geboortedag uit het jaar 1939 nog eens met ze vieren. Nu kon het nog. Het was een dag van herinnering voor de Duitsers van toen. Wat ze herdachten heeft hij niet onthouden. De vijftig jaren sindsdien zijn voorbijgevlogen. Zijn ouders zeggen het ook niet meer te weten. Van zijn moeder kan hij het zich wel voorstellen. Ze kan zelfs niets meer terughalen van Paulus’ geboorte.
“Ik ben  jouw verwekking ook vergeten”, grinnikt ze met haar mondhoeken omlaag. Zijn vader nipt zwijgend van zijn glas. Haar verzorgers wijten het aan de voortschrijdende dementie maar zelf denkt ze dat ze het gewoon vergeten is.
“Ik heb een slijtlizenz”, zegt ze glimlachend terwijl ze haar glas ophoudt. Over het geheugen van zijn vader is Paul onzeker. Hij  is altijd een zwijgzame man geweest en op vragen over die tijd was er meestal een ontwijkend antwoord. Als hij er al naar gevraagd heeft. Het onderwerp is in de loop der jaren onbespreekbaar geworden. Weggemoffeld. Als de ballon over de bunkers van de waterlinie zweeft tuurt de oud geworden man lang uit over de vervlogen geschiedenis die zich onder hem openbaart.
“So ziet het er ganz anders uit”, zegt hij zachtjes.

“Ik moet jullie iets vertellen”, zegt Paul als de soep op is. Ze kijken hem verwachtingsvol aan.
“Ik ga die bank beroven”.
De kok verdiept zich in het hoofdgerecht. De ballonvaarder draait het gas open. Ze stijgen.
“Ik loop naar binnen en neem onder bedreiging van een automatisch geweer mee wat rechtmatig van mij is. Er vallen geen gewonden. Ik gijzel de bankmedewerkers en hun klanten. Het zal misschien een paar dagen duren.”
Zijn vader kijkt hem meewarig aan.
“Die bank? Daar kom je nooit mee weg Johann en bovendien, het is het niet waard. Het ist maar papier. Laat het roesten”.

Paul’s handen omklemmen de reling van de mand waarin het gezelschap door de lucht vaart.
“Voor jou is het verleden Pappa, maar voor mij is het die zukunft. Ik wil zo niet verder door het leven. Die verklaringen over dat hakenkreuz wegen me te zwaar.Ze gaan me ermee chanteren als jullie dood zijn. Ik wil jouw leven niet voortzetten, ik wil mijn eigen leven beginnen.”
Hij pakt de fles sekt en schenkt zichzelf en zijn moeder nog eens bij.
“Ik loop gewoon naar buiten met wat mij toekomt. Met wat uns toekomt en niemand zal me tegenhouden, achtervolgen of komen zoeken. Daar zorgt Herr Direktor wel voor. Ik vermoed dat hij ook graag van zijn verleden afgeholpen wil worden. Het ligt daar maar als een tikkende tijdbom. Wij leven onder een constante bedreiging van de waarheid. We zijn alleen vrij zolang die kluis dicht blijft.”
De chef dient het hoofdgerecht op. De geur van schweingebrat met verrukkelijke bijgerechten vult voor even het vacuüm onder de hitte van de vlammen boven hen.
“Ik lik hier echt mijn vingers bei af jungs”, zegt moeder glunderend terwijl  ze haar glas heft naar beide mannen, “was für eine gute  erinnerung. Mein Johann. Mein Pauli.”
Paul pakt haar hand en drukt er een kus op. Haar dunne witte vlashaar wordt licht getoucheerd door de wind. Zijn vader nipt zwijgend van zijn glas.

