Humor

schaamte

Poëziecafé Het Park Binnen op 17 mei 2016
Locatie : Cultureel Centrum De Kreek,
Weverstraat 24, Oosterbeek.
Aanvang 20:00 uur tot 22:15 uur.
Entree 3 euro.

Beste belangstellende van het Poëzie Café.
Spetterende Finale!!!

”Humor in de poëzie’’

Op 17 mei is het laatste dichters café van het Park Binnen voor de vakantieperiode.
Als altijd in cultureel centrum De Kreek.
Het thema deze avond is “humor in de poëzie”.
Voor de pauze treedt een keur aan dichters die het afgelopen jaar voorgedragen hebben, met gedichten op die op de lachspieren moeten werken.
Na de pauze treedt het voor deze avond nieuw gevormde poëzietrio ”Dichter bij U” op met gedichten, verhalen en liedjes die elkaar tegenspreken, versterken of niets met elkaar te maken hebben.
Dorpsdichter Bianca Hendriks laat zich horen, dorpstroubadour  Dr.Anders speelt en zingt en dichter Jan Eikelenboom praat alles aan elkaar op basis van humoristische thema’s die zowel actueel als verjaard kunnen zijn.

Ze hebben één ding gemeen: ze willen dichter bij U zijn.

Zwangerschapsduiken

zwangerschapsduiken

Ik leg het je uit, hoe ik het gedaan heb. Het is gemakkelijk als je iets van fietsen weet, en van de werking van velgremmen, maar niet noodzakelijk. Ook basale kennis van natuurkunde kan helpen, iets over de zwaartekracht in het bijzonder. Wederom, niet noodzakelijk, ik leg het je uit.

Ze is zwanger, hoogzwanger. Ik vind haar, keer op keer, terug in een horizontale staat van zijn, zonder bewustzijn, naar haar luide gesnurk te oordelen. De dokter moedigt bewegen aan. Dat doen we al, op de racefiets. Er is echter een probleem; haar buik, onze aanstaande eersteling, past niet meer tussen stuur en zadel. In mij, als aanstaande vader, dient zich handigheid aan, iets dat ik eerder nooit bezat.

‘Ik weet een oplossing, lief.’Ik wil scoren. Ik draai het kromme stuur een halve slag omhoog zodat ze het, inclusief buik, kan bereiken. Trots op mijn eigen inventiviteit doe ik het haar voor, fiets haar tegemoet.

‘En zo, kun je remmen’, roep ik haar toe, terwijl ik voel dat ik op wrede wijze de wetten der natuur overtreden heb. De handgrepen van de remmen heb ik niet verplaatst en ,door mijn eigen gewicht, druk ik ze onbedoeld keihard in. Ik maak een zwangerschapsduik en kus met mijn lippen het asfalt aan haar voeten. Haar bewonderende lach vliegt gierend uit de bocht. De zwaartekracht heeft een deuk in mijn ego geslagen en als ik opsta geeft ze mij kusjes. Ik neem haar niets kwalijk. Niet de liters ijs, die ik ’s avonds voor haar haal. Niet het slapen, elders, door haar gesnurk. Niet de tand door mijn lip en ontvelde handen.
Ik heb gescoord.

Feiten

Vanwaar ik zit, zijn ze goed te zien, de vrouwen aan de lange tafel. Ze zijn met acht, en twee mannen. Drie mannen eigenlijk, maar de derde is vooral gespreksonderwerp. Heico, zo heet hij,zit niet aan. Ik kan ze goed verstaan, steeds beter naarmate tijd verstrijkt, niet perse omdat ik dichtbij zit. De vrouwen lijken op elkaar. Vier van hen zijn, ingeschat, in leeftijd tussen de veertig en vijfenvijftig, allen een variatie op eenzelfde thema. Hoogblond, zwarte kleding met een vestje, in zachte tinten roze, grijs, zilver of beige. De kleding zit her en der wat strak, vooral ter hoogte van boezems.De andere vrouwen aan tafel zijn jonger en wijken af, qua kleding en uiterlijk. Ik schat in dat het hier om een kerstdiner gaat waarbij de focus gedurende het verloop van de menukaart een beetje verschuift.

menukaart-kerstdiner

De derde man,één van de vrouwen schetst zijn achtergrond. Heico is een probleemcollega die, zo te horen, niet voor niets verstek heeft laten gaan. Hij zit thuis in de ziektewet en dat is, getuige de levendige schets van de vrouw, niet voor het eerst. Haar beknelde, meebewegende borsten zetten haar woorden kracht bij.
De mannen aan de tafel nemen hun taak serieus, en schenken nog eens bij. Beide in stemmig donkerblauw gekleed, knikken ze op tijd, zeggen op tijd ‘O,ja?’, lachen desgewenst vriendelijk, en betrekken afdwalers en wegdromers charmant weer bij het gesprek, dat inmiddels de gehele tafel bestrijkt. Dit onder de bezielende leiding van de blonde vrouw die de inleiding verzorgde, maar haar plaats op het spreekgestoelte in het midden van de tafel, niet meer af lijkt te willen staan. Zij en Heico hebben de degens al eens eerder gekruist. Tot aan de rechtbank toe heeft hij haar het leven zuur gemaakt, met zijn niet reële eisen, vulgaire grappen en vage klachten. De tafelgenoten buigen zich na haar oratie in kleine groepjes uiteen en bespreken de onmogelijkheden van functioneringsgesprekken, coaches op de werkvloer, Arbo omstandigheden en seks met de baas. Dit laatste onderwerp hoor ik niet later meer terug in de plenaire vergadering. Als de werkgroepjes de feiten op een rijtje hebben neemt de voorzitster wederom het woord.
‘Hij heeft me gezegd dat hij wel weer terug wil komen, wip op de dertigste even langs, was zijn mededeling. Stuurde me een mailtje, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.’
De vergadering wordt onrustiger en rumoerig, de gastheren schenken nog eens in.
“En dan ook zo’, ze hapt even naar adem, ‘zo geniepig, zo gluiperig, vlak voor de deadline!
Met een samengebalde vuist knijpt ze haar servet tot moes en veegt iets uit haar mondhoek.
‘De vorige keer heeft hij me dat ook al geflikt. Het is een ellenlang traject geweest, tot de rechter aan toe. Daar kun je ook niet meer op vertrouwen, is mijn ervaring. Flapdrol’.
De mannen schenken grinnikend nog eens bij.
‘En dat zijn dus gewoon de feiten he?’, zegt de voorzitster, terwijl ze de tafel rondkijkt. De vergadering knikt terug.
Ik wacht het verdere verloop van het kerst bacchanaal niet af en loop langs de lange tafel naar de uitgang. In het voorbijlopen zie ik dat een van de nieuwkomers een kerstgeschenk naast haar stoel op de grond heeft gezet. Een wijndoosje met een kaartje van hun bedrijf eraan.
‘Pro feit’ staat erop.
Ik geef Heico slechts de schijn van kans.

Spiegelbeeld

(Bij mijn kapper is onlangs voor de zoveelste keer ingebroken. Er wordt telkens veel vernield maar niets gestolen. Hieronder zijn beroeps-gedeformeerde commentaar.)

“Ha ja, verknipt in laagjes, zo wordt ik ook weleens genoemd. Ik kan het hebben hoor, permanent op mijn qui-vive als ik ben voor dit soort uitwassen van de menselijke geest. Ze weten niet echt wat ze ermee aanrichten hè, de stakkers met hun wilde haren, eigenlijk om heel erg meelij mee te hebben, zo’n dwangmatige fixatie op andermans leven.

Ik bedoel, wie, met het goede verstand onder de donkere krullen, doet er nou zo iets? Dan moet je toch zeker slecht zijn tot in je allochtone haarwortels! Ik zeg het je, het zijn eigenlijk zulke kleurloze figuren, daar helpt geen spoelinkje meer tegen hoor. Ik zou ze graag eens in deze stoel willen zetten en vragen: Zeg darling, wat heb je zelf in gedachten? En ze dan zonder pardon in de glasheldere spiegel laten zien dat verknipt in laagjes echt het beste bij ze past hè, ik kan het weten hoor en bovendien; als je door mij geschoren wordt kun je beter stilzitten. Revitaliseren, die hele handel! Tsss, ik bedoel, om helemaal opgeknipt van te raken toch?