De kok heeft gezien wat Paul Johann opgevallen is en glimlacht minzaam naar hem. ’24 kitchen television’ staat er op de zijkant van de luchtballon.
“We nemen alles op”, zegt hij verontschuldigend en wijst op de camera’s bovenin de mand.
“Het is verplicht gesteld door de verzekering voor het geval er iets mis mocht gaan. De beelden zijn privé hoor. Uw feestje wordt gewist zodra we veilig geland zijn. Zal ik u nog eens bijschenken?”
luchtballon

Getijdenstroom

Op de terugweg in de trein vanuit Utrecht weet ik het ineens zeker.
Krukken is een werkwoord.
Ik heb spierpijn in mijn armen van het krukken op de nieuwe trap bij het Centraal Station en van beurs gekruk door een hal vol met fietsen. Wishfull thinking. Er was wel een roltrap maar die deed het niet. Als de trein me uitspuugt op het station Ede-Wageningen laat ik iedereen voorgaan en kruk er achteraan.
De voorbijlopende meute geeft me het gevoel te figureren in een stomme film waarin ik teruggespoeld wordt. Zij gaan vooruit, worden opgezogen in de trechter van het trapgat. Ik ga achteruit. Ik hoor zijn stemgeluid al van verre maar weet nog niet dat hij het is. Op de achtergrond zwelt het langzaam aan naarmate ik vorder. Bovenaan de trap gekomen zie ik hem. In de tunnel staat hij luidkeels de mensen die afdalen toe te spreken. Hij wil geld zien en kan zich, getuige zijn verhaal, niet voorstellen dat je dat niet kunt missen.
Ik wacht bovenaan bij de linkerleuning. Die moet ik vasthouden als ik afdaal tegen de looprichting in. Ik wacht mijn beurt af. Tussen mij en de man zitten ongeveer 30 treden. Hij staat daar als een baken in zee die de stroom van mensen splijt voordat ze achter hem de rijen weer sluiten. Hij probeert het tij te keren.
getijdenstroom
“Hé, jij! Mooie jas, je hebt een mooie jas. Die is duur man, kun je niet iets missen? Ik geloof niet dat je niets kunt missen. Je weet niet wat het is jongen. Kom maar eens drie dagen met me mee. Op straat slapen in karton. Dat overleef je niet jongen!”
Trede 25, ik vorder langzaam.
“Je gaat dat niet menen hè, helemaal niks? Ik weet zeker, als ik hier zou langslopen en ik zag een medeburger die mijn geld nodig had. Ik zou hem mijn geld geven jongen, zeker weten!”
Trede 20, de trap raakt leeg en ik ben de enige die afdaalt. Zijn sonore, donkere stemgeluid wordt weerkaatst door de holle bijna lege tunnel. Als een 3D verpakking van zijn boodschap.
“Dure kleren, allemaal dure kleren! Die spijkerbroek kost je een honderd of twee en je zegt me dat je niks kunt missen? Ik geloof dat niet, ik geloof dat niet! Je kunt van alles missen!”
Trede 10, mijn been doet zeer en mijn armen worden zwaar.
“Het kan zo gebeuren jongen! Je huis brand af, je wordt ontslagen, je vrouw loopt weg, je kind gaat dood! Het kan zo gebeuren jongen en voor je het weet sta je hier en heb je helemaal niks!”
Ik zet mijn krukken op de begane grond en laat mijn geopereerde been erachteraan vallen. De man lijkt klaar met zijn redevoering en komt naar me toe. Hij pakt me bij de arm en helpt me bij het overbruggen van het laatste stukje hoogteverschil .
“Doe voorzichtig man, doe voorzichtig. Ik zie je al de hele tijd krukken en ben bang dat je valt. Doe voorzichtig.”
Ik bedacht tijdens het afdalen iets kritisch tegen hem te gaan zeggen. Mijn vertraging en zijn bezorgde woorden brengen me echter van mijn stuk. Ik geef hem een paar euro en wens hem een goede dag. Als ik aan het einde van de tunnel weer een trap beklim hoor ik hem de volgende vloedgolf treinreizigers bewerken.
“Die jas is duur meisje, heel duur! En jij kunt niks missen? Je moest een weten wat ik meemaak. Ik daag je uit. Kom maar eens drie dagen met me op straat slapen. In een kartonnen doos. Je gaat dood meisje. Je gaat dood! Ik zou me de ogen uit mijn kop schamen als ik mezelf zo voorbij zou lopen!”