Normaal ben ik niet zo rancuneus hoor maar dit is nou al de vierde keer in twee weken! Toen ik het vanochtend zag, je zou de extensies uit je haren trekken. En slapen doe ik ook al nauwelijks meer.

Na zoiets wil je er alleen nog maar van weglopen, geloof me, even helemaal er tussenuit en slechts dromen van warme föhnen en weelderige watergolven. Maar ja, dat tropisch eiland blijft meestal onbewoond hè. Ach ja, het is nou eenmaal een dun lijntje tussen geknipt en verknipt zullen we maar zeggen.

Goed, lieverd, kijk eens even naar jezelf.

Like what you see?”

alsjehaarmaargoedzit

Meneer van IJkelenburg

“Nee hoor mijnheer, dat wordt hier allemaal voor u gedaan”, zegt ze op mijn vraag of ik me van tevoren had moeten douchen met desinfecterende shampoo. Het antwoord lucht me op. De geur van die roestbruin gekleurde rotzooi zit voor eeuwig in mijn reukgeheugen verankerd. Het doet me denken aan de lange ziekenhuisgangen die me als klein kind paniekaanvallen bezorgden. In België, zes jaar geleden, moest dat wel. Ik stond te janken onder een douche van Lysol voordat ik een nieuwe heup kreeg. We zijn zes jaar verder en schrijven deel twee. De ander heup is aan de beurt. In Nederland dit keer. Met eenzelfde wedstrijdspanning in mijn lijf ben ik het ziekenhuis binnengelopen en heb een blauw te kort operatiejurkje aangetrokken. Het is negen uur in de morgen en ik wordt weggereden door twee verpleegsters naar de operatiekamer. Klim op de operatietafel en wordt als een soort liggende Jezus vastgesnoerd en aangesloten op allerlei systemen. Aan de muur hangt een lichtbak met een röntgenfoto  van mijn heupen . Een vernieuwde van metaal en een versleten van mijn eigen materiaal. De chirurg zet een kruis op het goede been en knikt. “Mooi roze”, is zijn commentaar. Als ik me lig af te vragen wat hij daar precies mee bedoeld slaat de anesthesist toe. Ik ben weg.
“Ha, hier wordt iemand een beetje wakker, hoort u mij?”
“Wilt u misschien een water ijsje? Welke smaak?”
Tussen de twee vragen zit minstens een half uur maar ik ben de anesthesie nog aan het verwerken. Het wordt bosvruchten. Het voelt lekker koel en vochtig.
“Wat is er met je been? En waarom is dat helemaal zo gedaan?” Ik kijk niet begrijpend naar mijn been en weet het antwoord niet. Over de gang zie ik mensen voorbijlopen met roze benen en krukken.
rozebeen
Vanuit de weelderige wereld van morfine voer ik een aan flarden geschoten gesprek met mijn partner die aan mijn bed staat. De nacht na de operatie is er een die ik deel met de nachtzuster. Elk uur komt ze als een vuurvlieg met een zaklamp de kamer binnen om te kijken of het goed met me gaat. In de vroege ochtend begin ik te beseffen dat alles gelukt is. Bevangen door de euforie van opluchting sta ik voorzichtig naast mijn bed en wordt er snel weer in terug gekieperd door een verpleger. Euforie is een gevoel, geen realiteit. Hij veegt het klamme zweet van mijn hoofd en kijkt naar een mededelingenbord aan de muur. Mijn buurman is opa en zijn kleindochter heeft iets liefs voor hem opgeschreven. De verpleger concludeert dat hij het niet eerlijk vindt dat ik zoiets niet heb. Ik protesteer dat ik geen opa hoef te worden.
“Wat dacht je van kunst, kun je het meenemen want ze betalen tegenwoordig miljoenen voor die dingen”. Hij doelt op de kunstaankoop van Nederland en Frankrijk wat zijn voorstellingsvermogen enigszins te boven gaat. “Volkomen inhoudsloos”, is zijn commentaar. Langzaam tekent hij zijn bijdrage op het bord.
“Hier heb je kunst met inhoud. Zal er de waarde bijzetten, dan heb je er nog wat aan als je weer kunt lopen”.

IJkelenburg
.

Frietje met Malcolm.

Een maaltijd schiet erbij in en ik sta op een Utrechtse straathoek knapperig gebakken zetmeel met mayo te smullen. Bijna niet te doen zonder echo van gezondheidsfreaks in mijn hoofd. Of zonder een kwak mayo op je shirt te dumpen zodat je de rest van de dag met een slakkenspoor op je borst rondloopt. Ik staar genietend voor me uit. Tussen de langssnellende tweewielers rijdt een fiets mijn blikveld binnen. Het ding danst als een pas losgelaten koe in de lentewei de hoek om. Een fiets. Er zit niemand op. Het stuur kiest lukraak richting. Totdat zwaartekracht het van snelheid wint en het op straat crasht. Tot zover mijn blikveld. Ik hoorde iets voor ik ging kijken.

“Blijf staan! Blijf staan! Stop! Halt!”
“Niet doen lul! Doe niet! Laat los! Racist!”
Zien en horen werken samen als er om de hoek, uit dezelfde richting als de fiets, een jonge man met getinte huidskleur en een rasta kapsel komt rennen. Hij sleept een man met zich mee. Een agent heeft zijn jas vast en ziet er niet uit alsof hij los gaat laten. Een verbeten blik. De jonge man vertraagd door het tegenwicht dat de agent hem biedt en komt midden op straat tot stilstand. Niet ver bij de fiets vandaan. De agent bezweert de vluchtpoging door luidkeels te schreeuwen.
“Je bent aangehouden! Blijf staan! Je bent aangehouden!”
De vluchter dient hem van repliek.
“Blijf van me af lul! Vuile racist! Je zoekt een zwarte uit hier! Donder op!”

201007271728

De agent kijkt hem strak aan en wist zich het zweet van zijn voorhoofd.
“Je bent officieel aangehouden!”
“O, ja? Wat heb ik dan gedaan man? Helemaal niks toch man! Het is omdat ik zwart ben hè! Iedereen doet dat hier, jij vuile…!”
Hij maakt zijn zin niet af maar glimlacht ineens. In schril contrast met het gezicht van de agent. Die spreekt in een microfoon op zijn linkerschouder en kijkt met grote ogen naar zijn arrestant. Hij houdt voortdurend een hand gestrekt voor zich uit alsof hij hem op afstand wil houden.
“U heeft een stopverbod genegeerd, u heeft een vluchtpoging gedaan, u heeft zich verzet tijdens uw aanhouding, u heeft een ambtenaar in functie beledigd”.
De agent propt de gewichtige zinnen tussen zijn gejaagde ademhaling. De jongeman lacht hardop maar zegt niets meer. Hij zet zijn benen een beetje uit elkaar en gaat staan als een militair die ‘op de plaats rust’ heeft gehoord. Langzaam gaat zijn rechterarm omhoog en balt hij zijn vuist. Zo blijft hij staan.
Zijn zwijgen in gebarentaal zegt alles wat hij te zeggen heeft.
“Wat een aansteller”, zegt een vrouw die naast me staat te eten. Ze heeft een slakkenspoor op haar sjaal. De halve bevolking van Utrecht passeert hier op twee wielen maar in deze straat mag je niet fietsen. De agent heeft een vergissing begaan. Uitgerekend hij heeft Malcom X van zijn fiets getrokken. Dat wordt nog wat bij de rechtbank. Want geef die maar eens ongelijk.

Letters

“In de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, amen”.
Met een plof sloeg hij het dikke boek dicht en knipoogde naar me voordat oma aan het gebed begon. Het toetje, yoghurt, gele vla en aardbeien op zware siroop, moest wachten. Het lag zwaar op de maag weet ik nog. Iedereen aan tafel sloot de ogen behalve opa en ik. Biddend trok hij gekke bekken naar me en we deden allebei ons best niet in de lach te schieten. Daar was oma niet van gediend.
Als zesjarige raakte ik in de ban van dat dikke boek.
“Verzin je dat allemaal zelf opa?”
“Nee jongen,het staat in dit boek geschreven en ik lees het voor”.
Wat me opviel was de enorme hoeveelheid letters op een kleine oppervlakte. Het flinterdunne papier leek er loodzwaar van te worden. In de groepjes letters zat een verband waar ik de vinger niet op kon leggen. Het meest intrigeerde me de ruimte tussen de regels. Soms gescheiden door een onmetelijk uitgestrekte witte vlakte voor er weer een nieuwe begon. Ik vulde in naar eigen inzicht. Fantaseerde goedaardige monsters met kamerbrede gekartelde vleugels die er tussendoor vlogen en de letters door elkaar gooiden.

letters1

Met mijn benen bungelend over de rand van de kade zaten we te vissen op zondagmiddag. Mijn vader en ik. Het amen van de dominee had lang op zich laten wachten die ochtend en ik verlangde naar ruimte. Bevrijding van de harde beklemmende kerkbanken. Het water in de gracht was bedekt met kroos en we vingen niks.
“Kunnen vissen lezen pap?”
Met de punt van mijn bamboe hengel oefende ik letters in de groenige drab. Letter voor letter tekende ik langzaam een uitnodiging voor de onzichtbare zwemmers om mijn middag te versieren. Als er bijna ‘eten’ stond waaide de wind mijn boodschap uit elkaar. De letters vervormend tot fantastische monsters die zich sierlijk door het glooiende groene landschap bewogen.
Eén keer bleef de boodschap hangen. Geconcentreerd schreef ik met mijn penseel drie zwarte letters op het groene papier. Van linksonder naar rechtsboven en met een krul recht naar beneden, een lusje naar rechts op het eind.
Dan bovenaan beginnen, naar beneden en met een bocht weer recht omhoog en dezelfde weg terug. De laatste letter als de eerste. De wind was mij goed gezind. Wat begonnen was als een minuscuul fluisterwoordje waaierde langzaam uit tot een schreeuw van formaat.
“Waar leer jij dat soort woorden?”, vroeg mijn vader boos.
Ik had het mijn oudste zus tegen hem horen zeggen.
‘Lul’, dreef schuldig door de gracht.
Zoveel ruimte was er niet tussen de regels.

Entrepreneur

Bedachtzaam krijg ik antwoord op de vraag wat hij tegenwoordig doet.
Ik heb hem al een tijdje niet gezien en heb gereageerd op zijn uitnodiging.Iets met wijnproeven heb ik onthouden en ik spoedde me met opvallend veel zin naar huize V. Dit zegt iets over de heerlijke gastvrijheid die ik daar altijd ervaar maar het zegt ook iets over mij. Het is een aankondiging die me in gedachten al van verre over de tong piest. Het huis is vol met onbekende mensen die vrolijk babbelend en licht gespannen afwachten wat er gaat komen. De drie lange tafels met daarop glazen, servetten, spuugemmers, formulieren en pennen staan uitnodigend tussen de koffiedrinkers in. De in aluminium gehulde flessen maken kennismaken eenvoudig.
Nieuwsgierigheid laat zich gemakkelijk delen.

Hij zegt me vaak dat hij voor zichzelf wil beginnen. Iets ondernemen waar zijn wereld, onderwijs aan op zijn zachtst gezegd speciale portretten, nog niet aan gedacht heeft. Het gat in de markt.
Het blijkt zo simpel nog niet. Vanuit mijn gezichtsveld bekeken is ie echter allang de ondernemer die hij zegt te willen worden. Inventief en omzichtig omspringend met de beperkingen die zijn werkomgeving hem oplegt. Zich ontworstelend aan de middelmatigheid door een frisse en uitdagende blik op alles rondom hem. Ik verdenk hem ervan dat hij in zijn eentje de afdeling ondernemen van het ROC verbouwd en van nieuwe inzichten voorziet.

“Mensen…mensen!, als ik even de aandacht mag?”.
Vanuit Tsjechië heeft hij een aantal wijnen meegenomen die gekeurd moeten worden. De entrepreneur in spé heeft het snode plan opgevat om de goede wijnen uit die streek te gaan importeren en wil het kaf van het koren scheiden met deze bijeenkomst. Op tafel staan tien witte en tien rode wijnen in folie met een nummer. De bedoeling is om in samenspraak met tafelgenoten de mate van genieten die bij elke slok hoort weer te geven. We zijn enthousiast en zetten het op een proeven.

De gesprekken met hem zijn eigenlijk nooit af maar worden altijd onderbroken door de factor tijd. Soms pikken we ze maanden later gewoon weer op en voegen de nieuwst verworven inzichten eraan toe. Er zit een soort lijn in. Langzaam kruipen onze eindjes nader. Het is net als met samen gaan fietsen wat we nog steeds niet doen. Omdat we mannen zijn praten we eeuwig over hoe weinig we trainen .
Bang om eraf gereden te worden.

Met een auto bonkend en stuiterend op de limieten van de vering is hij teruggekomen van vakantie. Tjokvol wijnen uit het nieuw beloofde land. Het avontuur spuit zo ongeveer uit zijn oren wanneer hij verteld over de wijnboeren en de mensen die hij ontmoette. Hij houdt van mensen. Hij houdt van wijn. Bij de proevers slaat na verloop van tijd echter de werkelijkheid toe. Her en der een frons nadat het glas aan de lippen gezet is. De spuugemmers raken gevuld.
wijnproeverij
Als hij alle evaluatieformulieren verzamelt heeft laat hij zien uit welk hout er bij hem thuis gesneden wordt. De entrepreneur verklapt een geheimpje.
Te midden van de in folie gehulde flessen zitten twee AH huiswijntjes verstopt.
Die vindt hij zelf niet echt lekker maar ze zijn een goed referentiepunt om te zien of wat je ver haalt dat wel is. Een bewonderend geroezemoes stijgt op uit de aandachtige menigte. De kwaliteit van onze papillen staat op het spel. Met een groots gebaar ontdoet hij de categorie d’hors van hun omhulsels.Het even heel stil voordat er een kakofonie van verwarring losbarst.
Het uitgelezen gezelschap van wijnkenners heeft de sloeber van Albert Heijn uitgeroepen tot winnaar in zowel de rode als de witte variant. Met glimmende ogen strijkt hij de hand over zijn kin en neemt een beslissing die hem tekent. Hij wordt geen wijnboer. Volgend jaar weer gewoon op vakantie naar dat prachtige land.
We nemen er eentje op.

Roesje

Ik kom bij. Langzaam worden de mistige contouren van een kamer geplooid tot herkenbare lijnen en vormen. Tussen wegzakken en helder zijn door besef ik dat de operatie klaar is. Ingesnoerd lig ik in een soort grote broek die me behoed voor verkeerde bewegingen zodat mijn lijf kan wennen aan mijn nieuwe heup. Binnen handbereik hangt een zakje met een pompje eraan. Navraag leert me dat dit morfine betreft tegen de pijn. Die is wel te doen maar morfine ontbreekt nog op mijn lijstje van verdovende ervaringen. Ik gebruik het pompje en geef zo kleur aan de verder saaie kamer. Herkenbare lijnen en vormen vervagen en ik keer terug naar mistige contouren. Er speelt een muziekje door mijn hoofd.

Ik haat ziekenhuizen. Kotste vroeger elk ziekenhuis onder. Men verdacht mij van epilepsie maar het bleek met een hoge gevoeligheid te maken te hebben. Zo dweilde ik menig hospitaal door opzoek naar een uitweg. Eenmaal naar buiten gesleept knapte ik weer op. Ik werd eens geopereerd aan mijn neus. Toen ik bijkwam stond mijn vriendin aan het bed en keek me bezorgd aan. “Mijn god, als dat maar weer goed komt”, sprak ze. Ik vroeg onmiddellijk om een spiegel en deelde haar vrees. Rocky in het kwadraat. Maar het kwam goed, mijn neus stond weer recht en ik wankelde het ziekenhuis uit.

Zwakke heupen. Het zit in de familie. “Het heeft niet echt geholpen dat u zoveel gesport heeft”, zei de chirurg tegen me. Ik ben er de man niet naar om om te zien in wrok. Mijn opa liep al zolang ik hem kende met een stok. Hij moet helse pijnen gekend hebben en ik besef nu dat de momenten die we deelden voor hem een verlichting betekenden. Ik nam altijd een stevige borrel mee. De medische wereld boekte sindsdien vooruitgang en ik hoef nog maar een week of zes met krukken te lopen. Zelfs de noodzaak voor die borrel is er niet meer. Ik doe niet alles uit noodzaak.

De kliniek waarin ik herstelde is een oud Gents herenhuis waar vroeger een Italiaans restaurant in was gevestigd. De man en vrouw die nu de kliniek bestieren waren vroeger de eigenaren. In de kelder is de ruimte voor de fysio en het zwembad. Dan twee verdiepingen kamers en bovenin het Italiaanse restaurant waar je alleen via een trap kunt komen. Dit bevorderde het herstel aanzienlijk. Leerde traplopen met krukken in no time. Ik nam op de eerste dag de lift naar beneden voor oefeningen in het zwembad. Bij binnenkomst zag ik de verbaasde blikken die men mij toewierp toen ik mijn badjas uittrok en ik werd teruggestuurd. In de roes van resten morfine was ik vergeten een zwembroek aan te doen. De fysiotherapeute die mijn been behandelde keek me meewarig aan. Ze probeerde mijn olifantsbeen van vocht te ontdoen. “We zijn het wel gewend mijnheer”, zei ze,”den Hollander is over het algemeen iets ambitieuzer”. Ik deed teveel en kon te weinig. Het restaurant op de bovenste verdieping liet op zich wachten. Daar ben ik niet goed in, wachten. Ik droomde van fietsen door weidsheid, lang wandelen in eindeloze bossen en grote borden spaghetti.

Soms ben ik blij dat er van allerlei dingen twee zijn. Het is handig dat we twee handen hebben. De akoestiek verbeterd aanzienlijk bij beschikbaarheid van twee oren. We omarmen warmer met twee armen. Minder blij wordt ik van het besef dat ik twee heupen heb. Over een maand is de andere aan de beurt. Ik heb mijn hoop gevestigd op een pompje.

Ben and Jerry

“Laten we een weekend weggaan, dan vragen we Lynn en Mitchel mee. Kunnen we lekker wandelen voordat jij die wedstrijd hebt, de accommodatie is spotgoedkoop”.

In Breckenridge, Colorado verzinnen ze een experiment met een triatlon waar ik aan meedoe. Het is een wintersportoord dat in de zomer hevig haar best moet doen om te overleven. De protserige en blinkende Amerikaanse skigebieden in de Rockies staan me soms tegen.
Door de volgorde om te keren wil men de race een apotheose bezorgen in en rond hun nieuwe zwembad. Dit pakt nogal anders uit dan beoogd.
De studiegenoten en mijn vriendin gaan mee en op de heenweg geeft ze hen uitleg over ons verblijf.
“We’ve rented a condom, zegt ze al kaartlezend naast me in de auto, “ and it fits all four of us”.
In de binnenspiegel zie ik twee paar ogen groot worden en na wat taalkundige verwarring is de hilariteit compleet. ‘Condo’ blijkt de juiste afkorting voor het appartement dat we gehuurd hebben. We passen er inderdaad gemakkelijk in met vier personen. Amerikanen denken nu eenmaal anders over ruimte. Als je in hun land geweest bent begrijp je hoe dat komt.
Wij leven in Nederland op een postzegel met heel veel mensen.

De wedstrijd begint met tien mijl hardlopen een berg op en af waarna het fiets traject van 65 mijl over een pass naar het zwembad leidt. De organisatie heeft buiten de omstandigheden gerekend. Het is koud en bovenop snijdt een sneeuwstorm door de getrainde ledematen van de schaars geklede atleten. Hoe ik beneden kom weet ik niet. Ik moet elke 5 kilometer afstappen om nog bloed richting mijn handen te krijgen want ik kan niet meer remmen. Bij aankomst in het zwembad ben ik volledig bevroren en zoek hevig rillend mijn weg.

sneeuwfietser-900

Als ik met de fietsschoenen nog aan verdwaasd in het verwarmde bad ronddobber zie ik om mij heen mijn diepgevroren lotgenoten drijven. Niemand is meer in staat tot bewegen en we proberen niet te verdrinken tijdens het ontdooien. Men besluit het zwemmen als onderdeel voor de uitslag te schrappen en ik eindig verrassend hoog. Zwemmen is mijn zwakste onderdeel.
De winnaars van deze race gaan de rest van het seizoen door het leven als Ben and Jerry.